Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.2
5.2 HR 11 juli 1984: het eerste pleitbaar standpunt arrest
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566209:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, r.o. 4.
In dit arrest overwoog de belastingkamer van de Hoge Raad nog: “Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende zodanig pleitbaar geacht dat het op grond daarvan aannemelijk heeft geacht dat belanghebbende heeft gemeend (cursivering door mij, MK) juist te handelen…”. Later is deze overweging niet meer herhaald, maar is de overweging “redelijkerwijs kon menen juist te handelen” gebruikt.
HR 24 november 1982, BNB 1983/103 en HR 29 juni 1983, BNB 1983/261. Het standpunt dat aan het eerstgenoemde arrest ten grondslag lag, zag op de vraag of de feitelijke leiding van een onderneming zich in Nederland bevond. Het begrip feitelijke leiding leent zich, zoals uit hoofdstuk 2 naar voren is gekomen, bij uitstek voor een pleitbaar standpunt. A. Nooteboom, de annotator van dit arrest, meende bovendien dat de gronden voor het aannemen van een feitelijke leiding in Nederland en daarmee de gronden voor het ongelijk van de belastingplichtige “vliesdun” waren. Deze zaak is voortgezet in HR 30 januari 1985, BNB 1985/146. Ook in dit arrest dat is gewezen na het eerste pleitbaar standpunt arrest van 11 juli 1984, is de vraag of het standpunt pleitbaar was buiten beschouwing gelaten. Het standpunt dat aan HR 29 juni 1983, BNB 1983/261 ten grondslag lag, zag op de vraag of een uitkering wegens bedrijfsschade een belastbare bate was. Uit de noot van J.P. Scheltens onder dit arrest is op te maken dat het rechtskundige standpunt pleitbaar moet zijn geweest omdat het in andere zaken door belastingrechters in feitelijke instantie wel was gevolgd.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in een arrest van 11 juli 1984 een voor die tijd uitzonderlijke hofuitspraak bevestigd.1 Deze uitspraak zag op een boete in een zaak waarin de belastingplichtige, een gemeente, het standpunt had ingenomen dat zij over bepaalde prestaties geen omzetbelasting was verschuldigd. Hoewel zij wist dat haar standpunt niet door de inspecteur werd gedeeld, had zij toch conform dit standpunt aangifte gedaan en omzetbelasting betaald, zonder de inspecteur van haar standpunt op de hoogte te brengen. Toen de inspecteur dit ontdekte, legde hij een naheffingsaanslag op met een verhoging – de toenmalige bestuurlijke boete – wegens grove schuld omdat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist dat haar standpunt niet door de inspecteur werd gedeeld en daarmee wist dat haar belastingbetaling mogelijk onjuist was.
Hoewel ook het hof het standpunt van de belastingplichtige over de omzetbelasting niet volgde, was voor een verhoging bij naheffing volgens het hof geen plaats. Het standpunt was namelijk zodanig pleitbaar dat het hof het aannemelijk achtte dat de belastingplichtige had gemeend juist te handelen door de omzetbelasting conform het in haar aangifte ingenomen standpunt te betalen.2 De belastingkamer van de Hoge Raad heeft dit oordeel ongemoeid gelaten en daaraan toegevoegd dat het hof zich van dit oordeel niet hoefde te laten weerhouden door de omstandigheid dat de belastingplichtige wist dat haar standpunt mogelijk onjuist was. Ook bij de aan dit oordeel verbonden conclusie dat het zowel niet aan opzet – wat in deze zaak niet eens was gesteld – als niet aan grove schuld van de belastingplichtige was te wijten dat er te weinig belasting was betaald, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad zich aangesloten.
De bevestiging van de hofuitspraak was uitzonderlijk omdat met de vaststelling dat de belastingplichtige zich ervan bewust was dat haar standpunt en daarmee haar belastingbetaling mogelijk onjuist waren, aan de vereisten was voldaan die in die tijd aan grove schuld en zelfs aan opzet werden gesteld. Deze vereisten bleken volgens het hof en de belastingkamer van de Hoge Raad echter niet meer van belang te zijn, zodra de belastingplichtige een pleitbaar standpunt had ingenomen. De belastingkamer van de Hoge Raad had het pleitbaar standpunt begrip voor het arrest van 11 juli 1984 nog niet eerder gebruikt. Integendeel, kort voor het eerste pleitbaar standpunt arrest, in 1982 en 1983, had de belastingkamer nog twee uitspraken ongemoeid gelaten waarin het hof aan de hand van de destijds geldende vereisten voor opzet of grove schuld wel had geoordeeld dat de onjuiste belastingheffing aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige was te wijten, terwijl ook deze belastingplichtige zeer waarschijnlijk een pleitbaar standpunt had ingenomen.3