Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.3.4:II.5.3.4 Tussenconclusie
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.3.4
II.5.3.4 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460227:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag 25 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5675.
Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2345 (Financieel directeur Seatrade); Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11323 (Werknemer Edelchemie).
Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7033 (Eigenaar percelen De Zeelt).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel er niet veel uitspraken zijn waarin een leidinggevende functionaris wordt aangesproken als medepleger, volgt uit de bestudering van de criteria en de standaardjurisprudentie dat deze deelnemingsfiguur onder omstandigheden ook geschikt kan zijn om een leidinggevende aansprakelijk te stellen voor een milieudelict. Voorwaarde voor het medeplegen van de leidinggevende is dat zijn bijdrage aan het delict intellectueel of materieel gezien van voldoende gewicht is. Het is niet vereist (en in het milieustrafrecht ook niet gebruikelijk) dat de leidinggevende betrokken is bij de uitvoering van het milieudelict; de leidinggevende kan dus zonder zijn handen te bevuilen een milieudelict medeplegen.1 Het aandeel van de leidinggevende aan de samenwerking zal doorgaans van intellectuele aard zijn; hij bevindt zich immers in een positie om uitvoeringshandelingen te delegeren. Zodoende komt het veeleer aan op de vraag of de leidinggevende bewust met personen binnen of buiten zijn organisatie heeft samengewerkt om een milieudelict te plegen.
Wanneer meerdere personen een intellectuele bijdrage leveren aan de totstandkoming van een milieudelict, dient te worden gekeken of de invloed van de leidinggevende op de totstandkoming van het delict groot genoeg is.2 Die intellectuele bijdrage hoeft niet onmisbaar te zijn, en net zo min hoeft de leidinggevende doorslaggevende zeggenschap te hebben. Tegelijkertijd is er voor medeplegen van de leidinggevende meer nodig dan toekijken en niet-ingrijpen.3 Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan de leidinggevende met succes aansprakelijk worden gesteld voor medeplegen door nalaten. Of dit mogelijk is, hangt onder meer af van de aard van het delict en de mate waarin het ingrijpen van de leidinggevende gevergd mocht worden. Zo kan er bij een omissiedelict een duidelijke rechtsplicht bestaan tot ingrijpen, en als de leidinggevende (samen met anderen) die rechtsplicht verzaakt dan kan dit (mede) plegen opleveren. Bij andere delicten dan omissiedelicten, ligt het meer voor de hand om nalatige leidinggevenden aan te spreken als medeplichtigen dan als medeplegers.
In paragraaf II.6 zal ik ingaan op de verhouding tussen de verschillende deelnemingsvormen, en formuleer ik aanknopingspunten om te bepalen welke deelnemingsvorm het meest geschikt is voor het aanspreken van een leidinggevende die niet zelf alle bestanddelen van het delict vervult.