Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars
Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/10.1.1:10.1.1 Stelling 1. De toezichtrechtelijke regeling voor portefeuilleoverdracht is als zodanig nog steeds een nuttige regeling.
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/10.1.1
10.1.1 Stelling 1. De toezichtrechtelijke regeling voor portefeuilleoverdracht is als zodanig nog steeds een nuttige regeling.
Documentgegevens:
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949886:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De overdracht van een verzekeringsportefeuille met levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen met toepassing van de toezichtrechtelijke regeling is in feite een contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW, waarbij de medewerking van de polishouders van de overdragende verzekeraar wordt vervangen door de instemming van DNB. Het vervangen van deze toezichtrechtelijke regeling door een regeling waarbij de portefeuilleoverdracht plaatsvindt op grond van de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW, na het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar van DNB, is geen optie. Een polishouder zou dan immers kunnen besluiten geen medewerking te verlenen. Levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars kunnen niet uit de voeten met het “achterblijven” van verzekeringsovereenkomsten met polishouders die geen “medewerking” aan de overdracht van de verzekeringsovereenkomst willen verlenen. Zij kunnen die immers niet opzeggen.1 Bij het doen van aanbevelingen ben ik dus uitgegaan van het handhaven van de toezichtrechtelijke regeling voor portefeuilleoverdracht van levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen.
Een schadeverzekeraar kan kiezen tussen de toezichtrechtelijke route zoals beschreven in de Wft en de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW.2 De toezichtrechtelijke route voor schadeverzekeraars lijkt inmiddels (1) minder noodzakelijk doordat sinds het Jut/Aegon-arrest uit 1999 aangenomen wordt dat de medewerking van de polishouder zoals bedoeld in art. 6:159 BW aan een overdracht van een verzekeringsportefeuille van de overdragende verzekeraar aan de verkrijgende verzekeraar stilzwijgend verleend kan worden en afgeleid mag worden uit de omstandigheden van het geval3 en (2) mogelijk voor bepaalde schadeverzekeringen ook minder aantrekkelijk door de recente bestuursrechtelijke Optas/Aegon jurisprudentie over de mogelijkheid van polishouders om bezwaar te maken tegen een instemmingsbesluit van DNB.4 Bij mijn aanbevelingen ga ik ervan uit dat het voor schadeverzekeraars toch nog steeds toegevoegde waarde heeft om te kunnen kiezen tussen beide routes.5