Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.3
12.3 Ontwikkeling van het publieke belang in nemo tenetur rechtspraak
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499599:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel); FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge), § 56-57.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 67, met verwijzing naar EHRM 21 september 1994 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1995, 463.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 74.
EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 57, met verwijzing naar EHRM 29 november 1988 (Brogan e.a. t. Verenigd Koninkrijk).
§ 58.
EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 58.
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 38. Zie nadien EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran and Francis), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.nt. Thomas), § 51, waarin het Hof terugblikt op Shannon, wanneer het overweegt dat ‘neither the security context nor the available procedural protection could justify the measures in that case’ (cursivering toegevoegd).
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 97.
Zie meer recent EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 39, met verwijzing naar EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 93.
Dat de gelding van het recht tegen gedwongen zelfbelasting kan worden beperkt vanwege het belang van het onderzoek naar en de bestraffing van delicten, volgt niet uit de aanvankelijke rechtspraak.1 In Funke had de Franse regering het standpunt ingenomen dat de bijzondere kenmerken van het douanerecht ertoe noopten de medewerking van de betrokkene af te dwingen door hem te bestraffen voor zijn weigering. Het EHRM volgt dit standpunt uitdrukkelijk niet. Het erkent wel dat de verdragsstaten het voor de bestrijding van kapitaalvlucht en belastingfraude noodzakelijk achten om zich te verlaten op (dwang)middelen zoals doorzoeking en inbeslagneming om fysiek bewijs te verkrijgen en zo nodig de verantwoordelijken te vervolgen, maar de nationale wetgeving en praktijk moeten toereikende en effectieve waarborgen bevatten tegen misbruik van die middelen.2
Het arrest in de zaak Saunders geeft enig inzicht in de betekenis van de opsporing en bestraffing van delicten voor de nemo tenetur-problematiek. De toepassing van de waarborgen in art. 6 op het onderzoek vóór het ‘charge’-moment (‘preparatory investigation’) ‘would in practice unduly hamper the effective regulation in the public interest of complex financial and commercial activities’.3 Dat publieke belang speelt blijkbaar niet of minder in de ‘charge’-fase. Het Hof volgt in Saunders althans niet het standpunt van de Engelse regering dat de complexiteit van fraude binnen ondernemingen en het publieke belang van het onderzoek naar en de bestraffing van verantwoordelijken de onderhavige beperking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting rechtvaardigt. De vereisten van ‘fairness’ in art. 6, zoals het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zijn toepasselijk op strafprocedures betreffende alle typen strafbare feiten, ongeacht de ingewikkeldheid daarvan.4
In de zaak Heaney en McGuinness verwijst het Hof naar deze overwegingen in Saunders en geeft het daaraan uitbreiding door te overwegen dat het door de Ierse regering opgeworpen veiligheidsbelang niet de essentie van het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht tegen gedwongen zelfbelasting mag aantasten. Het volgt niet het standpunt van de Ierse regering dat de antwoordplicht op grond van art. 52 van de 1939 Act een proportionele maatregel was tegen terroristische dreiging vanwege ‘the proper administration of justice and the maintenance of public order and peace’.5 Volgens het Hof kunnen deze belangen niet een maatregel rechtvaardigen, die de essentie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aantast.6 In gelijke zin het Hof in de zaken Quinn7 en Shannon8.
Jalloh: redelijke balans publieke en individuele belangen
In het arrest in de zaak Jalloh overweegt het Hof uitdrukkelijk(er) dat de waarborgen van een behoorlijk strafproces in art. 6 weliswaar gelden voor alle strafzaken, ongeacht de aard en ernst van de overtreding die aan de orde is, maar dat dit niet uitsluit dat bij de vaststelling of het nationale strafproces als geheel behoorlijk is geweest het belang van het onderzoek naar en de bestraffing van bepaalde vergrijpen wordt afgezet tegen het belang van de verdachte dat het bewijs tegen hem op integere wijze is verkregen.9 Het voegt daaraan toe dat verdragsstaten dan een redelijke balans moeten vinden tussen de in het geding zijnde publieke en individuele belangen en herhaalt dat publieke belangen geen maatregelen kunnen rechtvaardigen die de essentie van een (door art. 6 EVRM gegarandeerd) verdedigingsrecht aantasten, waaronder het recht tegen gedwongen zelfbelasting.10 Van dit laatste was in Jalloh (evenals eerder in Heaney en McGuinness) wel sprake.