Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.8:5.8 Afsluiting
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.8
5.8 Afsluiting
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571165:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het arrest van 11 juli 1984 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad voor het eerst de vereisten die normaal voor opzet en grove schuld bepalend zijn buiten beschouwing gelaten omdat aan de onjuiste aangifte een pleitbaar standpunt ten grondslag lag. Sindsdien leidt het pleitbare standpunt in het fiscale boeterecht volgens vaste jurisprudentie zonder meer tot het ontbreken van opzet en grove schuld en daarmee tot straffeloosheid.
Het oordeel dat het pleitbare standpunt zonder meer tot afwezigheid van opzet en grove schuld leidt, heeft eigenlijk geen rechtshistorische basis. Slechts uit één ambivalente opmerking uit de wetsgeschiedenis is op te maken dat opzet en grove schuld bij een pleitbaar standpunt zouden moeten ontbreken. Daarnaast is dit verdedigd door Scheltens in zijn handboek en door A-G Van Soest in twee conclusies, waaronder de conclusie voorafgaand aan het arrest van 11 juli 1984. Toch heeft het pleitbare standpunt in het belastingrecht met inbegrip van het fiscale boeterecht wel bestaansrecht verworven. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft het belang van het pleitbare standpunt voor vergrijpboetes sindsdien in verschillende arresten bevestigd en de rol van het pleitbare standpunt zelfs uitgebreid tot verzuimboetes en de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld. Ook de wetgever heeft het bestaan en de invloed van het pleitbare standpunt reeds enkele jaren na het eerste pleitbaar standpunt arrest als een gegeven geaccepteerd en lijkt dat nog steeds te doen. De Staatssecretaris van Financiën heeft vanaf 1997 in beleid bekendgemaakt dat bij een pleitbaar standpunt voor boetes geen plaats is. Tot slot is de opkomst en invloed van het pleitbare standpunt omarmd door de fiscale literatuur.
In de literatuur is naderhand, nadat het eerste pleitbaar standpunt arrest is gewezen, een aantal verklaringen voor de opkomst en de invloed van het pleitbaar standpunt begrip gegeven. In de eerste plaats is gesteld dat het ongepast is een belastingplichtige die een aangifteplicht krijgt opgelegd, met voor meerderlei uitleg vatbaar recht wordt geconfronteerd en toch stellig en zonder voorbehoud aangifte moet doen en daardoor verplicht is een standpunt in te nemen, te beboeten als hij een onjuist maar pleitbaar standpunt heeft ingenomen. In de tweede plaats is gesteld dat het de belastingplichtige vrij moet staan om zijn visie op de interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen, zonder dat hem boven het hoofd hangt dat een hem opgelegde boete in stand blijft als zijn standpunt, hoewel verdedigbaar, onjuist blijkt te zijn. Tot slot wordt de opkomst en de invloed van het pleitbaar standpunt begrip in verband gebracht met het niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in de Europese Unie en in de Verenigde Staten geldende uitgangspunt dat belastingplichtigen in het belastingrecht de vrijheid moeten hebben om de fiscaal gunstigste weg te kiezen. De vrijheid van een belastingplichtige om zijn eigen – voor hem gunstigste – interpretatie of toepassing van het recht te volgen ligt in het verlengde hiervan. Met name van deze laatstgenoemde vrijheid zou weinig meer overblijven als, zoals in het algemene strafrecht, het opzoeken van de grenzen van de wet tot beboeting of bestraffing zou leiden zodra het standpunt dat de belastingplichtige heeft ingenomen onjuist blijkt te zijn.
Ik ga ervan uit, hoewel de belastingkamer van de Hoge Raad zich nooit heeft uitgelaten over een rechtvaardiging voor de opkomst en de invloed van het pleitbare standpunt in het fiscale boeterecht, dat die rechtvaardiging in de zojuist genoemde principes kan worden gevonden. Deze onderliggende principes zouden naar mijn mening vervolgens ook van belang moeten zijn zodra niet de belastingrechter, maar de strafrechter zich over de strafwaardigheid van een onjuiste, maar pleitbare aangifte buigt. Ook in het fiscale strafrecht zouden deze principes derhalve tot gevolg moeten hebben dat op een eigen – van het algemene strafrecht afwijkende – wijze over de strafwaardigheid van een onjuiste, maar pleitbare aangifte wordt gedacht. Een van de uitgangspunten die bij het formuleren van een voorstel voor een eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer door de belastingrechter en de strafrechter in het volgende hoofdstuk wordt gehanteerd is daarom het uitgangspunt dat het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt ook in het fiscale strafrecht invloed krijgt.