Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.14.2
4.14.2 Verstek van de eerstegraads bestuurder
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300065:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank ’s-Gravenhage 4 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3128; NJF 2012, 252. Zie voor een ander voorbeeld: Rechtbank Utrecht 3 november 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AR5970 (mr. Dijxhoorn q.q./Rabo Participaties c.s.), r.o. 4.5: “Hoewel CvB Partners in deze procedure niet is verschenen en de vordering, voor zover deze tegen haar is gericht, in beginsel zou kunnen worden toegewezen, dient in het onderhavige geval wel een inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheid van CvB Partners plaats te vinden. Immers, [gedaagde sub 3] is door de curator (uit hoofde van artikel 2:11 BW) aansprakelijk gesteld voor het tekort van de boedel op grond van het onbehoorlijk bestuur van CvB Partners.”
R.o. 4.10.
R.o. 4.11.
Rechtbank Amsterdam 29 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7008 (Schouten Olie/JS Holding), met name r.o. 4.1.
In de situatie waarin de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder niet verschijnt in een procedure, maar de via art. 2:11 BW aansprakelijk gestelde tweedegraads bestuurder wel, dient de rechter de vorderingen op grond van art. 139 Rv. in beginsel toe te wijzen, mits deze hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Het verweer van de tweedegraads bestuurder dat betrekking heeft op het bestuur dat hij heeft gevoerd door tussenkomst van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, zal in aanmerking genomen dienen te worden bij de vraag of de vorderingen tegen de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Een dergelijke situatie deed zich voor in een aan de Rechtbank ’s-Gravenhage voorgelegde kwestie.1 De bestuurde vennootschap was in staat van faillissement verklaard. Er was sprake van één eerstegraads rechtspersoon-bestuurder en slechts één tweedegraads natuurlijk persoon-bestuurder. De eerstegraads rechtspersoon-bestuurder verscheen niet in de door de curator van de bestuurde vennootschap jegens beide bestuurders aangespannen procedure. De tweedegraads bestuurder daarentegen was wel verschenen.
De Rechtbank ’s-Gravenhage overweegt allereerst dat de tweedegraads bestuurder voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat hem geen kennelijk onbehoorlijk bestuur verweten kan worden, aangezien de bestuurde vennootschap ten onder is gegaan als gevolg van een door hem gestelde en onweersproken gebleven externe oorzaak. De slotsom is dat de vorderingen gericht tegen de tweedegraads bestuurder afgewezen worden.2 Vervolgens overweegt de rechtbank dat tegen de eerstegraads bestuurder verstek is verleend.3 De tegen die eerstegraads bestuurder gerichte vorderingen dienen volgens de rechtbank op grond van art. 139 Rv te worden toegewezen, mits deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat de vorderingen tegen de niet verschenen gedaagde (de eerstegraads bestuurder) ook af te wijzen. De tweedegraads bestuurder is immers – aldus de rechtbank – ex art. 2:248 BW aansprakelijk gesteld via “de bijzondere aansprakelijkheidsgrondslag” van art. 2:11 BW. Deze wettelijke regeling verhindert volgens de rechtbank dat door de benoeming van een rechtspersoon tot bestuurder, de natuurlijke persoon die feitelijk de scepter zwaait, aan een in Boek 2 BW geregelde bestuurdersaansprakelijkheid zou kunnen ontkomen. De tweedegraads bestuurder is derhalve – aldus nog steeds de rechtbank – krachtens wetsbepaling gelijkgesteld aan de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Volgens de rechtbank betreft het door de tweedegraads bestuurder gevoerde verweer tegen de aansprakelijkstelling uitsluitend het bestuur dat hij heeft gevoerd door tussenkomst van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Onder deze omstandigheden zal het door de tweedegraads bestuurder gevoerde verweer daarom in aanmerking genomen dienen te worden bij de beoordeling volgens het in art. 139 Rv voorgeschreven criterium en aldus komen de tegen de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder gerichte vorderingen de rechtbank in de terminologie van art. 139 Rv. ongegrond voor.
In een zaak van 29 oktober 2014 voorgelegd aan de Rechtbank Amsterdam was de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder niet verschenen.4 De tweedegraads bestuurder (een natuurlijk persoon) was wel verschenen. Aan de eerstegraads bestuurder werd verstek verleend. De rechtbank overweegt dat de vordering tegen de eerstegraads bestuurder in beginsel toewijsbaar is, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De beantwoording van deze vraag is – aldus de rechtbank – afhankelijk van de beantwoording van de vraag of hetgeen de tweedegraads bestuurder tot zijn verweer heeft aangevoerd, slaagt. Immers, de aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder is volgens de rechtbank uiteindelijk via art. 2:11 BW gebaseerd op dezelfde gronden als die van de eerstegraads bestuurder. De rechtsbetrekking tussen partijen noopt derhalve – zo vervolgt de rechtbank – tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. De rechtbank beëindigt de betreffende rechtsoverweging met de opmerking dat dit met zich brengt dat indien het door de tweedegraads bestuurder gevoerde verweer wordt aanvaard ook de vordering tegen de eerstegraads bestuurder niet kan worden toegewezen.