HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, r.o. 2.5.2; vgl. HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414, r.o. 3.6.
HR, 20-06-2023, nr. 21/03376
ECLI:NL:HR:2023:920
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-2023
- Zaaknummer
21/03376
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:920, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:198
ECLI:NL:PHR:2023:198, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:920
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑05‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0122
Uitspraak 20‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Bedreiging, art. 285.1 Sr. Eigen waarneming hof in raadkamer van uitingen van verdachte door filmfragment m.b.v. hoofdtelefoons nogmaals te bekijken en te beluisteren, nadat filmfragment tweemaal tijdens onderzoek ttz. in hoger beroep is getoond, art. 339.1 Sv jo. 340 Sv. Kon hof eigen waarneming, die het pas na sluiting van onderzoek ttz. heeft gedaan, voor bewijs gebruiken? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2006:AX6414 t.a.v. ratio van art. 340 Sv en HR:2019:1414 m.b.t. gebruik voor bewijs van buiten verband van tz. gedane eigen waarneming door rechter van opname van beeld en/of geluid. Uit de motivering van afwijzing hof van voorwaardelijk verzoek van verdediging om deskundige te benoemen blijkt dat hof na sluiting van onderzoek ttz. het filmfragment in raadkamer nogmaals heeft bekeken en beluisterd. Hof heeft daarbij gebruik gemaakt van hoofdtelefoons en het heeft kennelijk pas toen de als bewijsmiddel gebruikte eigen waarneming gedaan en vastgesteld dat verdachte de in dat b.m. weergegeven uitingen heeft gedaan. Uit p-v van tz. blijkt echter niet dat tijdens onderzoek ttz. het daar vertoonde filmfragment op dezelfde manier - met hoofdtelefoons - is beluisterd en ook niet dat aan de orde is gesteld dat hof na sluiting van onderzoek ttz. zou (kunnen) overgaan tot het op die manier beluisteren van het filmfragment. Over die werkwijze hebben verdediging en vertegenwoordiger van OM zich dus ook niet kunnen uitlaten. Onder deze omstandigheden had hof de eigen waarneming niet voor bewijs mogen gebruiken. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03376
Datum 20 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2021, nummer 22-002438-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs door het hof van de in bewijsmiddel 4 opgenomen eigen waarneming.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 25 mei 2020 te ‘s-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “Dan maar 20 jaar naar binnen, ik zweer het, dit ga ik nooit accepteren” en “Dat ik dit nooit ga accepteren, al moet ik jou afleggen [slachtoffer] ”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“4. De eigen waarneming van het hof, -zakelijk weergegeven- :
Het hof stelt op grond van eigen waarneming vast dat als het filmfragment met bestandsnaam VID 20200525-WA0007 wordt gestart de bestandsnaam van het filmfragment in beeld komt. Het hof stelt op grond van eigen waarneming verder vast dat de verdachte in het filmfragment tegen degene die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangewezen als [slachtoffer] zegt: “dan maar twintig jaar naar binnen, ik zweer je dit ga ik nooit opgeven” en “dat ik het nooit ga accepteren, al moet ik je afleggen [slachtoffer] ”.”
2.2.3
Het hof heeft in zijn arrest verder ten aanzien van een voorwaardelijk gedaan verzoek door de raadsman het volgende overwogen:
“Bij pleidooi heeft de raadsman verzocht om, indien het hof de verdachte niet vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een deskundige te benoemen die onderzoek kan doen naar de woorden die te horen zijn in het filmfragment. Uit dit onderzoek zal volgens de raadsman onomstotelijk blijken of het verwijt zoals tenlastegelegd terecht is en juist is verwoord.
In raadkamer heeft het hof het betreffende filmfragment, dat ook ter terechtzitting is afgespeeld, nogmaals bekeken en beluisterd met behulp van hoofdtelefoons. Op deze wijze heeft het hof de relevante onderdelen van het fragment goed kunnen horen. Het hof heeft slechts minimale verschillen waargenomen ten opzichte van hetgeen de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2020 met nummer PL1500-20201123032-5 heeft gerelateerd, welke verschillen voor de bewezenverklaring van ondergeschikt belang zijn. Het hof stelt op grond van eigen waarneming vast dat de verdachte in het filmfragment tegen [slachtoffer] zegt: “dan maar twintig jaar naar binnen, ik zweer je dit ga ik nooit opgeven” en “dat ik het nooit ga accepteren, al moet ik je afleggen [slachtoffer] ”.”
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
(...)
- de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek.
(...)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U toont mij het filmfragment met bestandsnaam VID 20200525-WA0007 waar het onder 1 tenlastegelegde feit op ziet. Ik sta op dit filmpje. (...) De andere persoon op het filmpje is [slachtoffer] . [betrokkene 1] was ook aanwezig en die is later te horen op het filmpje. Ik denk dat het filmpje met een verborgen camera is gefilmd. [betrokkene 1] was vlakbij. U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen voor op dossierpagina 76 waarin de verbalisant over de inhoud van het filmpje heeft gerelateerd. Ik zeg u dat dit proces-verbaal geen goede weergave is van het filmpje. Er gaan uren van discussie aan vooraf. Ik heb de onder 1 tenlastegelegde woorden niet gezegd en ik heb ze zojuist ook niet gehoord bij het afspelen van het filmpje. Ik heb gezegd dat ik hier nooit 20 jaar voor naar binnen ga.
U speelt het filmfragment nogmaals af. Ik heb ook gevraagd om het filmpje te laten onderzoeken. Ik hoor niet duidelijk wat ik zeg op het filmpje. Ik weet dat zij mij filmen, dus ik ben niet zo dom. Zij proberen mij er continu in te luizen. [slachtoffer] draait zich ook om. Er wordt een vies spel met mij gespeeld. Duizenden brieven heb ik gehad en dit is waar zij uiteindelijk mee zijn gekomen.
U houdt mij voor dat ik ontken de tenlastegelegde zin ‘Dan maar 20 jaar naar binnen, ik zweer het, dit ga ik nooit accepteren’ heb gezegd, dat ik de tweede zin ‘Dat ik dit nooit ga accepteren, al moet ik jou afleggen [slachtoffer] ’ niet goed hoor en dat ik wat de ander zegt: ‘Ga je dreigen [verdachte]?’ wel hoor. Ja, dat heb ik gehoord op het filmpje. Ik ken ze al 20 jaar. Het is nooit mijn intentie geweest om ze te bedreigen. Ik was die dag, 25 mei 2020, heel boos. De sportschool werd van mij afgenomen. Ik heb niet gedreigd, zeker niet in de context van 20 jaar vriendschap. We waren vier tot vijf dagen per week samen. Hij zegt ‘Ga je dreigen [verdachte]?’ omdat hij weet dat het wordt gefilmd.
De advocaat-generaal houdt mij de verklaring van [slachtoffer] op dossierpagina 158 en 159 voor. Heel logisch dat hij de woorden wel heeft gehoord want alle financiële voordelen zijn voor hem. De advocaat-generaal houdt mij de verklaring van [betrokkene 1] op dossierpagina 64 e.v. voor. Ik heb beide zinnen niet gehoord. Zij verzinnen het. Beiden zijn als broers voor mij geweest, wij hebben samengeleefd. Gelet op de relatie die wij hadden zijn mijn woorden niet op te vatten als een bedreiging.
(...)
De raadsman verzoekt om, indien het hof de verdachte niet vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een deskundige te benoemen die onderzoek kan doen naar de woorden die te horen zijn in het filmfragment. Uit dit onderzoek zal volgens de raadsman onomstotelijk blijken of het verwijt zoals tenlastegelegd terecht is en juist is verwoord.”
2.4
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 339 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
1°. eigen waarneming van den rechter (...).”
- Artikel 340 Sv:
“Onder eigen waarneming van den rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.”
2.5.1
Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze waarneming – behoudens de onder 2.5.2 genoemde uitzondering – bij het onderzoek op de terechtzitting moeten zijn gedaan. Aan dit voorschrift van artikel 340 Sv ligt ten grondslag dat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daarover bij de behandeling van de zaak uit te laten (vgl. HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414, rechtsoverweging 3.6).
2.5.2
In bijzondere gevallen staat de ratio van artikel 340 Sv er niet aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een buiten het verband van de terechtzitting gedane eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld en/of geluid die niet op de terechtzitting is vertoond of ten gehore gebracht. Dat mag alleen als (i) die opname tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gesteld, (ii) de verdediging en het openbaar ministerie van die opname kennis hebben kunnen nemen en (iii) ter terechtzitting door de daar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van het openbaar ministerie geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname op de terechtzitting. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, rechtsoverwegingen 2.5.4-2.5.5.)
2.6.1
De als bewijsmiddel 4 gebruikte eigen waarneming van het hof betreft een filmfragment dat betrekking heeft op de tenlastegelegde uitingen van de verdachte jegens de aangever [slachtoffer] . Dat filmfragment is, zoals volgt uit het onder 2.3 weergegeven proces-verbaal, tijdens het onderzoek op de terechtzitting tweemaal getoond. Ook is een proces-verbaal van de politie ter sprake gebracht waarin de inhoud van de beelden en wat daarop te horen is, is beschreven. De verdachte en zijn raadsman hebben zich op de terechtzitting uitgelaten over wat op het filmfragment te horen is. Daarbij heeft de verdachte betwist dat hij de tenlastegelegde uitingen heeft gedaan.
2.6.2
Het hof heeft bij arrest een voorwaardelijk verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen, afgewezen. Uit de onder 2.2.3 weergegeven motivering van deze afwijzing blijkt dat het hof na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting het filmfragment in raadkamer nogmaals heeft bekeken en beluisterd. Het hof heeft daarbij gebruik gemaakt van hoofdtelefoons en het heeft kennelijk pas toen de als bewijsmiddel 4 gebruikte eigen waarneming gedaan en vastgesteld dat de verdachte de in dat bewijsmiddel weergegeven uitingen heeft gedaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt echter niet dat tijdens het onderzoek op de terechtzitting het daar vertoonde filmfragment op dezelfde manier – met hoofdtelefoons – is beluisterd en ook niet dat aan de orde is gesteld dat het hof na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting zou (kunnen) overgaan tot het op die manier beluisteren van het filmfragment. Over die werkwijze hebben de verdediging en de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zich dus ook niet kunnen uitlaten. Onder deze omstandigheden had het hof, gelet op wat onder 2.5 is vooropgesteld, de in bewijsmiddel 4 weergegeven eigen waarneming niet voor het bewijs mogen gebruiken.
2.7
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2023.
Conclusie 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 340 Sv. Slagend middel over gebruik voor bewijs van eigen waarneming door de rechter in raadkamer. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03376
Zitting 28 maart 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 subsidiair vijf dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof een eigen waarneming voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl het die waarneming niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 25 mei 2020 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Dan maar 20 jaar naar binnen, ik zweer het, dit ga ik nooit accepteren" en "Dat ik dit nooit ga accepteren, al moet ik jou afleggen [slachtoffer] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking”.
2.3
Het hof heeft deze bewezenverklaring onder meer gebaseerd op de als bewijsmiddel 4 opgenomen eigen waarneming van een filmfragment:
“Het hof stelt op grond van eigen waarneming vast dat als het filmfragment met bestandsnaam VID 20200525-WA0007 wordt gestart de bestandsnaam van het filmfragment in beeld komt. Het hof stelt op grond van eigen waarneming verder vast dat de verdachte in het filmfragment tegen degene die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangewezen als [slachtoffer] zegt: “dan maar twintig jaar naar binnen, ik zweer je dit ga ik nooit opgeven” en “dat ik het nooit ga accepteren, al moet ik je afleggen [slachtoffer] ”.”
2.4
In de schriftuur wordt kort gezegd aangevoerd dat het filmfragment tijdens het onderzoek ter terechtzitting is afgespeeld, maar dat het hof toen niet naar voren heeft gebracht dat het daarop de bewezenverklaarde uitspraken heeft waargenomen. Die waarneming is cruciaal voor de bewijsvoering, nu de verdachte heeft betwist dat de bewezenverklaarde woorden op het filmfragment te horen zijn.
2.5
De verdachte heeft volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 juli 2021 als volgt betwist dat de tenlastegelegde woorden op het filmfragment te horen zijn:
“U toont mij het filmfragment met bestandsnaam VID 20200525-WA0007 waar het onder 1 tenlastegelegde feit op ziet. Ik sta op dit filmpje. (...) U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen voor op dossierpagina 76 waarin de verbalisant over de inhoud van het filmpje heeft gerelateerd. Ik zeg u dat dit proces-verbaal geen goede weergave is van het filmpje. Er gaan uren van discussie aan vooraf. Ik heb de onder 1 tenlastegelegde woorden niet gezegd en ik heb ze zojuist ook niet gehoord bij het afspelen van het filmpje. Ik heb gezegd dat ik hier nooit 20 jaar voor naar binnen ga.
U speelt het filmfragment nogmaals af. Ik heb ook gevraagd om het filmpje te laten onderzoeken. Ik hoor niet duidelijk wat ik zeg op het filmpje. Ik weet dat zij mij filmen, dus ik ben niet zo dom. Zij proberen mij er continue in te luizen. [slachtoffer] draait zich ook om. Er wordt een vies spel met mij gespeeld. Duizenden brieven heb ik gehad en dit is waar zij uiteindelijk mee zijn gekomen.
U houdt mij voor dat ik ontken de tenlastegelegde zin ‘Dan maar 20 jaar naar binnen, ik zweer het, dit ga ik nooit accepteren’ heb gezegd, dat ik de tweede zin ‘Dat ik dit nooit ga accepteren, al moet ik jou afleggen [slachtoffer] ’ niet goed hoor en dat ik wat de ander zegt: ‘Ga je dreigen [verdachte] ?’ wel hoor. Ja, dat heb ik gehoord op het filmpje. (…) Het is nooit mijn intentie geweest om ze te bedreigen. Ik was die dag, 25 mei 2020, heel boos. De sportschool werd van mij afgenomen. Ik heb niet gedreigd, zeker niet in de context van 20 jaar vriendschap. We waren vier tot vijf dagen per week samen. Hij zegt ‘Ga je dreigen [verdachte] ?’ omdat hij weet dat het wordt gefilmd.
De advocaat-generaal houdt mij de verklaring van [slachtoffer] op dossierpagina 158 en 159 voor. Heel logisch dat hij de woorden wel heeft gehoord want alle financiële voordelen zijn voor hem. De advocaat-generaal houdt mij de verklaring van [betrokkene 1] op dossierpagina 64 e.v. voor. Ik heb beide zinnen niet gehoord. Zij verzinnen het. Beiden zijn als broers voor mij geweest, wij hebben samengeleefd. Gelet op de relatie die wij hadden zijn mijn woorden niet op te vatten als een bedreiging. (…)”
2.6
De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht een deskundige onderzoek te laten doen naar het filmfragment. Het hof heeft in zijn arrest dat verzoek als volgt afgewezen:
“Bij pleidooi heeft de raadsman verzocht om, indien het hof de verdachte niet vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een deskundige te benoemen die onderzoek kan doen naar de woorden die te horen zijn in het filmfragment. Uit dit onderzoek zal volgens de raadsman onomstotelijk blijken of het verwijt zoals tenlastegelegd terecht is en juist is verwoord.
In raadkamer heeft het hof het betreffende filmfragment, dat ook ter terechtzitting is afgespeeld, nogmaals bekeken en beluisterd met behulp van hoofdtelefoons.
Op deze wijze heeft het hof de relevante onderdelen van het fragment goed kunnen horen. Het hof heeft slechts minimale verschillen waargenomen ten opzichte van hetgeen de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2020 met nummer PL1500-20201123032-5 heeft gerelateerd, welke verschillen voor de bewezenverklaring van ondergeschikt belang zijn. Het hof stelt op grond van eigen waarneming vast dat de verdachte in het filmfragment tegen [slachtoffer] zegt: “dan maar twintig jaar naar binnen, ik zweer je dit ga ik nooit opgeven” en “dat ik het nooit ga accepteren, al moet ik je afleggen [slachtoffer] ”.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek af, nu de noodzaak hiertoe het hof niet is gebleken. Het hof heeft immers goed kunnen horen wat er in de opname gezegd wordt.”
2.7
Art. 340 Sv luidt:
“Onder eigen waarneming van den rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.”
2.8
Volgens art. 340 Sv moet de eigen waarneming van de rechter “bij het onderzoek op de terechtzitting” zijn gedaan. Daaraan ligt ten grondslag dat de eigen waarneming van de rechter alleen voor het bewijs kan worden gebruikt indien ook zowel de verdachte en de raadsman als de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die waarneming hebben kunnen doen en zich daarover hebben kunnen uitlaten bij de behandeling van de zaak.1.De rechter hoeft zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming alleen ter sprake te brengen indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening hoefden te houden.2.Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.3.
2.9
De Hoge Raad heeft deze ‘klassieke’ rechtspraak over de eigen waarneming van de rechter als bewijsmiddel in 2017 en 2019 genuanceerd ten aanzien van opnamen van beeld of geluid.4.In 2017 oordeelde de Hoge Raad dat een eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld of geluid onder omstandigheden ook voor het bewijs kan worden gebruikt indien die waarneming door de rechter niet ter terechtzitting maar pas achteraf in de raadkamer is gedaan.5.In 2019 heeft de Hoge Raad deze rechtspraak verder aangevuld, door te oordelen dat het gebruik van een dergelijke eigen waarneming buiten de terechtzitting alleen verenigbaar is met art. 340 Sv als (i) die opname tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gesteld, (ii) de verdediging en het openbaar ministerie van die opname kennis hebben kunnen nemen en (iii) ter terechtzitting door de aldaar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van het openbaar ministerie geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname ter terechtzitting.6.Wel moet de rechter de eigen waarneming van de beeld- of geluidsopname ter terechtzitting aan de orde te stellen indien de procespartijen door het latere gebruik van de eigen waarneming voor het bewijs zouden worden verrast.7.
2.10
Naar mijn oordeel is de essentie van de hiervoor behandelde rechtspraak dat bij het gebruik van een eigen waarneming van de rechter voor het bewijs verrassingsbeslissingen moeten worden uitgesloten. Juist op dat punt wringt in deze zaak de schoen. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de in bewijsmiddel 4 opgenomen eigen waarneming van de uitspraken van de verdachte niet heeft gedaan tijdens het onderzoek ter terechtzitting, maar pas daarna in de raadkamer. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt niet dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte tijdens die terechtzitting te horen zijn geweest; uit het proces-verbaal blijkt juist dat de verdachte heeft ontkend dat zij te horen zijn geweest. Uit het arrest van het hof blijkt vervolgens dat het hof pas in de raadkamer met behulp van hoofdtelefoons het fragment goed heeft kunnen horen en de uitspraken van de verdachte heeft kunnen vaststellen. Daarmee is sprake van een waarneming waarmee de procespartijen geen rekening hebben kunnen houden en waarop zij tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet hebben kunnen reageren. Naar mijn oordeel is het gebruik van deze waarneming voor het bewijs daarom in strijd met art. 340 Sv.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑03‑2023
HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, r.o. 3.5.3.
HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, r.o. 3.5.3.
G.J.M.Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 806. Zie ook: D.J.M.W. Paridaens, ‘Het is door de rechter niet onopgemerkt gebleven’, in: J.P. Balkema, M. Barels, F.W. Bleichrodt, A.J. Machielse en H.J.B. Sackers (red.), Praktisch en Veelzijdig. Vriendenboek voor Paul Vegter, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 367-375.
HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, r.o. 3.5.
HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, r.o. 2.5.5.
HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, r.o. 2.5.6; vgl. HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, r.o. 3.6.
Beroepschrift 09‑05‑2022
Hoge Raad der Nederlanden
Cassatieschriftuur houdende één middel van cassatie
[verdachte], geboren [geboortedatum] 1979, in deze zaak woonplaats kiezende te Amsterdam aan de Keizersgracht 332, 1016 EZ, ten kantore van zijn advocaat Dino Bektesevic, die als zijn gemachtigde deze cassatieschriftuur namens hem indient, draagt het volgende middel/de volgende middelen van cassatie voor tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 juli 2021 gewezen onder parketnummer 22/002438-20.
Middel I
Schending en/of onjuiste toepassing van het recht in het bijzonder van de artikelen 340, 350 359 en 416 Sv en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid moeten worden nageleefd,
doordat het Hof zijn eigen waarneming voor het bewijs heeft gebruikt (bewijsmiddel 4),
terwijl het die waarneming niet bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, waardoor in elk geval verzoeker, door die waarneming is verrast omdat hij daarmee geen rekening behoefde te houden.
Toelichting
1.
Het Hof heeft bewezen verklaard — kort gezegd — dat verzoeker op 25 mei 2020 de heer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.
2.
Tot het bewijs heeft het Hof vier bewijsmiddelen gebezigd, waaronder zijn eigen waarneming van een filmfragment (bewijsmiddel 4). Dit filmfragment is tijdens het onderzoek ter terechtzitting afgespeeld. Het Hof heeft bij die gelegenheid zijn eigen waarneming niet naar voren gebracht. Uit het arrest blijkt dat het Hof in raadkamer het filmfragment nogmaals heeft afgespeeld.
3.
Het filmfragment is het springende punt in de onderhavige zaak. Door en namens verzoeker is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep steeds naar voren gebracht dat hij de ten laste gelegde woorden, of woorden van gelijke strekking, niet heeft gebezigd, althans dat dit op het filmfragment niet te voren is. Mede om die reden heeft de raadsman bij appelschriftuur en later ter zitting in voorwaardelijke vorm verzocht een deskundige onderzoek te laten doen naar het filmfragment. Het fragment speelt een cruciaal onderdeel in de bewijsvoering, nu daarop de ten laste gelegde woorden te horen zijn of niet te horen zijn. Met andere woorden: met dit bewijsmiddel verschuiven andere bewijsmiddelen — getuigenverklaringen etc. — naar de achtergrond.
4.
De Hoge Raad heeft over het ter sprake brengen van de eigen waarneming bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in onder meer HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4990, NJ 2012/559 het volgende overwogen:
‘2.4.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze, naar art. 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007/134). Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78).’
5.
Gelet op de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de indringende ontkenning van verzoeker en het namens hem gevoerde tot vrijspraak strekkende verweer, waar onder meer aan ten grondslag werd gelegd dat de voorzieningenrechter in een civiele procedure reeds had geoordeeld dat ‘jegens eisers geuite serieuze bedreigingen […] onvoldoende [is] gebleken’, had het Hof zijn eigen waarneming ter gelegenheid van het onderzoek ter sprake dienen te brengen. Dat de waarneming van het Hof in lijn is met die van de politie (bewijsmiddel 3) doet aan het voorgaande niet af.
6.
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Dino Bektesevic, advocaat te Amsterdam, die verklaart tot ondertekening en indiening van deze schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Dino Bektesevic
Advocaat
Amsterdam, 9 mei 2022