Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.5.2.2
6.5.2.2 Externe wetssystematische tekorten
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS358584:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5.1 lid 1 en 2 ontwerp Wnb. De regering onderbouwt niet waarom wordt afgeweken van de algemene beslistermijn van 8 weken in art. 4:13 Awb en de beslistermijnen van 8 respectievelijk 26 weken die de Wabo kent voor de omgevingsvergunning. Die laatste termijn geldt ook in geval van aanhaken van de Nb-wetvergunning of de Ffw-ontheffing (par. 4.2).
In dit artikel is bepaald dat de LSP niet van toepassing is op een aanvraag om ontheffing van de handelsverboden in art. 3.2 en 3.6 en op een aanvraag om vergunning voor een project dat significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied. De in art. 5.2 genoemde artikelen zijn gesteld ter uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen. De Vogel- en Habitatrichtlijn verzetten zich tegen het toepassen van de LSP op deze vergunningstelsels, omdat de toets of geen afbreuk wordt gedaan aan natuurwaarden vooraf moet worden gedaan. Deze bepaling is in lijn met art. 75f van de Flora- en faunawet en art. 40 van de Natuurbeschermingswet 1998 (Ontwerp Wnb, concept-MvT p. 235).
Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt, (PbEU 2006 L 276/36).
Zie par. 3.4.4.1.
Art. 1a lid 1 onder 1
Algemene wet bestuursrecht
Het subwetssysteem van hoofdstuk 5 ontwerp Wnb Vergunningen, ontheffingen en verplichtingen bepaalt onder meer dat op een aanvraag om een bij of krachtens het ontwerp Wnb vereiste vergunning of ontheffing binnen 13 weken na datum van ontvangst moet zijn beslist. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met 7 weken verlengen.1Artikel 5.2 ontwerp Wnb bevat een uitzondering op de zogeheten lex silencio positivo (LSP).2 De Dienstenrichtlijn3 bepaalt dat een vergunning automatisch wordt verleend tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze bepaling is uitgewerkt in paragraaf 4.1.3.3 Awb. Artikel 4:20a lid 1 Awb bepaalt dat paragraaf 4.1.3.3 Awb van toepassing is indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Artikel 4:20b lid 1 Awb bepaalt dat indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven.
Een groot aantal regels inzake de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een bij of krachtens het ontwerp Wnb vereiste vergunning of ontheffing staat niet in het ontwerp, maar in de Awb. Dat betekent dat sprake is van handhaving van een reeds bestaand extern wetssystematisch tekort4in het ontwerp. Dat betekent dat de gebruiker van het ontwerp, die wil weten wat rechtens is ten aanzien van de totstandkoming van de beschikking op een aanvraag de wetssystemen van het ontwerp en van de Awb zal moeten raadplegen.
Economische delicten
Een ander extern wetssystematisch tekort betreft het feit dat de regels inzake strafbedreiging bij overtreding van bepalingen die thans in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet staan en zullen worden gebundeld in het wetssysteem van het ontwerp Natuurbeschermingswet, is geregeld in het wetssysteem van de Wet op de economische delicten. Dit extern wetssystematisch tekort is evenwel niet veroorzaakt door de herschikking. De strafbedreiging van overtreding van bepalingen in de drie genoemde wetten vindt op dit moment al plaats in de Wet op de economische delicten.5