Rov. 3.1-3.11 van het bestreden arrest.
HR, 28-10-2016, nr. 15/04482
ECLI:NL:HR:2016:2445
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-10-2016
- Zaaknummer
15/04482
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2445, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑10‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:557, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:557, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑06‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2445, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑11‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑09‑2015
- Vindplaatsen
NJ 2017/323 met annotatie van J. Legemaate
AR 2016/3113
GJ 2017/12
GZR-Updates.nl 2016-0416
GJ 2017/12
Uitspraak 28‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Vraag of coöperatie van huisartsen gehouden is huisarts aan wie voorwaardelijke tuchtmaatregel is opgelegd toe te laten tot waarnemingsdiensten. Contractsvrijheid, beoordelingsruimte, verantwoordelijkheid voor patiëntenzorg. Belangenafweging, motiveringsklachten.
Partij(en)
28 oktober 2016
Eerste Kamer
15/04482
AS/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
COÖPERATIEVE HUISARTSENDIENST TWENTE-OOST U.A.,gevestigd te Enschede,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[verweerder] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HDT-Oost en [verweerder] .
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/08/157691 / KG ZA 14-221 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel van 11 juli 2014;
b. het arrest in de zaak 200.154.833 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft HDT-Oost beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor HDT-Oost mede door mr. J.M. Moorman en voor [verweerder] mede door mr. P.J. Tanja.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 7 juli 2016 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) HDT-Oost is een huisartsendienstenstructuur, die zorg verleent in de avond, de nacht en het weekend.
(ii) HDT-Oost is een coöperatie, waarvan lid kunnen worden huisartsen, praktijk-besloten vennootschappen en personenvennootschappen. Een vennootschap kan zich binnen HDT-Oost slechts laten vertegenwoordigen door een huisarts.
(iii) [verweerder] is sinds 1987 huisarts. Vanaf juni 2010 is hij krachtens overeenkomst van opdracht als huisarts werkzaam voor het Medisch Centrum Campus Universiteit Twente B.V. (hierna: MCCUT), een huisartsenpraktijk voor studenten te Enschede. De bestuurder en enig aandeelhouder van MCCUT is Studenten Gezondheidsdienst Nederland B.V., waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) bestuurder en enig aandeelhouder is. [betrokkene 1] is zelf geen huisarts.
(iv) Ingevolge art. 1.11 van de hiervoor onder (iii) bedoelde overeenkomst van opdracht is [verweerder] gehouden deel te nemen aan de avond-, nacht- en weekenddiensten (verder te noemen: ANW-diensten) en aan achterwachtdiensten, zoals deze gebruikelijk zijn in de huisartsendienstenstructuur. De verplichting ANW-diensten te verrichten geldt voor [verweerder] tevens op grond van het Besluit huisartsgeneeskunde teneinde voor herregistratie als huisarts (in het zogenoemde BIG-register) in aanmerking te komen.
( v) [verweerder] heeft vanaf oktober 2009 aan MCCUT toegewezen ANW-diensten verricht op de huisartsenpost Enschede.
(vi) In januari 2013 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) doorhaling bevolen van de inschrijving van [verweerder] als huisarts in het BIG-register. [verweerder] is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.
(vii) Na de uitspraak van het RTG heeft HDT-Oost zich op het standpunt gesteld dat [verweerder] niet langer ANW-diensten mag doen op de huisartsenpost.
(viii)Op 19 december 2013 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) de beslissing van het RTG vernietigd en aan [verweerder] , gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt, de door het College passend en geboden geachte zware maatregel van een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden opgelegd, waarbij als voorwaarde, kort gezegd, werd gesteld dat [verweerder] zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder psychotherapeutische behandeling blijft stellen.
(ix) In verband met de vernietiging van de beslissing van het RTG heeft het CTG onder meer als volgt overwogen:
“Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de huisarts in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zijn houding zodanig kan bijstellen dat het niet onverantwoord is hem zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten. (...) Het Centraal Tuchtcollege is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de huisarts verbetering heeft laten zien in zijn functioneren en de kans dient te krijgen de ingeslagen weg voort te zetten.”
( x) [verweerder] heeft HDT-Oost na de uitspraak van het CTG gevraagd om wederom te worden toegelaten als waarnemend huisarts voor het verrichten van ANW-diensten.
(xi) HDT-Oost heeft dat verzoek afgewezen bij brief van 24 december 2013 met de volgende motivering:
“Ofschoon [verweerder] door het Centraal Tuchtcollege kennelijk als ‘leerbaar’ wordt gezien, betekent dat niet dat de patiënten van de aangesloten leden niet aan een zeker risico worden blootgesteld. Een psychotherapeutische behandeling in hoge frequentie wordt immers nog steeds als noodzakelijk gezien, evenals rechtstreeks contact met therapeut(en) en periodieke verslaglegging.
Gezien het bovenstaande acht [HDT-Oost] het onverkort niet verantwoord dat [verweerder] waarneemt voor de aangesloten leden en zal hem daarom niet als waarnemer accepteren.”
(xii) HDT-Oost heeft vervolgens een ‘Regeling acceptatie waarnemers-HDT-Oost’ van 16 juni 2014 vastgesteld die, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
“3. Acceptatie
3.1.
HDT-Oost accepteert een waarnemer uitsluitend ter registratie indien en voor zover hij voldoet en blijft voldoen aan de volgende eisen:
(…)
g) de waarnemer heeft in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het moment van aanmelding bij HDT-Oost (...) geen tuchtrechtelijke maatregelen die in het BIG-register zijn opgenomen gehad”.
3.2.1
[verweerder] heeft in dit kort geding – na wijziging van eis – primair gevorderd dat HDT-Oost hem accepteert als extern waarnemer, en subsidiair dat zij hem accepteert als waarnemer voor de aan MCCUT toebedeelde ANW-diensten.
3.2.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [verweerder] afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en heeft HDT-Oost veroordeeld om [verweerder] te accepteren als extern waarnemer. Aan dit oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd:
“4.11 (…) Het hof gaat voorshands uit van de door HDT-Oost niet bestreden, door [verweerder] omschreven unieke positie van HDT-Oost op het gebied van waarneming van huisartsenzorg in het gebied Twente-Oost. Voorts acht het hof de belangen van [verweerder] , werkzaam en woonachtig in dat gebied, bij toelating tot de betreffende faciliteit als essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts voorshands voldoende aannemelijk. HDT-Oost heeft weliswaar naar voren gebracht dat [verweerder] in heel Nederland zou kunnen waarnemen, maar haar onderbouwing ter zake is van theoretische aard en in zoverre niet als voldoende te beschouwen. [verweerder] heeft er immers belang bij de onderhavige werkzaamheden, mede gelet op zijn woonplaats te [woonplaats] , uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie en derhalve in het adherentiegebied van HDT-Oost.
4.12
Onder die omstandigheden was HDT-Oost, anders dan zij veronderstelt, rechtens niet volledig vrij in haar keuze in verband met de registratie van huisartsen (niet-zijnde praktijkhouder), maar diende zij de belangen van [verweerder] in haar afweging ter zake te betrekken. Bij die afweging zal haar verantwoordelijkheid in de zin van de Kwaliteitswet zwaar mogen wegen, maar juist in dat verband is aan het oordeel van het CTG groot gewicht toe te kennen. (…) Door haar afwijzende beslissing belemmert het HDT-Oost [verweerder] minst genomen in belangrijke mate in de door het CTG bedoelde voortzetting van zijn werkzaamheden en in zijn kansen de ingeslagen weg van verbetering in zijn functioneren voort te zetten. Niet alleen de voor herregistratie optredende problematiek maar ook het in professioneel opzicht mogelijk te ondervinden isolement, spelen daarbij, naast de overige door [verweerder] genoemde nadelen een rol.
4.13
In haar afweging had HDT-Oost bovendien in het voordeel van [verweerder] dienen te laten meewegen het feit dat [verweerder] van 2009 tot in januari 2013 (ten tijde van de – nadien vernietigde – beslissing van het RTG) als waarnemer bij HDT-Oost heeft gefunctioneerd en sedert 2011, naar [verweerder] onbestreden heeft aangevoerd, van klachten over zijn functioneren geen sprake meer is geweest. Het CTG heeft dit ook bij haar oordeel in aanmerking genomen.
Onder die omstandigheden vormt haar verantwoordelijkheid op grond van de Kwaliteitswet voor een veilige en verantwoorde zorg, mede gelet op de expliciete overweging van het CTG dat het niet onverantwoord is [verweerder] zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten, alsmede dat hij een kans dient te krijgen de ingeslagen weg van verbetering in zijn functioneren voort te zetten, onvoldoende rechtvaardiging voor handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] als waarnemer en had HDT-Oost de weegschaal naar het voorlopig oordeel van het hof ten gunste van [verweerder] moeten laten doorslaan.
(…)
4.14
Daar komt nog het volgende bij.
[verweerder] heeft onbestreden aangevoerd, dat HDT-Oost een collega-huisarts, genaamd [betrokkene 2] , aan wie het CTG eenzelfde maatregel oplegde als aan [verweerder] , wél als waarnemer heeft toegelaten en aldus tevens heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. HDT-Oost heeft zich daartegenover met name beroepen op het verschil in positie tussen [verweerder] en [betrokkene 2] . Laatstgenoemde is, zo voert HDT-Oost aan, anders dan [verweerder] , zelf praktijkhouder. Een huisartsenpraktijk in de regio van HDT-Oost is voor zijn praktijkuitoefening in verband met de verplichte continuïteit van zorg voor de praktijkuitoefening op HDT-Oost aangewezen. Ook MCCUT is als zodanig toegelaten. HDT-Oost maakt aldus onderscheid tussen het belang van continuïteit van zorg enerzijds, en het belang van waarneming in verband met herregistratie anderzijds, dit naar zij aanvoert in het bijzonder ook in verband met haar verplichtingen volgens de Mededingingswet.
Deze overweging van HDT-Oost, wat daarvan zij, laat zich niet rijmen met haar beroep op de kwaliteit van zorg, door haar aan de handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] ten grondslag gelegd. Zij heeft immers niet gesteld dat de door het CTG aan [verweerder] onderscheidenlijk [betrokkene 2] opgelegde maatregelen niet gelijk zouden zijn en derhalve niet onderbouwd waarom [verweerder] wel en [betrokkene 2] geen risico voor verantwoorde zorg zou vormen. Op de precieze details van de klacht jegens [betrokkene 2] heeft HDT-Oost uit privacyoverwegingen van [betrokkene 2] niet willen ingaan, zodat ook daaruit voor het verschil in behandeling tussen [verweerder] en [betrokkene 2] voor dit geding geen rechtvaardiging kan worden ontleend.
4.15
In zoverre HDT-Oost zich ten slotte ter rechtvaardiging van haar beslissing heeft beroepen op de ‘Regeling acceptatie waarnemers’ leidt deze het hof niet tot een ander oordeel.
Deze Regeling dateert, zo staat als onbestreden vast, van na het verzoek van [verweerder] om heracceptatie. De stelling van HDT-Oost dat het een codificatie is van datgene wat reeds gold heeft [verweerder] als ‘opportunistisch’ van de hand gewezen. Hij heeft het hof verzocht die Regeling (mede) daarom buiten beschouwing te laten. Bovendien heeft [verweerder] zich (ook) in verband met deze Regeling, mede gelet op de unieke positie van HDT-Oost in de regio niet ten onrechte, beroepen op de belangen van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie. Aan die belangen wordt met die Regeling, gelet op het feit dat [verweerder] geen en [betrokkene 2] wel ANW-diensten op de huisartsenpost mag doen, terwijl de door het CTG aan ieder van hen opgelegde maatregel onbetwist gelijk is, zonder toereikende, althans transparante en op de kwaliteit geënte motivering, onvoldoende tegemoet gekomen.
4.16
Al met al is de weigering van HDT-Oost [verweerder] als extern waarnemer te accepteren onder de omstandigheden van het onderhavig geval naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens [verweerder] wegens strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Of HDT-Oost daardoor mede in strijd handelt met de Mededingingswet kan derhalve bij gebrek aan belang in het midden blijven. (…)”
3.3
Onderdeel 3.1 van het middel klaagt terecht dat het hof de aan HDT-Oost toekomende beoordelingsruimte heeft miskend door te onderzoeken of HDT-Oost bij de beslissing om [verweerder] al dan niet als waarnemer te registeren, een juiste belangenafweging heeft gemaakt. In het bijzonder heeft het hof eraan voorbijgezien dat het HDT-Oost in beginsel vrijstond de belangen van de aan haar zorg toevertrouwde patiënten de doorslag te laten geven bij haar beslissing om [verweerder] al dan niet als waarnemer te accepteren.
3.4.1
Het hof is ten aanzien van de belangenafweging bovendien uitgegaan van een onjuist uitgangspunt.De voorzieningenrechter heeft aan zijn oordeel mede ten grondslag gelegd dat HDT-Oost beschikt over drie locaties, te weten de huisartsenposten Enschede, Oldenzaal en Hengelo. HDT-Oost heeft in haar memorie van antwoord § 3.1 echter gesteld dat zij acute huisartsenzorg verleent vanuit twee huisartsenposten, in Enschede en Oldenzaal, en dat de zorgverlening aan patiënten die elders in Overijssel wonen, plaatsvindt vanuit huisartsenposten die niet behoren tot HDT-Oost. Onderdeel 1.1 klaagt terecht dat het hof deze stelling niet heeft beoordeeld en de door de voorzieningenrechter gedane vaststelling ten onrechte als onbestreden heeft aangemerkt.
3.4.2
Het slagen van onderdeel 1.1 treft, zoals de onderdelen 3.2, 4 en 6.1 aanvoeren, het uitgangspunt van het hof in rov. 4.11 dat HDT-Oost op het gebied van de waarneming van huisartsenzorg in het gebied Twente-Oost een unieke positie heeft. Daardoor kan ook niet in stand blijven het in ieder geval mede op die veronderstelde unieke positie berustende oordeel van het hof dat juist HDT-Oost rekening moet houden met de belangen die [verweerder] heeft om in de regio Twente-Oost te kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat toelating als waarnemer bij HDT-Oost voor [verweerder] essentieel is voor het behoud van zijn registratie als huisarts. Onderdeel 6.2 voert immers terecht aan dat de woonplaats van [verweerder] dichter ligt bij de huisartsenpost Hengelo, die niet tot het verzorgingsgebied van HDT-Oost behoort, dan bij de huisartsenposten van HDT-Oost.Deze klacht bouwt aldus voort op onderdeel 1.1 en slaagt op de genoemde grond.
3.5
De onderdelen 5 en 7 klagen dat het hof in rov. 4.13 met zijn oordeel dat HDT-Oost in verband met de uitspraak van het CTG “onvoldoende rechtvaardiging” heeft voor handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] als waarnemer en dat zij “de weegschaal (...) ten gunste van [verweerder] [had] moeten laten doorslaan”, de eigen verantwoordelijkheid van HDT-Oost voor de kwaliteit van de patiëntenzorg heeft miskend. Ook deze klacht, die deels voortbouwt op de hiervoor gegrond bevonden klacht van onderdeel 3.1, slaagt. HDT-Oost had op grond van de (destijds geldende) Kwaliteitswet zorginstellingen een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de wijze waarop zij de zorgverlening in haar werkgebied organiseerde. Zij mocht daarom in beginsel zelf bepalen welke betekenis de tuchtrechtelijk gegrond bevonden klacht had voor haar bereidheid om [verweerder] (weer) als waarnemer in te schakelen. Dat het CTG van oordeel was dat [verweerder] nog een kans moest krijgen als arts werkzaam te zijn, betekent niet dat HDT-Oost hem de kans moest bieden ANW-diensten te verrichten.
3.6
Onderdeel 6.3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat HDT-Oost onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerder] in heel Nederland zou kunnen waarnemen, omdat haar onderbouwing van theoretische aard is. Het onderdeel wijst erop dat HDT-Oost in appel heeft aangevoerd: i) dat [verweerder] geen eigen patiënten heeft en vanuit zijn woonplaats op specifiek genoemde plaatsen in de regio waarnemingen kan doen en ii) dat waarnemers in de praktijk ook buiten hun eigen regio werkzaam zijn, dat HDT-Oost waarnemers heeft uit de regio Amsterdam en dat [verweerder] ook werkzaam is in Utrecht. Ook deze klacht slaagt. Het oordeel van het hof dat HDT-Oost onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerder] voor de mogelijkheid tot waarneming niet gebonden is aan het gebied van HDT-Oost, is in het licht van de genoemde stellingen van HDT-Oost zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Overigens verdient opmerking dat het hof niet mede in zijn oordeel heeft betrokken het standpunt van [verweerder] dat hij weliswaar geen praktijkeigenaar is, maar dat hij wel eigen patiënten heeft, en daardoor voor de waarneming op het werkgebied van HDT-Oost (in Enschede) is aangewezen. Deze stelling van [verweerder] kan zo nodig na verwijzing aan de orde komen.
3.7
In rov. 4.13 heeft het hof overwogen dat [verweerder] onbestreden heeft aangevoerd dat er sinds 2011 van klachten over zijn functioneren geen sprake meer is geweest. Onderdeel 6.5 betoogt terecht dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de negatieve ‘reviews’ over [verweerder] van na 2011 op de website ‘Zorgkaart Nederland’, waarop HDT-Oost zich heeft beroepen. Voor zover het hof zich heeft willen beperken tot bij een klachtencommissie indiende klachten, heeft het eraan voorbijgezien dat het voor de vraag hoe [verweerder] als huisarts functioneerde aankomt op alle relevante informatie, waartoe in beginsel ook informele klachtuitingen behoren. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom het deze informatie niet relevant achtte.
3.8
Onderdeel 8.3 voert terecht aan dat het hof zich bij zijn overwegingen over het gelijkheidsbeginsel in rov. 4.14 ten onrechte heeft beperkt tot de vergelijkbaarheid van de positie van [verweerder] en [betrokkene 2] wat betreft het risico voor verantwoorde zorg. Het hof heeft eraan voorbijgezien dat HDT-Oost ten aanzien van de vraag welk risico zij bereid was te nemen, in beginsel onderscheid mocht maken tussen haar leden/praktijkhouders, zoals [betrokkene 2] , en derden die geen praktijkhouder zijn en die geen lid zijn van HDT-Oost, zoals [verweerder] . Uit de overwegingen van het hof blijkt niet waarom HDT-Oost dat onderscheid in dit geval niet zou mogen maken.
3.9
De onderdelen 9.4 en 9.5 bouwen voort op de onderdelen 1.1, 6.1 en 8.3 en slagen op dezelfde gronden. Onderdeel 10 mist zelfstandige betekenis.
3.10
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2015;
verwijst het geding naar het gerechtshof’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HDT-Oost begroot op € 936,02 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 28 oktober 2016.
Conclusie 24‑06‑2016
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Vraag of coöperatie van huisartsen gehouden is huisarts aan wie voorwaardelijke tuchtmaatregel is opgelegd toe te laten tot waarnemingsdiensten. Contractsvrijheid, beoordelingsruimte, verantwoordelijkheid voor patiëntenzorg. Belangenafweging, motiveringsklachten.
Partij(en)
15/04482
mr. Keus
Zitting 24 juni 2016
Conclusie inzake:
de coöperatie Coöperatieve Huisartsendienst Twente-Oost U.A.
(hierna: HDT-Oost)
eiseres tot cassatie
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder])
verweerder in cassatie
advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes
Het gaat in deze zaak om de vraag of HDT-Oost heeft mogen weigeren [verweerder] als extern waarnemer voor avond-, nacht- en weekenddiensten (hierna: ANW-diensten) te accepteren.
1. Feiten1.en procesverloop
1.1
HDT-Oost is een huisartsendienstenstructuur, die zorg verleent in de avond, de nacht en het weekend.
1.2
HDT-Oost is een coöperatieve vereniging, waarvan lid kunnen worden huisartsen, praktijk-besloten vennootschappen en personenvennootschappen. Een vennootschap kan zich binnen HDT-Oost slechts laten vertegenwoordigen door een huisarts.
1.3
[verweerder] is sinds 1987 huisarts. Vanaf 1 juni 2010 is hij krachtens overeenkomst van opdracht als huisarts werkzaam voor het Medisch Centrum Campus Universiteit Twente B.V (hierna: MCCUT), een huisartsenpraktijk voor studenten te Enschede (hierna: de huisartsenpraktijk). De bestuurder en enig aandeelhouder van MCCUT is Studenten Gezondheidsdienst Nederland B.V., waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) bestuurder en enig aandeelhouder is. [betrokkene 1] is zelf geen huisarts. [verweerder] heeft vanaf oktober 2009 aan de huisartsenpraktijk toegewezen ANW-diensten verricht op de huisartsenpost Enschede.
1.4
Ingevolge art. 1.11 van de onder 1.3 bedoelde overeenkomst van opdracht is [verweerder] gehouden deel te nemen aan de ANW-diensten en achterwachtdiensten, zoals deze gebruikelijk zijn in de huisartsendienstenstructuur. De verplichting ANW-diensten te verrichten geldt voor [verweerder] tevens op grond van het Besluit huisartsgeneeskunde teneinde voor herregistratie als huisarts (in het zogenoemde BIG-register) in aanmerking te komen.
1.5
Op 10 januari 2013 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: RTG) doorhaling bevolen van de inschrijving van [verweerder] als huisarts in het BIG-register. [verweerder] is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.
1.6
Na deze uitspraak van het RTG heeft HDT-Oost zich op het standpunt gesteld dat [verweerder] niet langer ANW-diensten mag doen op de huisartsenpost.
1.7
Op 19 december 2013 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) de beslissing van het RTG vernietigd en aan [verweerder], gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt, de door het College passend en geboden geachte zware maatregel van een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden opgelegd, waarbij als voorwaarde, kort gezegd, werd gesteld dat [verweerder] zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder psychotherapeutische behandeling blijft stellen. In verband met de vernietiging van de beslissing van het RTG heeft het CTG onder meer als volgt overwogen:
“Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de huisarts in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zijn houding zodanig kan bijstellen dat het niet onverantwoord is hem zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten. (…) Het Centraal Tuchtcollege is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de huisarts verbetering heeft laten zien in zijn functioneren en de kans dient te krijgen de ingeslagen weg voort te zetten.”
1.8
[verweerder] heeft HDT-Oost daarop gevraagd om wederom te worden toegelaten als waarnemend huisarts voor het verrichten van ANW-diensten.
1.9
HDT-Oost heeft dat verzoek afgewezen bij brief van 24 december 2013 met de volgende motivering:
“Ofschoon [verweerder] door het Centraal Tuchtcollege kennelijk als ‘leerbaar’ wordt gezien, betekent dat niet dat de patiënten van de aangesloten leden niet aan een zeker risico worden blootgesteld. Een psychotherapeutische behandeling in hoge frequentie wordt immers nog steeds als noodzakelijk gezien, evenals rechtstreeks contact met therapeut(en) en periodieke verslaglegging.
Gezien het bovenstaande acht de Huisartsendienst het onverkort niet verantwoord dat [verweerder] waarneemt voor de aangesloten leden en zal hem daarom niet als waarnemer accepteren.”
1.10
HDT-Oost heeft vervolgens een Regeling acceptatie waarnemers - HDT-Oost d.d. 16 juni 2014 vastgesteld die, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
“3. Acceptatie
3.1
HDT-Oost accepteert een waarnemer uitsluitend ter registratie indien en voor zover hij voldoet en blijft voldoen aan de volgende eisen:
(…)
g) de waarnemer heeft in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het moment van aanmelding bij HDT-Oost (…) geen tuchtrechtelijke maatregelen, die in het BIG-register zijn opgenomen gehad.”
1.11
Bij exploot van 19 juni 2014 heeft [verweerder] HDT-Oost voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo) gedagvaard en heeft hij - na wijziging van eis - primair gevorderd dat HDT-Oost wordt gelast hem binnen twee weken na het te wijzen vonnis te accepteren als extern waarnemer, subsidiair als waarnemer voor de aan MCCUT toebedeelde ANW-diensten, steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van HDT-Oost in de proceskosten. Aan zijn vorderingen heeft [verweerder] zowel schending van de art. 24 en 6 Mededingingswet als onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW ten grondslag gelegd. Op 1 juli 2014 is de zaak ter zitting behandeld, bij welke gelegenheid HDT-Oost gemotiveerd verweer heeft gevoerd.
1.12
Bij vonnis van 11 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [verweerder] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de door [verweerder] beoogde toelating als een wederkerige overeenkomst gekwalificeerd, waarbij enerzijds HDT-Oost [verweerder] in de gelegenheid stelt en anderzijds [verweerder] zich bereid verklaart om gedurende ANW-uren beschikbaar te zijn voor het verrichten van werkzaamheden als waarnemend huisarts op een of meer huisartsenposten van HDT-Oost (rov. 5.2). Volgens de voorzieningenrechter is HDT-Oost niet verplicht om een dergelijke overeenkomst met [verweerder] te sluiten. De contractsvrijheid die HDT-Oost heeft, wordt met betrekking [verweerder] niet opgeheven door de omstandigheid dat het CTG de beslissing van het RTG heeft vernietigd (rov. 5.4). Volgens de voorzieningenrechter valt wel van HDT-Oost te vergen dat zij een weigering om een in het BIG-register ingeschreven huisarts toe te laten met voldoende zwaarwegende redenen motiveert (rov. 5.6). Dit laatste heeft HDT-Oost volgens de voorzieningenrechter gedaan met de brief van 24 december 2013 waarin HDT-Oost op grond van de uitspraak van het CTG heeft geconstateerd dat toelating van [verweerder] als waarnemer patiënten aan risico’s kan blootstellen (rov. 5.7, zie voor die brief hiervóór onder 1.9). Het beroep van [verweerder] op art. 6 Mededingingswet gaat volgens de voorzieningenrechter voorts niet op, nu HDT-Oost zich feitelijk niet als een onderneming, noch als een ondernemersvereniging gedraagt, maar toelating van [verweerder] als waarnemer heeft geweigerd op grond van de voor haar uit de Kwaliteitswet zorginstellingen voortvloeiende verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de door haar als zorgaanbieder beschikbaar gestelde patiëntenzorg. De door HDT-Oost toegepaste norm (kort gezegd: geen toelating als waarnemer bij een relevant tuchtrechtelijk verleden) is een objectief kwaliteitsinstrument en heeft niet (mede) als doel, noch als feitelijk effect, concurrentiebeperking of -vervalsing tussen ondernemingen, aldus de voorzieningenrechter (rov. 5.10).
1.13
Bij exploot van 5 augustus 2014 is [verweerder] bij het hof Arnhem-Leeuwarden van het vonnis van de voorzieningenrechter van 11 juli 2014 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [verweerder] zeven grieven aangevoerd. HDT-Oost heeft die grieven bij memorie van antwoord bestreden. Partijen hebben vervolgens op 25 juni 2015 hun standpunten mondeling toegelicht.
1.14
Bij arrest van 28 juli 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, HDT-Oost alsnog bevolen om [verweerder] binnen twee weken na de datum van het arrest in kort geding te accepteren als extern waarnemer, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van HDT-Oost in de kosten van beide instanties. Het hof heeft daartoe - voor zover in cassatie nog van belang - het volgende overwogen:
“De vaststaande feiten
(…)
3.2
HDT-Oost is een huisartsendienstenstructuur, die zorg verleent in de avond, nacht en in het weekend. HDT-Oost heeft drie locaties van waaruit deze zorg plaatsvindt, te weten de huisartsenpost Enschede, de huisartsenpost Oldenzaal en de huisartsenpost Hengelo.
3.3
HDT-Oost is een coöperatieve vereniging, waarvan lid kunnen worden huisartsen, praktijk-besloten vennootschappen en personenvennootschappen. Een vennootschap kan zich binnen HDT-Oost slechts laten vertegenwoordigen door een huisarts.
(…)
De motivering van de beslissing in hoger beroep
(…)
4.6
[verweerder] heeft zich onbetwist beroepen op de unieke positie van HDT-Oost in het gebied Twente-Oost, van waaruit zij op drie locaties de zorg gedurende avonden, nachten en weekenden door middel van een waarneemregeling organiseert: de huisartsenpost Enschede, de huisartsenpost Oldenzaal en de huisartsenpost Hengelo. Aannemelijk is dat de door [verweerder] behandelde patiënten zijn ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van MCCUT te Enschede en daar of in de nabije omgeving woonachtig zijn. Zij zijn daarom voor huisartsenzorg gedurende de avonden, nachten en weekenden aangewezen op de huisartsenpost Enschede, onderdeel van HDT-Oost.
(…)
4.11
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof gaat voorshands uit van de door HDT-Oost niet bestreden, door [verweerder] omschreven unieke positie van HDT-Oost op het gebied van waarneming van huisartsenzorg in het gebied Twente-Oost. Voorts acht het hof de belangen van [verweerder], werkzaam en woonachtig in dat gebied, bij toelating tot de betreffende faciliteit als essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts voorshands voldoende aannemelijk. HDT-Oost heeft weliswaar naar voren gebracht dat [verweerder] in heel Nederland zou kunnen waarnemen, maar haar onderbouwing ter zake is van theoretische aard en in zoverre niet als voldoende te beschouwen. [verweerder] heeft er immers belang bij de onderhavige werkzaamheden, mede gelet op zijn woonplaats te [woonplaats], uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie en derhalve in het adherentiegebied van HDT-Oost.
4.12
Onder die omstandigheden was HDT-Oost, anders dan zij veronderstelt, rechtens niet volledig vrij in haar keuze in verband met de registratie van huisartsen (niet-zijnde praktijkhouder), maar diende zij de belangen van [verweerder] in haar afweging ter zake te betrekken. Bij die afweging zal haar verantwoordelijkheid in de zin van de Kwaliteitswet zwaar mogen wegen, maar juist in dat verband is aan het oordeel van het CTG groot gewicht toe te kennen. Dit College oordeelde immers, het zij herhaald, dat het
‘[a]nders dan het Regionaal Tuchtcollege […] van oordeel [is] dat de huisarts in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zijn houding zodanig kan bijstellen dat het niet onverantwoord is hem zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten. (…) Het Centraal Tuchtcollege is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de huisarts verbetering heeft laten zien in zijn functioneren en de kans dient te krijgen de ingeslagen weg voort te zetten.’
Door haar afwijzende beslissing belemmert het HDT-Oost [verweerder] minst genomen in belangrijke mate in de door het CTG bedoelde voortzetting van zijn werkzaamheden en in zijn kansen de ingeslagen weg van verbetering in zijn functioneren voort te zetten. Niet alleen de voor herregistratie optredende problematiek maar ook het in professioneel opzicht mogelijk te ondervinden isolement, spelen daarbij, naast de overige door [verweerder] genoemde nadelen een rol.
4.13
In haar afweging had HDT-Oost bovendien in het voordeel van [verweerder] dienen te laten meewegen het feit dat [verweerder] van 2009 tot in januari 2013 (ten tijde van de - nadien vernietigde - beslissing van het RTG) als waarnemer bij HDT-Oost heeft gefunctioneerd en sedert 2011, naar [verweerder] onbestreden heeft aangevoerd, van klachten over zijn functioneren geen sprake meer is geweest. Het CTG heeft dit ook bij haar oordeel in aanmerking genomen.
Onder die omstandigheden vormt haar verantwoordelijkheid op grond van de Kwaliteitswet voor een veilige en verantwoorde zorg, mede gelet op de expliciete overweging van het CTG dat het niet onverantwoord is [verweerder] zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten, alsmede dat hij een kans dient te krijgen de ingeslagen weg van verbetering in zijn functioneren voort te zetten, onvoldoende rechtvaardiging voor handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] als waarnemer en had HDT-Oost de weegschaal naar het voorlopig oordeel van het hof ten gunste van [verweerder] moeten laten doorslaan.
Dat [verweerder] de directeur van HDT-Oost rond de laatste jaarwisseling een whats-app stuurde als in de memorie van antwoord onder 4.8 aangehaald, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof sluit niet uit dat de onderhavige opstelling van HDT-Oost daaraan mede debet is, alsmede dat de inhoud van de whats-app aan verbittering van [verweerder] als gevolg daarvan is toe te schrijven. De enkele stelling van HDT-Oost dat huisartsen op de huisartsenpost niet met [verweerder] zouden willen samenwerken, leidt het hof evenmin tot een ander oordeel. Voor zover HDT-Oost al niet in staat is ook betrokkenen op te roepen tot medewerking aan de door het CTG voor [verweerder] gewenst geachte herkansing, zijn zij, zo heeft HDT-Oost ter gelegenheid van de pleidooien voor het hof toegelicht, in de gelegenheid voor een andere waarnemer dan [verweerder] te kiezen.
4.14
Daar komt nog het volgende bij.
[verweerder] heeft onbestreden aangevoerd, dat HDT-Oost een collega-huisarts, genaamd [betrokkene 2], aan wie het CTG eenzelfde maatregel oplegde als aan [verweerder], wél als waarnemer heeft toegelaten en aldus tevens heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
HDT-Oost heeft zich daartegenover met name beroepen op het verschil in positie tussen [verweerder] en [betrokkene 2]. Laatstgenoemde is, zo voert HDT-Oost aan, anders dan [verweerder], zelf praktijkhouder. Een huisartsenpraktijk in de regio van HDT-Oost is voor zijn praktijkuitoefening in verband met de verplichte continuïteit van zorg voor de praktijkuitoefening op HDT-Oost aangewezen. Ook MCCUT is als zodanig toegelaten. HDT-Oost maakt aldus onderscheid tussen het belang van continuïteit van zorg enerzijds en het belang van waarneming in verband met herregistratie anderzijds, dit naar zij aanvoert in het bijzonder ook in verband met haar verplichtingen volgens de Mededingingswet.
Deze overweging van HDT-Oost, wat daarvan zij, laat zich niet rijmen met haar beroep op de kwaliteit van zorg, door haar aan de handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] ten grondslag gelegd. Zij heeft immers niet gesteld dat de door het CTG aan [verweerder] onderscheidenlijk [betrokkene 2] opgelegde maatregelen niet gelijk zouden zijn en derhalve niet onderbouwd waarom [verweerder] wel en [betrokkene 2] geen risico voor verantwoorde zorg zou vormen. Op de precieze details van de klacht jegens [betrokkene 2] heeft HDT-Oost uit privacy-overwegingen van [betrokkene 2] niet willen ingaan, zodat ook daaruit voor het verschil in behandeling tussen [verweerder] en [betrokkene 2] voor dit geding geen rechtvaardiging kan worden ontleend.
4.15
In zoverre HDT-Oost zich ten slotte ter rechtvaardiging van haar beslissing heeft beroepen op de ‘Regeling acceptatie waarnemers’ leidt deze het hof niet tot een ander oordeel.
Deze Regeling dateert, zo staat als onbestreden vast, van na het verzoek van [verweerder] om her-acceptatie. De stelling van HDT-Oost dat het een codificatie is van datgene wat reeds gold heeft [verweerder] als ‘opportunistisch’ van de hand gewezen. Hij heeft het hof verzocht die Regeling (mede) daarom buiten beschouwing te laten. Bovendien heeft [verweerder] zich (ook) in verband met deze Regeling, mede gelet op de unieke positie van HDT-Oost in de regio niet ten onrechte, beroepen op de belangen van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie. Aan die belangen wordt met die Regeling, gelet op het feit dat [verweerder] geen en [betrokkene 2] wel ANW-diensten op de huisartsenpost mag doen, terwijl de door het CTG aan ieder van hen opgelegde maatregel onbetwist gelijk is, zonder toereikende, althans transparante en op de kwaliteit geënte motivering, onvoldoende tegemoet gekomen.
4.16
Al met al is de weigering van HDT-Oost [verweerder] als extern waarnemer te accepteren onder de omstandigheden van het onderhavige geval naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens [verweerder] wegens strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Of HDT-Oost daardoor mede in strijd handelt met de Mededingingswet kan derhalve bij gebrek aan belang in het midden blijven.
Nog afgezien van het feit dat een kort geding zich niet leent voor bewijslevering, heeft HDT-Oost ook geen bewijs aangeboden dat het hof, indien geleverd, tot een ander oordeel zou kunnen leiden.”
1.15
Bij exploot van 22 september 2015 heeft HDT-Oost (tijdig) beroep in cassatie tegen het arrest van het hof van 28 juli 2015 ingesteld. Op 25 november 2015 is een herstelexploot uitgebracht. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping, waarna partijen hun standpunten schriftelijk hebben toegelicht. HDT-Oost heeft daarna nog gerepliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
HDT-Oost heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat, naast een inleiding (“Kernklachten resp. enkele klachten in kort bestek”), tien onderdelen (1-10), welke onderdelen, op onderdeel 4 en onderdeel 10 na, in verschillende subonderdelen (1.1-1.5, 2.1-2.2.3, 3.1-3.2, 5.1-5.5, 6.1-6.6, 7.1-7.2, 8.1-8.3, 9.1-9.5) zijn onderverdeeld.
2.2
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof zijn taak als appelrechter en/of met name de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Het subonderdeel betoogt dat het hof aan het gegeven dat HDT-Oost niet (voorwaardelijk) incidenteel heeft geappelleerd en geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 2.1 van het vonnis van 11 juli 2014 dat HDT-Oost “drie” locaties zou hebben van waaruit de in deze rechtsoverweging vermelde zorg zou plaatsvinden en dat het bij deze locaties zou gaan om de huisartsenposten Enschede en Oldenzaal alsmede “de huisartsenpost Hengelo”, (klaarblijkelijk) de consequentie heeft verbonden dat, zoals het hof heeft geoordeeld in de rov. 3.2 en 4.6, in hoger beroep zou vaststaan dat ook de huisartsenpost Hengelo tot HDT-Oost zou behoren. Het subonderdeel vervolgt dat HDT-Oost bij het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter volledig in het gelijk is gesteld en geen enkele reden had om daartegen te appelleren. Voorts wijst het subonderdeel erop dat HDT-Oost in haar memorie van antwoord onder 3.1 heeft gesteld dat zij acute huisartsenzorg verleent vanuit twee huisartsenposten in Enschede en Oldenzaal. Die stelling laat zich volgens het subonderdeel niet anders verstaan dan dat HDT-Oost niet ook vanuit de huisartsenpost Hengelo zorg verleent. Het subonderdeel stelt dat het belangrijkste punt van de devolutieve werking ten gunste van geïntimeerde nu juist is dat deze slechts incidenteel behoeft te appelleren als hij het dictum van het vonnis van de eerste rechter gewijzigd wil zien.
Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.3 dat “huisartsen” lid kunnen worden van HDT-Oost eveneens de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, voor zover in dat oordeel ligt besloten dat huisartsen dit lidmaatschap kunnen verkrijgen zonder dat zij een eigen praktijk hebben en dat oordeel (mede) berust op het gegeven dat HDT-Oost niet (voorwaardelijk) incidenteel heeft geappelleerd en geen grief heeft gericht tegen het ongeclausuleerde oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 2.2 van het vonnis van 11 juli 2014 dat “huisartsen” lid zouden kunnen worden van de coöperatieve vereniging HDT-Oost. Het subonderdeel wijst in dit verband op stellingen van HDT-Oost in eerste aanleg, inhoudende dat huisartsen een eigen praktijk moeten hebben om lid te kunnen worden van HDT-Oost (pleitnotities in eerste aanleg, onder 2.21 en 3.7). Volgens het subonderdeel had het hof reeds gezien de positieve devolutieve werking niet het vonnis mogen vernietigen zonder eerst (in het kader van de tweede fase van het hoger beroep) alle stellingen en weren van HDT-Oost in de eerste aanleg die de voorzieningenrechter verworpen of onbehandeld heeft gelaten te beoordelen voor zover deze in elk geval door gegrondbevinding van een grief van appellant [verweerder] relevant werden. Zulks klemt volgens het subonderdeel temeer respectievelijk althans, omdat HDT-Oost ook in hoger beroep heeft gesteld dat voor toetreding van een huisarts als lid nodig is dat deze huisarts een eigen praktijk heeft (memorie van antwoord, onder 3.3 en 3.5).
Subonderdeel 1.3.1 voert aan dat het hof in rov. 4.15, waar het heeft geoordeeld dat de Regeling acceptatie waarnemers het hof niet tot een ander oordeel leidt, de negatieve devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, aangezien [verweerder] niet heeft gegriefd tegen de vaststelling van de rechtbank dat HDT-Oost onbetwist heeft gesteld dat een dergelijke regeling tegenwoordig landelijk gebruikelijk is (rov. 5.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter).
Subonderdeel 1.3.2 vervolgt dat het hof zijn taak als appelrechter in ieder geval heeft miskend door niet te responderen op de stelling van HDT-Oost dat een dergelijke regeling (de bij HDT-Oost ingevoerde Regeling acceptatie waarnemers) tegenwoordig landelijk gebruikelijk dan toch minst genomen niet ongebruikelijk is, respectievelijk deze stelling van HDT-Oost onbehandeld te laten.
Subonderdeel 1.4 voert aan dat indien en voor zover het hof met zijn beslissing in rov. 3.1 om “in hoger beroep (…) van de volgende feiten” uit te gaan heeft geoordeeld dat het in hoger beroep niet uitgaat van de feiten zoals deze ‘ongegriefd’ zijn vastgesteld in rov. 2 van het vonnis van de voorzieningenrechter, het hof de negatieve devolutieve werking heeft miskend. Hierbij gaat het volgens het subonderdeel met name om de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten die niet zijn vermeld in rov. 3 van het arrest a quo, te weten de in het vonnis van de voorzieningenrechter vastgestelde feiten (i) dat de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 tevens inhoudt (onderstreping toegevoegd): “Voorts wil het Centraal Tuchtcollege met deze maatregel tot uitdrukking brengen dat de huisarts een laatste kans wordt gegund.”; en (ii) dat deze uitspraak ook inhoudt (onderstreping toegevoegd): “Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal het Centraal Tuchtcollege publicatie van deze beslissing gelasten.”
Subonderdeel 1.5 betoogt dat hetgeen waarover onderdeel 1 klaagt, ook althans grotendeels de oordelen waarover de volgende onderdelen klagen, vitieërt.
2.3
De klacht van subonderdeel 1.1, die erop neerkomt dat het hof in de rov. 3.2 en 4.6 ten onrechte als vaststaand feit (rov. 3.2) respectievelijk als onbetwist (rov. 4.6: “[verweerder] heeft zich onbetwist beroepen op de unieke positie van HDT-Oost in het gebied Twente-Oost, van waaruit zij op drie locaties de zorg gedurende avonden, nachten en weekenden door middel van een waarneemregeling organiseert (…)”) heeft aangenomen dat HDT-Oost beschikt over drie locaties, te weten de huisartsenposten Enschede, Oldenzaal en Hengelo, slaagt. HDT-Oost heeft in de memorie van antwoord, onder 3.12., immers gesteld dat HDT-Oost acute huisartsenzorg verleent vanuit twee huisartsenposten in Enschede en Oldenzaal. Daaruit volgt dat HDT-Oost (anders dan de voorzieningenrechter heeft vastgesteld in rov. 2.1) géén acute huisartsenzorg verleent vanuit de huisartsenpost in Hengelo (hetgeen door [verweerder] in cassatie overigens wordt erkend3.). Door desondanks als vaststaand feit aan te nemen dat HDT-Oost vanuit drie huisartsenposten, waaronder de huisartsenpost Hengelo, zorg verleent, heeft het hof zijn taak als appelrechter miskend. Gelet op de grieven - waarmee werd beoogd het gehele geschil opnieuw aan het hof voor te leggen4.- en de devolutieve werking van het appel diende het hof de zaak volledig - feitelijk en juridisch - (voor een tweede keer) te behandelen5.. Het betoog van [verweerder] in de schriftelijke toelichting onder 11 dat HDT-Oost (incidenteel) had moeten grieven tegen de vaststelling van de voorzieningenrechter in rov. 2.1 dat HDT-Oost drie huisartsenposten heeft, waaronder één in Hengelo, miskent de devolutieve werking van het appel.
Anders dan [verweerder] in de schriftelijke toelichting onder 10 aanvoert, heeft HDT-Oost wel degelijk belang bij vaststelling van de juiste omvang van haar werkgebied. Het hof heeft zijn oordeel mede doen steunen op de omstandigheid dat HDT-Oost een “unieke positie op het gebied van waarneming van huisartsenzorg in het gebied Twente-Oost” inneemt en dat [verweerder], “werkzaam en woonachtig in dat gebied”, belang erbij heeft ANW-diensten, “mede gelet op zijn woonplaats te [woonplaats], uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie en derhalve in het adherentiegebied van HDT-Oost” (rov. 4.11). Voor zover de onjuiste vaststelling door het hof van het werkgebied van HDT-Oost al geen consequenties heeft voor de door het hof aan HDT-Oost toegedachte “unieke positie” in het gebied Twente-Oost, berust in elk geval het kennelijke oordeel van het hof in rov. 4.11 dat [verweerder] woonachtig is in het adherentiegebied van HDT-Oost (“werkzaam en woonachtig in dat gebied”), althans (gelet op de ligging van [woonplaats] ten opzichte van Hengelo) in de onmiddellijke nabijheid van dat gebied, op een misvatting. De woonplaats van [verweerder], [woonplaats] (gelegen in de gemeente Wierden; tussen Almelo en Goor), ligt namelijk niet in het werkgebied van HDT-Oost6., evenmin als Hengelo.
Voor de goede orde merk ik nog op dat de stelling in de schriftelijke toelichting zijdens [verweerder] onder 4 (en in voetnoot 5) dat de directrice van HDT-Oost tevens directrice is bij de huisartsenpost Hengelo een ontoelaatbaar novum in cassatie vormt.
2.4
De klacht van subonderdeel 1.2 berust op een onjuiste lezing van het arrest en faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, kan immers (mede gelet op rov. 4.10, eerste zin, en rov. 4.12, eerste zin) niet in rov. 3.3 worden gelezen dat het hof in deze rechtsoverweging als vaststaand feit heeft aangenomen dat ook huisartsen - niet zijnde praktijkhouder - het lidmaatschap van HDT-Oost kunnen verkrijgen.
2.5
Subonderdeel 1.3 faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. [verweerder] heeft immers wel degelijk gegriefd tegen het (kennelijke) oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 5.8 dat de regeling van HDT-Oost voor de toelating van waarnemers tegenwoordig landelijk gebruikelijk is7.. Overigens mocht het hof, anders dan subonderdeel 1.3.2 betoogt, de stelling van HDT-Oost dat de betreffende regeling landelijk gebruikelijk is, onbesproken laten, nu deze stelling blijkens rov. 4.15 in de benadering van het hof niet essentieel is. Daarbij komt dat de onderhavige procedure een kort geding betreft, zodat aan de uitspraak minder strenge motiveringseisen worden gesteld8..
2.6
Ook subonderdeel 1.4 mist feitelijke grondslag. In rov. 3.1 kan (mede gelet op rov. 4.12 en 4.13) immers niet worden gelezen dat het hof geen acht heeft geslagen op de volledige beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 19 december 2013. De klacht faalt derhalve.
2.7
Subonderdeel 1.5 maakt niet duidelijk tegen welke oordelen van het hof het precies is gericht. Dat neemt uiteraard niet weg dat slagende klachten van onderdeel 1 in voorkomend geval ook de op de daarmee bestreden oordelen voortbouwende beslissingen aantasten.
2.8
Subonderdeel 2.1 is gericht tegen het voorlopige oordeel in rov. 4.16 dat al met al de weigering van HDT-Oost om [verweerder] als extern waarnemer te accepteren onder de omstandigheden van het onderhavige geval wegens strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, jegens [verweerder] onrechtmatig is. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat HDT-Oost slechts onrechtmatig handelt, indien zij met deze weigering misbruik van bevoegdheid maakt (art. 3:13 BW); dit bijvoorbeeld doordat HDT-Oost tot deze weigering zou komen met geen ander doel dan [verweerder] te schaden of naar redelijkheid niet tot deze weigering had kunnen komen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van HDT-Oost die er zou zijn bij deze weigering en het belang (van [verweerder]) dat daardoor zou worden geschaad. Het subonderdeel wijst erop dat immers in het algemeen een persoon - natuurlijk persoon of rechtspersoon - althans in beginsel, om hem moverende redenen ervoor mag kiezen een aan hem gedaan verzoek van een andere persoon dat ertoe strekt dat aan deze een gunst wordt verleend niet in te willigen of om zelfs überhaupt niet op een dergelijk verzoek te reageren. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet alleen dit miskend, doch tevens, huiselijk gezegd, dat het niet op de stoel mag gaan zitten van een geneesheer die nu juist structureel acute zorg verleent, respectievelijk van een organisatie als HDT-Oost, die als private rechtspersoon (dus: coöperatie) deze zorg verleent als huisartsendienstenstructuur vanuit Enschede en Oldenzaal, vanuit een huisartsenpost in deze beide gemeenten, en die de verantwoordelijkheid heeft in de zin van de Kwaliteitswet. Het hof heeft volgens het subonderdeel met name miskend dat het de maatstaf van misbruik van bevoegdheid moet hanteren ter beantwoording van de vraag of HDT-Oost is gehouden [verweerder] als extern waarnemer te accepteren, nu [verweerder] überhaupt geen eigen praktijk heeft (dus: huisarts is die - kort gezegd - “slechts” werknemer of opdrachtnemer is van een andere huisarts die, anders dan [verweerder], wél een eigen praktijk heeft, die, wederom anders dan [verweerder], een geneeskundige behandelingsovereenkomst is aangegaan met de bij deze praktijk ingeschreven patiënten, en die, eveneens anders dan [verweerder], ervoor moet zorgen dat er voor deze patiënten ’s avonds, ’s nachts en in het weekend acute zorgverlening is), laat staan een eigen praktijk heeft in het adherentiegebied van HDT-Oost.
Subonderdeel 2.2 betoogt (en licht dat onder 2.2.1 - 2.2.3 nader toe) dat, indien en voor zover het hof de maatstaf van misbruik van bevoegdheid wel zou hebben toegepast (respectievelijk zou hebben beoogd om deze maatstaf toe te passen), het hof deze maatstaf verkeerd heeft toegepast en/of deze toepassing ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.9
[verweerder] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat HDT-Oost zowel onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW als in strijd met de Mededingingswet heeft gehandeld door te weigeren hem als extern waarnemer te accepteren (rov. 4.5). In rov. 4.16 heeft het hof, voorlopig oordelend, die weigering jegens [verweerder] onrechtmatig geacht wegens strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en de door [verweerder] gestelde strijd met de Mededingingswet bij gebrek aan belang in het midden gelaten. Dat, onder omstandigheden zoals in de onderhavige zaak aan de orde, slechts aan de hand van de maatstaf van misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW zou kunnen beoordeeld of sprake is van strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijke verkeer betaamt, vindt mijns inziens geen steun in het recht. Daarom faalt de klacht van subonderdeel 2.1.
De klacht van subonderdeel 2.2 (zoals nader toegelicht onder 2.2.1-2.2.3) faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In het arrest lees ik niet dat het hof de maatstaf van art. 3:13 BW heeft toegepast.
2.10
Onderdeel 3 wordt voorgesteld voor zover ook buiten het geval van misbruik van bevoegdheid de weigering van HDT-Oost om [verweerder] als extern waarnemer te accepteren wegens strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, onrechtmatig zou kunnen zijn. Het subonderdeel voert aan dat in dat geval het oordeel van het hof in rov. 4.16 onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Subonderdeel 3.1 betoogt dat het hof de eigen, soevereine beoordelingsruimte van HDT-Oost respectievelijk de partijautonomie (te relateren aan de op haar rustende verantwoordelijkheid als bedoeld in de Kwaliteitswet) heeft miskend respectievelijk onvoldoende heeft onderkend. Volgens het subonderdeel mag het hof niet op de stoel van (het bestuur van) een organisatie als HDT-Oost gaan zitten.
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het “al met al”-oordeel in rov. 4.16 (bovendien) onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof met dit oordeel voortbouwt op de in de onderdelen 1 en 2 bestreden oordelen en beslissingen. Reeds gezien het allesbehalve “theoretische” feit dat er in Overijssel en Gelderland (bijvoorbeeld Zutphen of Apeldoorn) alternatieven zijn voor [verweerder] om ANW-diensten te verrichten en bovendien sprake is van locaties dichter bij [verweerders] woonplaats (dus: [woonplaats]), waaronder in elk geval reeds Almelo en Hengelo, valt volgens het subonderdeel niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom uitgerekend HDT-Oost [verweerder] als extern waarnemer zou moeten accepteren. Het subonderdeel tekent in dit verband aan dat [verweerder] huisarts zonder eigen praktijk is - laat staan dat hij een praktijk heeft in het adherentiegebied van HDT-Oost -, waarbij van belang is dat HDT-Oost die alleen huisartsenposten heeft in Enschede en Oldenzaal (dus: niet in Hengelo) een groot aanbod heeft van andere huisartsen die bij haar aan de slag kunnen als extern waarnemer en in welke andere huisartsen HDT-Oost wél vertrouwen heeft. Indien en voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat [verweerder] - kort gezegd - bij geen van die alternatieven terecht zou kunnen en dat de reden hiervan (kennelijk) is dat “die hem niet (meer) moeten”, dan is dat een omstandigheid die HDT-Oost hoe dan ook niet aangaat (reeds omdat dit “niet moeten” dan evident in [verweerders] eigen sfeer ligt). Niet, laat staan zonder méér, valt volgens het subonderdeel in te zien waarom HDT-Oost een persoon als extern waarnemer zou moeten accepteren, ofschoon zij minst genomen alleszins begrijpelijke gerede twijfel heeft of het überhaupt verantwoord is die persoon acute zorg te laten verlenen, ofschoon zij aan deze persoon noch wettelijk, noch contractueel, ook maar iets verplicht is, en ofschoon zij al evenmin, laat staan gerechtvaardigd, ook maar in enig relevant opzicht gerechtvaardigd vertrouwen bij deze persoon heeft gewekt.
2.11
Subonderdeel 3.1 voert naar mijn mening terecht aan dat het hof (wat het subonderdeel noemt:) de soevereine beoordelingsruimte van HDT-Oost heeft miskend. Het hof diende als uitgangspunt te nemen dat HDT-Oost, binnen de grenzen van haar wettelijke verantwoordelijkheid als zorginstelling, in beginsel vrij is om overeenkomsten te sluiten met wie zij dat wenst. Met zijn oordeel in rov. 4.12 dat de verantwoordelijkheid van HDT-Oost in de zin van de Kwaliteitswet zwaar weegt, maar dat (kennelijk) aan het oordeel van het CTG dat [verweerder] “de kans dient te krijgen de ingeslagen weg (van verbetering; LK) voort te zetten” meer gewicht moet worden toegekend dan aan de eigen opvatting van HDT-Oost van hetgeen een verantwoorde acute zorg vordert, heeft het hof mijns inziens het beginsel van contractsvrijheid miskend. Dat het CTG van oordeel is dat [verweerder] nog een kans moet krijgen, in die zin dat doorhaling van zijn inschrijving als huisarts in het BIG-register een te zware tuchtmaatregel is, betekent niet dat huisartsendiensten, zoals HDT-Oost, die wettelijk voor een verantwoorde acute zorg hebben in te staan9., vervolgens verplicht zouden zijn om aan reële bezwaren tegen acceptatie van een huisarts als extern waarnemer voorbij te gaan10..
Ook de consequenties die een non-acceptatie mogelijk voor [verweerder] zal hebben, doen mijns inziens niet af aan de vrijheid van HDT-Oost (en aan haar wettelijke verantwoordelijkheid) om slechts die artsen als extern waarnemer toe te laten, met wie naar haar oordeel een verantwoorde zorg is gewaarborgd. Ik teken daarbij aan dat voor zover ook andere huisartsendiensten [verweerder] zouden weigeren en [verweerder] daardoor niet in staat zou zijn te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld voor handhaving van zijn BIG-registratie, [verweerder] zijn bezwaren tegen het mogelijk niet kunnen behouden van zijn BIG-registratie dient te richten tot de instantie die over deze registratie gaat.
Het hof heeft zijn oordeel niet (althans niet kenbaar) hierop gebaseerd dat voor [verweerder] essentieel is dat HDT-Oost hem als extern waarnemer toelaat, omdat ook alle andere huisartsenposten hem naar verwachting als zodanig zouden weigeren. Voor het geval dat dit laatste niettemin mede aan het bestreden arrest ten grondslag zou liggen, wijs ik erop dat [verweerder] zich niet zonder meer bij een weigering van herregistratie als huisarts op grond van het feit dat hij niet aan de ANW-eis zou voldoen, zou behoeven neer te leggen. Tegen een weigering van herregistratie van (wat thans heet) de Registratiecommissie Geneeskundige Specialisten van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (de RGS) staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming ingevolge de Algemene wet bestuursrecht open. In een recente uitspraak, waarin een afwijzing van een verzoek om herregistratie van een huisarts aan de orde was omdat deze niet aan de ANW-eis zou voldoen, overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State11.:
“5.4. De omstandigheid dat [appellant] niet voldaan heeft aan de hiervoor geformuleerde eisen betekent echter niet dat de RGS niets anders kon dan het verzoek van [appellant] om herregistratie afwijzen.
Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201113198/1/A2) heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd dat de regelgevende organen als bedoeld in artikel 14 van de Wet BIG, zoals in dit geval het CVHG, geen publiekrechtelijke taak uitoefenen en derhalve geen bestuursorgaan zijn. De regelingen die het regelgevend orgaan vaststelt hebben een privaatrechtelijk karakter.
In de uitspraak van 29 augustus 2012 heeft de Afdeling eveneens overwogen dat in de Wet BIG niet is bepaald op welke wijze een registratiecommissie, in dit geval de RGS, verzoeken om opneming in het specialistenregister dient te beoordelen. Dit geldt ook voor verzoeken om herregistratie zoals thans aan de orde. Derhalve vloeit daaruit niet rechtstreeks voort dat een registratiecommissie alleen tot inschrijving in het specialistenregister kan en moet besluiten, indien wordt voldaan aan de eisen die een regeling die is vastgesteld door een orgaan als bedoeld in het tweede lid, onder d, ter zake stelt. Dit neemt niet weg dat uit het in artikel 14, vierde lid, vereiste van instemming van de minister van VWS met een dergelijke - privaatrechtelijke - regeling wel is af te leiden dat een orgaan als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, bij de beoordeling van verzoeken om registratie die regeling als uitgangspunt dient te nemen. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de in artikel 14, tweede lid, onder d, van de Wet BIG vermelde voorwaarde waaronder de minister van VWS tot het aanmerken van een specialistentitel als wettelijk erkende titel kan overgaan, beperkte betekenis heeft.
Uit het bovenstaande volgt dat het Kaderbesluit CVHG en het Besluit huisartsgeneeskunde als privaatrechtelijke regeling geen dwingend toetsingskader bevatten voor beoordelingen van aanvragen om herregistratie als huisarts. Nu deze zijn vastgesteld door het CVHG, dat niet met openbaar gezag is bekleed, zijn zij niet aan te merken als algemeen verbindende voorschriften of als instructies als bedoeld in artikel 10:22 van de Awb. De RGS diende, gelet op de aard van het toetsingskader, daarom na te gaan of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Vaststaat dat [appellant] een groot belang heeft bij herregistratie. Dit blijkt ook uit het feit dat hij uit de huisartsenpraktijk is ontslagen, nu hij niet meer is geregistreerd als huisarts. Daarnaast heeft hij onweersproken gesteld dat hij bij zijn werkzaamheden als forensisch arts baat had bij het feit dat hij gedurende twee dagen per week werkzaam was als huisarts. Verder is van belang dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, het verrichten van 25 uur anw-diensten per jaar neerkomt op negen diensten van 17.00 uur tot 8.00 de volgende dag in een periode van vijf jaar. Deze diensten behoeven niet te worden verricht in een huisartsenpost, maar mogen, zoals [appellant] voor 2007 heeft gedaan, ook worden verricht in een huisartsengroep. Daartegenover staat het belang dat met het oog op de kwaliteit van de medische zorg in het huisartsenregister slechts diegenen worden ingeschreven die geacht worden alle aspecten van de huisartsenzorg voldoende te beheersen en zelfstandig daartoe werkzaamheden kunnen verrichten.
Uit het besluit van 17 oktober 2014 blijkt niet of en in hoeverre aan dat laatste aspect in het geval van [appellant] afbreuk wordt gedaan doordat hij geen anw-diensten als huisarts heeft verricht. In dit verband is van belang dat hij per jaar een veelvoud van 25 uur aan anw-diensten als forensisch arts heeft verricht en deze werkzaamheden volgens de RGS een grote overlap hebben met de huisartsenzorg. Bovendien is niet verzekerd dat [appellant] uitsluitend door het, in aanvulling op de reeds verrichte werkzaamheden, verrichten van een gering aantal anw-diensten als huisarts alle aspecten van de huisartsgeneeskunde, met name de acute zorg aan hem onbekende patiënten, waaronder baby’s en hoogbejaarden, regelmatig zou hebben uitgeoefend.
De slotsom is dat de RGS, gegeven het beperkt aantal anw-diensten dat [appellant] als huisarts diende te verrichten en het grote aantal diensten dat hij als forensisch arts heeft verricht, in het besluit van 17 oktober 2014 niet heeft gemotiveerd waarom hij werd geacht alle aspecten van de huisartsgeneeskunde minder te beheersen dan een huisarts met een vergelijkbare ervaring die per jaar 25 uur anw-diensten zou hebben verricht.
Het betoog slaagt”
Subonderdeel 3.2 slaagt eveneens. Het subonderdeel betoogt terecht dat het hof, zoals hiervóór (onder 2.3) al toegelicht, bij zijn beoordeling niet de juiste omvang van het werkgebied van HDT-Oost heeft betrokken en dat het “al met al” oordeel van het hof in rov. 4.16 ook daarom onbegrijpelijk is, omdat er alternatieve huisartsenposten zijn waar [verweerder] ANW-diensten zou kunnen verrichten, terwijl - zoals HDT-Oost in de memorie van antwoord onder 6.4 heeft gesteld - de huisartsenposten Hengelo en Almelo bovendien dichter bij [verweerders] woonplaats [woonplaats] zijn gelegen dan de huisartsenposten van HDT-Oost12.. De door het hof verrichte belangenafweging, waarbij het hof blijkens rov. 4.11 essentieel heeft geacht dat [verweerder] tot het waarneemverband van juist HDT-Oost zou worden toegelaten, kan ook om die reden niet in stand blijven.
2.12
Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel in rov. 4.12 dat HDT-Oost “(o)nder die omstandigheden” (zoals genoemd in rov. 4.11) “niet volledig vrij” was in haar keuze in verband met de registratie van huisartsen (niet-zijnde praktijkhouder), maar dat zij de belangen van [verweerder] in haar afweging ter zake diende te betrekken. Het onderdeel wordt voorgesteld voor zover het hof met “niet volledig vrij” iets anders heeft beoogd dan (in essentie) te oordelen dat HDT-Oost geen misbruik van bevoegdheid mag maken. Volgens het onderdeel impliceert de door het hof in rov. 4.11 als vaststaand aangenomen omstandigheid dat [verweerders] belangen bij toelating tot de betreffende faciliteit voor het behoud van [verweerders] registratie als huisarts “essentieel” zijn, niet zonder méér dat HDT-Oost “niet volledig vrij” zou zijn in haar keuze [verweerder] al dan niet als extern waarnemer te accepteren. Volgens het onderdeel klemt dit temeer, althans geldt dit, nu überhaupt niet te begrijpen is waarom [verweerders] belangen bij toelating tot de betreffende faciliteit “essentieel” zouden zijn (zie onderdeel 6.1), reeds omdat de huisartsenpost Hengelo überhaupt niet van HDT-Oost is (zie subonderdelen 1.1 en 6.1) en omdat [verweerder] nu eenmaal in heel Nederland als extern waarnemer terecht kan en aldus niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom toelating tot “de betreffende faciliteit” voor de belangen van [verweerder] essentieel zou zijn (zie subonderdeel 6.2).
2.13
Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat ik rov. 4.11 aldus lees, dat de passage “als essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts” niet ziet op “de belangen van [verweerder]”, maar op “toelating tot de betreffende faciliteit (de waarneming van huisartsenzorg, zoals geregeld door HDT-Oost; LK)”. Dat het daarbij om de betreffende faciliteit, juist van HDT-Oost, gaat, blijkt uit het vervolg van rov. 4.11, waarin het hof het verweer van HDT-Oost dat [verweerder] ook elders zou kunnen waarnemen, van de hand heeft gewezen, mede met een beroep op de woonplaats van [verweerder].
Ik acht de klacht van het onderdeel gegrond, reeds omdat niet valt in te zien waarom toelating van [verweerder] als extern waarnemer, juist bij HDT-Oost, mede gelet op zijn woonplaats essentieel zou zijn. Het hof, dat van een onjuiste voorstelling van het adherentiegebied van HDT-Oost is uitgegaan, heeft kennelijk eraan voorbijgezien dat het in verband met de woonplaats van [verweerder] veel meer voor de hand zou liggen dat hij zijn ANW-diensten bij een andere huisartsenpost dan die van HDT-Oost zou verrichten.
2.14
Onderdeel 5 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.12 dat de verantwoordelijkheid van HDT-Oost in de zin van de Kwaliteitswet zwaar mag wegen, maar dat “juist in dat verband” groot gewicht toekomt aan het oordeel van het CTG.
Subonderdeel 5.1 voert aan dat dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is omdat het nu juist gaat om de verantwoordelijkheid van HDT-Oost en dat het dus HDT-Oost (en niet het CTG) is die de afweging moet maken. Ook wijst het subonderdeel erop dat een tuchtrechtelijke procedure geen actio popularis is en dat het hof niet heeft vastgesteld dat HDT-Oost direct belanghebbende was bij de tuchtprocedure en in deze procedure heeft kunnen uiteenzetten om welke redenen zij gerede twijfel heeft over [verweerders] kwaliteit om als externe waarnemer acute zorg te verlenen vanuit een tot HDT-Oost behorende huisartsenpost.
Subonderdeel 5.2 vervolgt dat het hof mede gezien deze redenen heeft miskend dat het gegeven dat het volgens het CTG “niet onverantwoord” is om [verweerder] zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten en [verweerder] een kans moet krijgen om de ingeslagen weg voort te zetten niet, laat staan, zonder méér, impliceert of kan impliceren dat HDT-Oost aan het oordeel van het CTG “groot gewicht” zou moeten toekennen, laat staan in het licht van [verweerders] in rov. 4.10 vermelde “geschiedenis” waarop HDT-Oost zich beroept en het feit waarvoor hem in de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 een maatregel met voorwaarde is opgelegd.
Subonderdeel 5.3 klaagt dat indien en voor zover het hof met zijn “groot gewicht”-oordeel (mede) tot uiting heeft gebracht dat HDT-Oost geen gerede twijfel zou behoren te hebben, dit, gezien het voorgaande, niet alleen onbegrijpelijk is, maar het hof hiermee ook heeft miskend dat het terughoudendheid heeft te betrachten bij het toetsen van de afweging die HDT-Oost - en niet het CTG - te dezen moet maken, nu de verantwoordelijkheid in de zin van de Kwaliteitswet rust op HDT-Oost en niet op het CTG.
Subonderdeel 5.4 betoogt dat het hof ten onrechte niet, laat staan toereikend, heeft gemotiveerd waarom en in welk opzicht van belang zou zijn (a) dat HDT-Oost door haar afwijzende beslissing respectievelijk weigering [verweerder] in belangrijke mate belemmert in de door het CTG bedoelde voortzetting van [verweerders] werkzaamheden en kansen om de ingeslagen weg van verbetering in [verweerders] functioneren voort te zetten; en (b) dat niet alleen de voor herregistratie optredende problematiek, maar ook het in professioneel opzicht mogelijk te ondervinden isolement naast de overige door [verweerder] genoemde nadelen daarbij een rol zouden spelen. Immers, zo stelt het subonderdeel, ook als HDT-Oost “in belangrijke mate belemmert”, is dat het gevolg van haar in essentie op haar in rov. 4.10 vermelde gerede twijfel gebaseerde keuze om [verweerders] litigieuze verzoek af te wijzen (gecombineerd met het gestelde grote aanbod van externe waarnemers).
Subonderdeel 5.5 stelt dat de klachten in subonderdelen 5.1-5.4 temeer respectievelijk althans klemmen, in het licht van hetgeen in subonderdeel 2.2.2 onder A, in het bijzonder onder ten eerste tot en met ten vierde, wordt aangevoerd.
2.15
Een tuchtrechtelijke procedure tegen een zorgverlener, zoals [verweerder], heeft een bijzonder karakter13.. Subonderdeel 5.1 benadrukt terecht dat HDT-Oost geen partij was bij de tuchtprocedure (tussen de Inspecteur voor de Gezondheidszorg en [verweerder]) die tot de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 heeft geleid. HDT-Oost heeft in deze procedure (derhalve) niet kunnen uiteenzetten om welke redenen zij gerede twijfel heeft over [verweerders] kwaliteit om als externe waarnemer vanuit een tot HDT-Oost behorende huisartsenpost acute zorg te verlenen. Mede om deze redenen kan aan het oordeel van het CTG in de relatie tussen HDT-Oost en [verweerder] maar een beperkte waarde worden toegekend. Zoals het subonderdeel voorts benadrukt, rust op HDT-Oost ingevolge de Kwaliteitswet14.een eigen verantwoordelijkheid. Die eigen verantwoordelijkheid houdt onder meer in dat HDT-Oost haar zorgverlening op zodanige wijze organiseert, zich zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel voorziet en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling zorgt dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg15.. Tegen die achtergrond bezien acht ik het oordeel van het hof in rov. 4.12 dat aan het oordeel van het CTG een groter gewicht toekomt dan aan de eigen verantwoordelijkheid van HDT-Oost in de zin van de Kwaliteitswet, althans dat in verband met die verantwoordelijkheid aan het oordeel van het CTG groot gewicht zou zijn toe te kennen, onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Althans geldt dat voor zover het hof zich heeft gebaseerd op de overweging van het CTG dat [verweerder] “in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zijn houding zodanig kan bijstellen dat het niet onverantwoord is hem zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten” en dat hij “verbetering heeft laten zien in zijn functioneren en de kans dient te krijgen de ingeslagen weg voort te zetten”. Deze overweging betreft immers slechts de zwaarte van de door het RTG opgelegde tuchtmaatregel (doorhaling van de inschrijving van de huisarts in het BIG-register) en kan niet aldus worden uitgelegd dat zij [verweerder] vervolgens aanspraak erop zou geven als externe waarnemer tot een huisartsendienstenstructuur te worden toegelaten, óók als die huisartsendienstenstructuur van oordeel is met (een) andere externe waarnemer(s) betere zorg te kunnen bieden. Ik meen dat de klacht van het subonderdeel slaagt.
Ook subonderdeel 5.2 slaagt op de gronden zoals hiervoor reeds besproken. Dat het CTG het niet onverantwoord oordeelt [verweerder] zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten (en om die reden een doorhaling van de inschrijving van de huisarts in het BIG-register een te zware tuchtmaatregel acht), behoeft voor HDT-Oost geen reden te zijn [verweerder] als extern waarnemer te accepteren, indien zij meent dat dit niet zou leiden tot de verantwoorde acute huisartsenzorg tot het bieden waarvan zij wettelijk is gehouden.
Subonderdeel 5.3 mist feitelijke grondslag. In het bestreden arrest lees ik niet dat het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat HDT-Oost geen gerede twijfel over het functioneren van [verweerder] zou behoren te hebben.
Subonderdeel 5.4 slaagt. Dat niet-acceptatie door HDT-Oost voor [verweerder] nadelige gevolgen heeft (over de ernst waarvan partijen overigens van mening verschillen in verband met de mogelijkheden om elders ANW-diensten te verrichten), ontslaat HDT-Oost niet van haar wettelijke verantwoordelijkheid zich zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel te voorzien dat dit naar haar oordeel leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg.
Subonderdeel 5.5 wijst op de eerder (in verband met subonderdeel 2.2.2) vermelde omstandigheden en argumenten, die de klachten van de subonderdelen 5.1-5.4 zouden ondersteunen. Het betreft (i) de gerede twijfel die HDT-Oost, ook na de uitspraak van het CTG heeft behouden, (ii) de door het CTG passend en geboden geachte zware maatregel van een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register, met als voorwaarde dat [verweerder] zich gedurende de proeftijd van twee jaar met een frequentie van ten minste eenmaal per maand onder psychotherapeutische behandeling blijft stellen en dat hij halfjaarlijks een mede door de psychotherapeut ondertekende verklaring overlegt dat hij nog in behandeling is met opgave van aard en frequentie, (iii) de omstandigheid dat het CTG van een “laatste kans” heeft gesproken en publicatie van zijn uitspraak heeft gelast en (iv) het argument dat niet valt in te zien waarom de uitspraak van het CTG zou impliceren dat juist HDT-Oost, ondanks haar gerede twijfel, [verweerder] de door het CTG bedoelde kans zou moeten bieden. Ik volsta met de constatering dat de bedoelde omstandigheden en argumenten, althans die onder (i)-(iii), de beslissing van HDT-Oost inderdaad kunnen ondersteunen, ondanks het voor [verweerder] gunstige oordeel van het CTG over de zwaarte van de hem door het RTG opgelegde tuchtmaatregel.
2.16
Subonderdeel 6.1 keert zich tegen rov. 4.6 en betoogt dat ’s hofs oordeel dat [verweerder] zich “onbetwist” beroepen zou hebben op de “unieke positie” van HDT-Oost in het gebied Twente-Oost, van waaruit zij op “drie locaties” de zorg gedurende avonden, nachten en weekenden door middel van een waarneemregeling organiseert en dat het te dezen betreft de huisartsenpost Enschede, de huisartsenpost Oldenzaal “en de huisartsenpost Hengelo”, onbegrijpelijk is gezien hetgeen HDT-Oost in de memorie van antwoord onder 3.1 heeft gesteld. Deze klacht vitieert volgens het subonderdeel zowel rov. 3.2 (“drie locaties” en “huisartsenpost Hengelo”), als hetgeen het hof voortbouwend heeft geoordeeld in rov. 4.11 (“essentieel”) en rov. 4.12 (“Onder die omstandigheden”) en voorts verder voortbouwend heeft geoordeeld in de rov. 4.13-4.16.
Subonderdeel 6.2.1 is gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 4.11 dat de belangen van [verweerder] bij toelating tot de betreffende faciliteit “essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts” zouden zijn. Hetgeen HDT-Oost heeft gesteld (memorie van antwoord, onder 3.1) laat zich volgens het subonderdeel niet anders verstaan, dan dat HDT-Oost geen acute zorg verleent aan patiënten die in de gemeente Hengelo wonen en dat de zorgverlening aan deze patiënten plaatsvindt vanuit een huisartsenpost (huisartsenpost Hengelo) die niet van HDT-Oost is, zodat (reeds daarom) niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom [verweerders] belangen bij toelating tot uitgerekend de litigieuze respectievelijk “de betreffende” faciliteit essentieel voor het behoud van [verweerders] registratie als huisarts zouden zijn.
Volgens subonderdeel 6.2.2 klemt dit temeer respectievelijk althans, omdat het hof in rov. 4.11 (in fine) heeft geoordeeld dat [verweerder] belang erbij zou hebben om de onderhavige werkzaamheden “mede gelet op zijn woonplaats te [woonplaats]”, uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie “en derhalve in het adherentiegebied van HDT-Oost”. Nu, zoals HDT-Oost heeft gesteld, de huisartsenpost Hengelo niet tot HDT-Oost behoort, valt volgens het subonderdeel, niet of niet zonder méér in te zien waarom het voor (de belangen van) [verweerder], die nu juist in [woonplaats] en aldus veel dichter bij Hengelo dan bij Enschede en Oldenzaal woont, “essentieel” zou zijn om als extern waarnemer uitgerekend werkzaam te zijn in of vanuit de huisartsenposten in Enschede en Oldenzaal.
Subonderdeel 6.2.3 stelt dat bij hetgeen waarover subonderdeel 6.2.2 klaagt, bovendien komt dat [woonplaats] nu juist ook nog eens (veel) dichter bij Almelo ligt dan bij zowel Oldenzaal als Enschede, waarbij van belang is dat HDT-Oost heeft gesteld (memorie van antwoord onder 6.4) dat ook de Centrale Huisartsenpost Almelo een huisartsendienstenstructuur is (net zoals HDT-Oost dit is).
Volgens subonderdeel 6.2.4 is het “essentieel”-oordeel ook onbegrijpelijk voor zover het berust op hetgeen subonderdeel 6.3 vermeldt.
Subonderdeel 6.3.1 is gericht tegen rov. 4.11 en klaagt dat ’s hofs oordeel dat de “onderbouwing ter zake” van de stelling van HDT-Oost dat [verweerder] in heel Nederland kan waarnemen (memorie van antwoord, onder 6.5) “van theoretische aard” en in zoverre “niet als voldoende te beschouwen” zou zijn, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst erop dat HDT-Oost heeft gesteld dat (i) [verweerder], niet zijnde praktijkhouder, überhaupt geen eigen patiënten heeft en overal waarnemingen kan doen, (ii) dat er alleen in Overijssel buiten HDT-Oost zes andere huisartsendienstenstructuren zijn, (iii) dat [verweerder] bovendien vanuit zijn woonplaats [woonplaats] ook waarnemingen kan doen bij huisartsenposten in (de Gelderse gemeenten) Zutphen of Apeldoorn (memorie van antwoord, onder 6.4), (iv) dat HDT-Oost ook waarnemers heeft uit Amsterdam, (v) dat [verweerder] waarnemingen kan verrichten voor de praktijk die de Studenten Gezondheidsdienst B.V. in Utrecht exploiteert, omdat [verweerder] daar tevens werkzaam is (memorie van antwoord, onder 6.5) en (vi) dat een huisarts in loondienst dan wel een huisarts die als opdrachtnemer voor andere huisartsen waarneemt, geen diensten aan patiënten aanbiedt en dat zo’n huisarts, voor zover hij diensten aanbiedt, dit doet aan huisartsen (die wel een eigen praktijk hebben) (pleitnotities in appel, onder 3). Gelet hierop valt niet in te zien waarom het bij deze stellingen van HDT-Oost zou gaan om (slechts) theoretische mogelijkheden, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 6.3.2 voert aan dat, gelet op het voorgaande, ook onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel in rov. 4.11 (in fine) dat [verweerder] er “immers” belang bij heeft om de onderhavige werkzaamheden, mede gezien zijn woonplaats te [woonplaats], uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie en “derhalve” in het adherentiegebied van HDT-Oost.
Subonderdeel 6.4 is gericht tegen rov. 3.3 en klaagt dat gezien hetgeen HDT-Oost heeft gesteld als vermeld in subonderdeel 1.2, het oordeel van het hof dat huisartsen het lidmaatschap van HDT-Oost kunnen verkrijgen zonder dat zij een eigen praktijk hebben, onbegrijpelijk is.
2.17
De klachten van subonderdelen 6.1-6.4 betreffen voornamelijk herhalingen van eerdere klachten. Hierna zal ik de verschillende subonderdelen nog kort adresseren.
De klacht van subonderdeel 6.1 bouwt voort op subonderdelen 1.1 en 3.2 en slaagt op de gronden zoals hiervoor onder 2.3 en 2.11 besproken. Gegrondbevinding van deze klacht raakt, zoals het subonderdeel betoogt, ook aan rov. 3.2 (“drie locaties” en “huisartsenpost Hengelo”), rov. 4.11 (“essentieel”), rov. 4.12 (“Onder die omstandigheden”), rov. 4.15 (“mede gelet op de unieke positie”) en rov. 4.16 (“Al met al”). Anders dan het subonderdeel stelt, vitieert gegrondbevinding van de klacht echter niet de rov. 4.13 en 4.14 (hetgeen het subonderdeel overigens ook niet toelicht). Kort samengevat onderschrijf ik dat het hof van een misvatting met betrekking tot het adherentiegebied en de unieke positie van HDT-Oost is uitgegaan en dat deze misvatting doorwerkt in de essentiële betekenis die het hof, mede gelet op de woonplaats van [verweerder], aan diens toelating, juist tot de waarneemregeling van HDT-Oost, heeft toegekend, alsmede in de consequenties die het hof aan die unieke positie van HDT-Oost en de voor [verweerder] essentiële betekenis van toelating, juist tot de waarneemregeling van HDT-Oost, heeft verbonden (rov. 4.12: “Onder die omstandigheden (…)”; rov. 4.15: “(…) mede gelet op de unieke positie van HDT-Oost (...)”; rov. 4.16 (“Al met al (…)”).
De subonderdelen 6.2.1-6.2.4 voeren terecht aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat toelating tot HDT-Oost “essentieel” zou zijn voor [verweerder] onbegrijpelijk is. Er zijn immers alternatieve huisartsenposten waar [verweerder] ANW-diensten zou kunnen verrichten, terwijl - zoals HDT-Oost eveneens heeft gesteld (memorie van antwoord, onder 6.4) - de huisartsenposten Hengelo en Almelo zelfs dichter bij de woonplaats van [verweerder] zijn gelegen dan de huisartsenposten van HDT-Oost (zie ook onder 2.3 en 2.11). Overigens rijst de vraag waarom het voor [verweerder] “essentieel” zou zijn dat hij eventuele ANW-diensten in de nabijheid van zijn woonplaats kan verrichten, nu HDT-Oost, naar zij heeft gesteld, ook waarnemers heeft die in Amsterdam woonachtig zijn. Nog minder valt in te zien waarom [verweerder] eventuele ANW-diensten slechts in de nabijheid van zijn werklocatie zou kunnen verrichten. Mogelijk verdienen ANW-diensten in de nabijheid van woonplaats en/of werklocatie de voorkeur, maar dat sluit (anders dan het door het hof als “essentieel” benoemen van “de betreffende faciliteit” in de nabijheid van woonplaats en/of werklocatie van [verweerder] suggereert16.) het elders verrichten van zulke diensten allerminst uit. Aan het argument van de nabijheid van de werklocatie komt bovendien ook daarom geen doorslaggevende betekenis toe, omdat [verweerder] volgens de stellingen van HDT-Oost (memorie van antwoord, onder 6.5) niet slechts te Enschede, maar ook te Utrecht als huisarts werkzaam is.
Subonderdeel 6.3.1 slaagt eveneens. Het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat de stelling van HDT-Oost dat [verweerder] in heel Nederland kan waarnemen “van theoretische aard” zou zijn, is onbegrijpelijk, gelet op de door HDT-Oost in de memorie van antwoord, onder 6.4 en 6.5, genoemde, concrete alternatieven.
De klacht van subonderdeel 6.3.2 slaagt op dezelfde gronden als de klachten van subonderdelen 6.2.1-6.2.4.
Subonderdeel 6.4 betreft een herhaling van subonderdeel 1.2 en faalt nu de klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest (zie hiervoor onder 2.4).
2.18
Subonderdeel 6.5.1 is gericht tegen rov. 4.13 en klaagt dat ’s hofs oordeel dat [verweerder] “onbestreden” zou hebben aangevoerd dat sedert 2011 van klachten over zijn functioneren geen sprake meer is geweest, onbegrijpelijk is, omdat HDT-Oost in eerste aanleg gedocumenteerd heeft gesteld (pleitnotities onder 2.11) dat de Klachtencommissie Huisartsenzorg Twente een melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft gedaan over het disfunctioneren van [verweerder] op het gebied van communicatie en bejegening en dat in het jaarverslag van de klachtencommissie staat dat zij voor het eerst in haar bestaan aan de Inspectie een melding heeft gedaan en de Inspectie daarbij dringend heeft geadviseerd om een onderzoek te starten naar het functioneren van [verweerder] om daarna, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, passende maatregelen te treffen.
Subonderdeel 6.5.2 vervolgt dat het oordeel in rov. 4.13 temeer respectievelijk althans onbegrijpelijk is, omdat HDT-Oost in eerste aanleg gedocumenteerd heeft gesteld (pleitnotities onder 2.15), niet alleen dat het niet waarschijnlijk is dat er in het geheel geen klachten meer zijn over [verweerder], maar aansluitend ook dat op de website Zorgkaart Nederland veel negatieve berichten over [verweerder] staan, namelijk 13 van de 18 (!) en dat aangenomen mag worden dat de negatieve meldingen slechts een topje van de ijsberg vormen, omdat de meeste patiënten niet de moeite nemen om een recensie over een zorgverlener te schrijven en te uploaden. Althans heeft het hof, volgens het subonderdeel, ten onrechte niet, laat staan toereikend, op deze essentiële stellingen gerespondeerd. Is het hof tot het oordeel gekomen dat deze stellingen niet essentieel zouden zijn, bijvoorbeeld om de (niet kenbare) reden dat alleen klachten die voorgelegd worden aan een RTG relevant zouden zijn, dan is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 6.6 klaagt dat, indien en voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 4.1317.dat [verweerder] in de periode 2009 tot in januari 2013 als waarnemer bij HDT-Oost heeft gefunctioneerd, tot uiting heeft gebracht of beogen te brengen dat [verweerder] gedurende (een deel van) deze periode door HDT-Oost zou zijn toegelaten respectievelijk dat dat “functioneren” door HDT-Oost zou zijn toegestaan, dit oordeel in het licht van stellingen van HDT-Oost dat [verweerder] nooit als waarnemer bij HDT-Oost is toegelaten (memorie van antwoord, onder 3.13 en 7.1) onbegrijpelijk is.
2.19
Ik acht de klachten van de subonderdelen 6.5.1 en 6.5.2 gegrond. HDT-Oost heeft zich in de pleitnotities in eerste aanleg beroepen op een in februari 2011 door de Klachtencommissie Huisartsenzorg Twente aan de Inspectie gedane melding van disfunctioneren, zulks naar aanleiding van een op 6 januari 201118.ingekomen klacht (zie productie 7 van HDT-Oost). Voorts is in pleitnotities in eerste aanleg, onder 2.15, erop gewezen dat 13 van de 18 meldingen op de website “Zorgkaart Nederland” een negatieve strekking hadden en zijn zes van die meldingen (die zijn gedaan over de periode van 6 december 2011 tot en met 15 november 2013) in die pleitnotities weergegeven. Het oordeel dat onbestreden zou zijn dat sedert 2011 van klachten over het functioneren van [verweerder] geen sprake meer is geweest, is in dat licht onbegrijpelijk.
Mogelijk heeft het hof zich laten leiden door rov. 4.3 in de uitspraak van het CTG van 19 december 2013, waarin het CTG heeft overwogen dat “(n)iet gebleken is dat er, na de klacht van een patiënte van de praktijk op de campus met betrekking tot het handelen van de huisarts op 6 januari 2011, nog nieuwe klachten tegen de huisarts zijn ingediend.” Deze passage betreft echter slechts bij de klachtencommissie ingediende klachten, terwijl zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom klachten die op andere wijze worden geuit (zoals negatieve vermeldingen op de website “Zorgkaart Nederland”) a priori niet relevant zouden zijn bij de beantwoording van de vraag of HDT-Oost al dan niet vertrouwen behoorde te stellen in [verweerder] als extern waarnemer.
2.20
De klacht van subonderdeel 6.6 faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft mijns inziens slechts willen weergeven dat [verweerder] vanaf oktober 2009 tot in januari 2013 door HDT-Oost aan de huisartsenpraktijk MCCUT toegewezen ANW-diensten feitelijk heeft verricht19.. Het hof heeft niet geoordeeld dat HDT-Oost [verweerder] als waarnemer zou hebben toegelaten.
2.21
Subonderdeel 7.1 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.13 dat onder “die” hierin vermelde “omstandigheden” de verantwoordelijkheid van HDT-Oost op grond van de Kwaliteitswet voor een veilige en verantwoorde zorg, mede gezien de in deze rov. 4.13 vermelde expliciete afweging van het CTG, onvoldoende rechtvaardiging voor handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] als waarnemer zou vormen en dat HDT-Oost de weegschaal ten gunste van [verweerder] zou hebben moeten laten doorslaan. Immers, voor zover het hof doelt op de omstandigheden als bedoeld/vermeld in de eerste alinea van rov. 4.13 volgt of kan uit deze omstandigheden niet, laat staan zonder méér, volgen dat sprake zou zijn van die onvoldoende rechtvaardiging en - kort gezegd - het door HDT-Oost op die wijze moeten doen doorslaan van die weegschaal, reeds gezien hetgeen waarover de vorige en de volgende onderdelen klagen, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 7.2 voert aan dat het hof bovendien ten onrechte als vertrekpunt heeft genomen dat in een geval als het onderhavige een rechtspersoon als HDT-Oost überhaupt een “rechtvaardiging” zou moeten geven voor het niet honoreren van het betreffende verzoek om een gunst van een derde partij als [verweerder] respectievelijk het niet accepteren van een verzoek om als extern waarnemer vanuit de huisartsenposten van deze rechtspersoon acute zorg te mogen verrichten. Het hof heeft hiermee volgens het subonderdeel miskend, niet alleen dat men niet gehouden is om een ander desgevraagd een gunst te verlenen, maar ook dat de weigering om dit niet te doen niet getoetst mag worden op de indringende wijze zoals het hof in casu heeft gedaan.
2.22
De klachten van subonderdeel 7.1 en 7.2 bouwen voort op subonderdeel 3.1 en slagen op dezelfde gronden als dat subonderdeel (zie hiervoor onder 2.11).
2.23
Subonderdeel 8.1 klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 4.14 (tweede alinea, eerste zin) dat [verweerder] “onbestreden aangevoerd” zou hebben dat HDT-Oost tevens heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst in dit verband op diverse volgens het subonderdeel door HDT-Oost in de memorie van antwoord onder 4.6 en 4.7 aangevoerde essentiële stellingen, waaronder met name de stelling dat [betrokkene 2] (anders dan [verweerder]) praktijkhouder is en lid van HDT-Oost, waardoor daarom al de vergelijking tussen [verweerder] en [betrokkene 2] niet opgaat.
Subonderdeel 8.2 stelt dat het bestreden oordeel ook onbegrijpelijk is, want innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof in rov. 4.14 (tweede alinea, tweede tot en met vierde zin) nu juist heeft geoordeeld dat HDT-Oost zich met name heeft beroepen op het verschil in positie tussen [verweerder] en [betrokkene 2] en dat laatstgenoemde, naar HDT-Oost aanvoert, anders dan [verweerder], zelf praktijkhouder is, en dat een huisartsenpraktijk in de regio Twente-Oost voor zijn praktijkuitoefening in verband met de verplichte continuïteit van zorg voor de praktijkuitoefening op HDT-Oost is aangewezen, wat (dus) haaks staat op dat oordeel.
Subonderdeel 8.3 voert aan dat gezien de in subonderdeel 8.1 aangevoerde essentiële stellingen ’s hofs oordeel in rov. 4.14 dat “Deze overweging van HDT-Oost” zich niet zou laten rijmen met haar beroep op de kwaliteit van zorg, door haar aan de handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] ten grondslag gelegd, onbegrijpelijk is. Immers deze stellingen zijn volgens het subonderdeel niet anders te verstaan dan dat bij de door HDT-Oost te maken afweging van belang is dat [betrokkene 2] huisarts is met een eigen praktijk en reeds lid is van HDT-Oost en dat [verweerder], huisarts zonder eigen praktijk, nu eenmaal géén lid is van HDT-Oost en dat hij geaccepteerd wil worden als extern waarnemer. Het hof heeft miskend, nog steeds volgens het subonderdeel, dat het voor een organisatie als HDT-Oost die geconfronteerd wordt met een verzoek om toelating van een derde die (dus) überhaupt géén lid is van de coöperatie en die als huisarts zonder eigen praktijk ook geen lid kan worden, bij de afweging of dit verzoek al dan niet dient te worden ingewilligd nu eenmaal van groot belang is of zij (alleszins begrijpelijke) gerede twijfel heeft of deze derde de vereiste kwaliteit kan leveren, en dat het (enkele) gegeven dat een huisarts met eigen praktijk die reeds lid is van deze organisatie dezelfde tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd heeft gekregen als die derde, niet, laat staan reeds op zichzelf, prohibitief hoeft te zijn om dat verzoek af te wijzen. Zoals HDT-Oost bovendien heeft gesteld (pleitnotities in appel onder 8) mag een onderneming in een reguliere sollicitatieprocedure kiezen wie de meest geschikte kandidaat is, heeft zij (HDT-Oost) ervoor gekozen om te selecteren aan de hand van de Regeling acceptatie waarnemers en is zij hierin ook niet uniek. Derhalve is dit “niet te rijmen”-oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
2.24
Het oordeel in rov. 4.14 dat onbestreden zou zijn aangevoerd dat HDT-Oost in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou hebben gehandeld, is inderdaad onbegrijpelijk, nu HDT-Oost heeft betwist dat van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen sprake zou zijn en zich daartoe in het bijzonder (in de woorden van het hof in diezelfde rechtsoverweging) op een verschil in positie tussen de beide betrokkenen heeft beroepen. De klacht van de subonderdelen 8.1 en 8.2 is derhalve gegrond.
HDT-Oost heeft zich meer in het bijzonder erop beroepen dat de huisarts met wie [verweerder] zich vergelijkt, praktijkhouder is en als zodanig lid van HDT-Oost is, terwijl [verweerder] geen praktijkhouder is, geen lid van HDT-Oost is en evenmin lid van HDT-Oost kan worden en als buitenstaander verzoekt als extern waarnemer te worden toegelaten. Bij memorie van antwoord heeft HDT-Oost voorts erop gewezen dat een huisarts-lid vanwege de continuïteit van zijn praktijk van HDT-Oost afhankelijk is en dat om die reden het risico van disfunctioneren van een huisarts-lid op de huisartsenpost vanwege diens grotere belangen anders wordt gewogen dan het risico van disfunctioneren van een (adspirant) extern waarnemer op de huisartsenpost, die immers nog elders kan werken.
Het ligt mijns inziens voor de hand dat een praktijkhoudende huisarts die als lid van HDT-Oost periodiek zal moeten waarnemen, bij twijfel over zijn functioneren niet op exact dezelfde voet wordt behandeld als een derde, die geen lid is en geen lid kan worden en verzoekt als extern waarnemer te worden toegelaten. Waar in het laatste geval gerede twijfel aanleiding kan zijn om van toelating af te zien, liggen maatregelen als opzegging, ontzetting of schorsing van de praktijkhoudende huisarts die reeds lid van de coöperatie is en voor een continue praktijkvoering van HDT-Oost afhankelijk is, mede gelet op de beperkingen die wet en statuten stellen aan de beëindiging van de lidmaatschapsverhouding, niet onmiddellijk in de rede, net zo min als bepaalde twijfels die voldoende aanleiding kunnen zijn om van het aannemen van een sollicitant af te zien, zo zij een reeds zittende werknemer zouden betreffen, noodzakelijkerwijs een schorsing of ontslag van die werknemer zouden rechtvaardigen.
Volgens het hof laten de overwegingen van HDT-Oost, wat daarvan overigens zij, zich niet rijmen met haar beroep op de kwaliteit van de zorg dat zij aan de handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] ten grondslag heeft gelegd. Anders dan het hof lijkt te veronderstellen was de strekking van het betoog echter niet dat er in het geval waarnaar [verweerder] heeft verwezen geen risico voor een verantwoorde zorg zou bestaan, maar dat het verschil in positie en belangen tussen een in het adherentiegebied van HDT-Oost praktijk houdende huisarts die reeds lid is van HDT-Oost enerzijds en een derde die verzoekt als extern waarnemer verzoekt te worden toegelaten anderzijds, met zich brengt dat in beide gevallen niet dezelfde maatregelen mogelijk en passend zijn.
Tegen deze achtergrond acht ik ook de klacht van subonderdeel 8.3 gegrond.
2.25
Volgens subonderdeel 9.1 is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd ’s hofs beslissing in rov. 4.15 dat de hierin vermelde Regeling acceptatie waarnemers het hof niet tot een ander oordeel leidt, reeds omdat het hof niet, laat staan toereikend, heeft gerespondeerd op hetgeen te dezen door HDT-Oost in eerste aanleg is gesteld blijkens rov. 5.8 van het in de eerste aanleg van dit geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter, namelijk dat zo’n regeling voor de toelating van waarnemers tegenwoordig landelijk gebruikelijk is. Het hof heeft volgens het subonderdeel (ook) hier de positieve devolutieve werking van het appel miskend, waarbij van belang is dat [verweerder] niet gegriefd heeft tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat HDT-Oost zulks gesteld heeft, zodat de juistheid van dit oordeel in appel uitgangspunt is. Heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] daartegen wel gegriefd zou hebben, dan is dat onbegrijpelijk, met name gezien hetgeen door [verweerder] te berde wordt gebracht in zijn memorie van grieven (met name onder 59-66), want dit laat zich niet anders verstaan dan dat [verweerder] niet tegen dit oordeel als zodanig heeft gegriefd.
Subonderdeel 9.2 voert aan dat die beslissing (bovendien) onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd, gezien hetgeen HDT-Oost in appel heeft gesteld als reactie op [verweerders] vierde grief (memorie van antwoord, onder 5.1-5.5), hetwelk niet anders kan worden verstaan dan dat HDT-Oost de bovendien uitvoerig en in elk geval voldoende, ook gedocumenteerde, onderbouwde stelling heeft betrokken dat de door HDT-Oost gehanteerde regeling landelijk gebruikelijk althans niet ongebruikelijk is (zie ook pleitnotities in appel onder 8).
Volgens subonderdeel 9.3 is de bestreden beslissing voorts (ook) daarom onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stellingen van HDT-Oost dat die regeling een codificatie is van een regeling die reeds eerder werd gehanteerd (memorie van antwoord, onder 5.1) en dat het enkele feit dat deze regeling schriftelijk is ingevoerd nadat [verweerder] zijn litigieuze verzoek had gedaan nog niet zonder meer impliceert dat de toelating van [verweerder] niet getoetst zou kunnen worden aan de hand van de in de regeling opgenomen maatstaven (memorie van antwoord, onder 5.2).
Subonderdeel 9.4 betoogt dat hetgeen waarover de vorige drie subonderdelen klagen temeer respectievelijk althans klemt, omdat de motivering van ’s hofs beslissing voor zover dezer motivering kenbaar is (uit met name rov. 4.15, tweede alinea) slechts of voornamelijk respectievelijk substantieel bestaat uit een “kale” opsomming van argumenten die [verweerder] aanvoert en substantieel voortbouwt op door dit middel bestreden oordelen, waarbij het (weer) gaat om de “unieke positie” die HDT-Oost zou hebben en het feit dat [verweerder] géén en [betrokkene 2] wel ANW-diensten op “de huisartsenpost” mag doen.
Subonderdeel 9.5 voert aan dat in het licht van de vorige vier subonderdelen en gezien hetgeen waarover dit middel voorts klaagt ’s hofs oordeel in rov. 4.15 (in fine) dat aan de belangen van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie, zonder toereikende, althans transparante en op de kwaliteit geënte motivering, onvoldoende tegemoet wordt gekomen, onbegrijpelijk is.
2.26
De klachten van subonderdeel 9.1-9.2 betreffen grotendeels een herhaling van subonderdeel 1.3 en falen op gronden zoals hiervoor onder 2.5 aangevoerd. De klacht van subonderdeel 9.3 faalt eveneens nu de aangevoerde stellingen geen essentiële stellingen betreffen. De klachten van subonderdelen 9.4 en 9.5 slagen echter wel. Het oordeel in rov. 4.15 kan immers geen stand houden gelet op het slagen van de klachten van subonderdeel 6.1 (rov. 4.15: “mede gelet op de unieke positie van HDT-Oost”) en van de subonderdelen 8.1-8.3 (rov. 4.15, laatste twee zinnen).
2.27
Onderdeel 10 bevat een “slotklacht” en stelt dat hetgeen waarover in de vorige onderdelen wordt geklaagd (ook) alle daarop voortbouwende oordelen alsmede beslissingen, waaronder die vervat in het dictum van het arrest a quo, vitieert.
2.28
Dit onderdeel betreft een veegklacht en behoeft geen nadere behandeling. Gegrondbevinding van een klacht tast de beslissingen die op het met die klacht bestreden oordeel voortbouwen, inderdaad aan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2016
Memorie van antwoord onder 3.1: “(…) HDT-Oost verleent acute huisartsenzorg vanuit twee huisartsenposten in Enschede en Oldenzaal. Daarmee worden de gemeenten Enschede, Haaksbergen, Losser-Overdinkel, Oldenzaal en Dinkelland bediend. Het werkgebied beslaat ruim 270.000 mensen. De zorgverlening aan patiënten die elders in Overijssel wonen vindt vanuit andere huisartsenposten (niet van HDT-Oost) plaats.”
Zie schriftelijke toelichting zijdens [verweerder] onder 10.
Memorie van grieven onder 3: “(…) [verweerder] legt het onderhavige geschil in volle omvang voor aan het hof.”
Zie Snijders/Wendels, Civiel appel (2009), nr. 173 en 216. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/125: “De devolutieve werking brengt met zich, dat binnen de grenzen die door de appellant zijn getrokken in het petitum van de appeldagvaarding en de memorie van grieven, dan wel in het appelrekest, alle in eerste instantie door partijen aangevoerde stellingen - voor zover niet prijsgegeven - in hoger beroep alsnog, dan wel opnieuw moeten worden beoordeeld.”
Zie het kaartje zoals opgenomen in de schriftelijke toelichting zijdens [verweerder], onder 3, en de schriftelijke toelichting zijdens HDT-Oost, onder 7.
Memorie van grieven (grief 4), onder 59-66, in het bijzonder onder 64: “In de derde plaats is een dergelijke regeling voor de toelating van waarnemers niet landelijk gebruikelijk zoals de voorzieningenrechter oordeelde. Als voorbeeld worden overgelegd (…).”
Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 (2015), nr. 191, en recent HR 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:196, RvdW 2016/240, rov. 3.3.3.
Hert gaat hier om de Kwaliteitswet zorginstellingen. Zie over die wet nader hierna onder 2.15.
Ik teken daarbij aan dat de voorzieningenrechter de bezwaren van HDT-Oost reëel achtte (zie het vonnis van de voorzieningenrechter rov. 5.7). Vgl. voorts vzr. rechtbank Leeuwarden 16 maart 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BP8008, rov. 4.10.
AbRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:936, JB 2016/104 m.nt. J.A.F. Peters.
Dat [verweerder] de ANW-diensten graag wil verrichten in de nabijheid van zijn werklocatie Enschede (zie schriftelijke toelichting zijdens [verweerder] onder 37) doet daaraan niet af.
Zie de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), hoofdstuk VII.
Bedoeld is de Kwaliteitswet zorginstellingen, Stb. 1996, 80, die inmiddels is ingetrokken bij de (deels) op 1 januari 2016 in werking getreden Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Stb. 2015, 407 (zie voor de gefaseerde inwerkingtreding Stb. 2015, 525).
Zie van de Kwaliteitswet zorginstellingen in het bijzonder art. 2 lid 1 (“De zorgaanbieder biedt verantwoorde zorg aan. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de patiënt.”) en art. 3 (“De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg. (…)”).
De benadering van het hof doet denken aan de mededingingsrechtelijke leer van de “essential facilities”. Die leer houdt onder meer in dat een onderneming aanspraak kan maken op toegang tot de netwerkinfrastructuur van een monopolist, indien die toegang (objectief) onmisbaar is voor de ontplooiing van haar eigen activiteiten.
Het cassatiemiddel noemt per abuis rov. 5.13.
De datum ontleen ik aan de uitspraak van het CTG, p. 6 (prod. 5 bij de inleidende dagvaarding).
Zie (de onbestreden) rov. 3.4 en 3.7 van het arrest.
Beroepschrift 25‑11‑2015
HERSTELEXPLOOT
Dossiernummer: 90021283/sju
Vandaag de [Vijfentwintigste november] tweeduizendvijftien;
Heb ik,
[Ilona Francisca Theresia van Dam als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Arnoldus Johannes Antonius Eliens, gerechtsdeurwaarder gevestigd te Haarlem en aldaar kantoorhoudende aan de Robertus Nurksweg 13–15,]
Ten verzoeke van de coöperatie Coöperatieve Huisartsendienst Twente-Oost U.A. gevestigd te Enschede, hierna te noemen ‘HDT-OOST’, te dezer zake woonplaats kiezende te (6523 RN) Nijmegen aan de Molenveldlaan 162 ten kantore van mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad, die als zodanig aangewezen wordt door mijn verzoekster om haar te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
Ter rectificatie doch onder uitdrukkelijke instandhouding van de door A. Brouwer, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder te Gouda op 22 september 2015 betekende cassatiedagvaarding;
AAN:
[geïntimeerde], wonende te [woonplaats], hierna te noemen ‘[geïntimeerde]’, die in vorige instantie van dit geding woonplaats gekozen heeft bij zijn advocaat mr. C. Velink, kantoorhoudende te (1015 AE) Amsterdam aan de Singel 120-1-hoog, op de voet van art. 63 Rv aan die gekozen woonplaats mijn exploot doende en afschrift dezes alsmede van na te melden cassatiedagvaarding latende aan:
[Mw. mr. Velink in persoon]
1eAANGEZEGD:
dat [geïntimeerde] voornoemd bij exploot op 22 september 2015 door A. Brouwer, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder te Gouda is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad op 2 oktober 2015;
dat gedaagde op voornoemde terechtzitting niet is verschenen;
dat het exploot van cassatiedagvaarding een ‘vorm’gebrek bevatte doordat op voormeld exploot de vermelding ontbreekt van de hoedanigheid van degene aan wie het is aangereikt ex. Artikel 45 lid 3 sub e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
dat de Hoge Raad bij rolbeschikking d.d. 13 november 2015 heeft bepaald dat deze zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle van vrijdag 27 november 2015, teneinde HDT-OOST in de gelegenheid te stellen [geïntimeerde] voornoemd tegen die zitting op te roepen met herstel van het ‘vorm’verzuim;
dat HDT-OOST alsnog het ‘vorm’verzuim herstelt door [geïntimeerde] voornoemd opnieuw middels dit exploot op te roepen en dat de kosten dezes voor rekening van mij, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder komen;
2e Voorts heb ik, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder,
BETEKEND:
Een afschrift van het door A. Brouwer, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder te Gouda d.d. 22 september 2015 aan [geïntimeerde] voornoemd uitgebrachte exploot van cassatie dagvaarding (behoudens eventuele aangehechte producties);
3e Tenslotte heb ik, (t.k.-) gerechtsdeurwaarder, [geïntimeerde] voornoemd,
OPGEROEPEN:
om op vrijdag de vierde december tweeduizendenvijftien des voormiddags om 10.00 uur te verschijnen niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad te verschijnen ter terechtzitting van de Hoger Raad der Nederlanden, alsdan zitting houdende in haar gebouw te Den Haag aan de Kazernestraat 52
TENEINDE:
te horen eis doen en concluderen zoals en op de gronden zoals in het bij deze in afschrift betekende exploot van dagvaarding is beschreven;
De kosten dezes zijn nihil.
(t.k.-) gerechtsdeurwaarder
Beroepschrift 22‑09‑2015
CASSATIEDAGVAARDING
Heden, dinsdag [de tweeëntwintigste] (22) september tweeduizendenvijftien (2015), ten verzoeke van de coöperatie COÖPERATIEVE HUISARTSENDIENST TWENTE-OOST U.A. (hierna: ‘HDT-OOST’), gevestigd te Enschede, te dezer zake woonplaats kiezende aan de Molenveldlaan 162 (6523 RN) te Nijmegen ten kantore van mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad, die als zodanig aangewezen wordt door mijn verzoekster om haar te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie
heb ik,
[Anthony Brouwer als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Johan George Willemstein, gerechtsdeurwaarder gevestigd te Gouda en aldaar kantoorhoudende aan de Harderwijkweg 5,]
AAN
[verweerder] (hierna: ‘[verweerder]’), wonende te [woonplaats], die in de vorige instantie van dit geding woonplaats gekozen heeft bij zijn advocaat mr. C. Velink, kantoorhoudende aan de Singel 120-1-hoog (1015 AE) te Amsterdam, op de voet van art. 63 Rv aan die gekozen woonplaats mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan: [Mevrouw. Mr. A.C. de DIE]
[voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.]
AANGEZEGD
- 1e)
dat HDT-Oost hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (afdeling civiel recht, tweede kamer), op 28 juli 2015 onder zaaknummer HD 200.154.833 in kort geding gewezen tussen [verweerder] als appellant en HDT-Oost als geïntimeerde;
- 2e)
dat indien [verweerder], verweerder in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, het recht van [verweerder] om verweer in cassatie te voeren en om van zijn zijde in cassatie te komen vervalt;
- 3e)
dat bij verschijning in het geding van [verweerder] een griffierecht geheven zal worden, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;
- 4e)
dat de hoogte van de griffierechten vermeld is in de meest recente bijlage behorend bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer te vinden is op de website: www.kbvg.nl/griffierechtentabel; en
- 5e)
dat van een persoon die onvermogend is een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden geheven wordt, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht geheven wondt overlegd heeft:
- (i)
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem toe te rekenen zijn, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- (ii)
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.
Voorts heb ik deurwaarder, geheel exploiterende als voormeld met domiciliekeuze en advocaatstelling, [verweerder]
GEDAGVAARD
om op vrijdag twee (2) oktober tweeduizendenvijftien (2015), des voormiddags te 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad, alsdan zitting houdende in zijn gebouw aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage,
TENEINDE
alsdan bij conclusie te antwoorden op de hierna (onder het hoofdje ‘MITSDIEN’) geformuleerde eis, welke eis gebaseerd is op het tegen voormeld arrest door HDT-Oost gerichte
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof overwogen en beslist heeft zoals in zijn arrest vervat is, zulks ten onrechte, om de navolgende, mede in hun onderling verband en samenhang te beschouwen redenen;
Kernklachten resp. Enkele klachten in kort bestek
Ten onrechte toetst het hof niet aan de hand van de maatstaf misbruik van recht (art. 3:13 BW) de — op gerede twijfel aan de kwaliteit van [verweerder] om op verantwoorde basis acute zorg te verlenen gebaseerde — weigering van HDT-Oost om [verweerder], die als huisarts zònder eigen praktijk geen lid is van deze coöperatie en (aldus voor HDT-Oost een derde is) als extern waarnemer voor avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-diensten) toe te laten (onderdeel 2), althans toetst het hof deze weigering (veel) te indringend (onderdeel 3) althans is (reeds ‘los’ daarvan) 's hofs oordeelsvorming onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, gezien al hetgeen waarover dit middel klaagt (onderdelen 1 t/m 10).
Zo (bijvoorbeeld) heeft het zijn taak als appèlrechter en met name de positieve devolutieve werking van het hoger beroep miskend (onderdeel 1). Bij het dictum van het op 11 juli 2014 gewezen vonnis van de Almelose voorzieningenrechter is HDT-Oost als gedaagde volledig in het gelijk gesteld, want afgewezen is hetgeen [verweerder] geëist heeft. In dit vonnis is de Almelose voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat vast zou staan dat HDT-Oost acute zorg zou verlenen vanuit de huisartsenposten Enschede, Oldenzaal en Hengelo. Nadat [verweerder] tegen dit vonnis geappelleerd had, heeft HDT-Oost niet (voorwaardelijk) incidenteel geappelleerd en daarmee niet gegriefd tegen dit oordeel Het hof komt in rov. 3.2 eveneens tot dit oordeel, ofschoon HDT-Oost in MvA-§ 3.1 nu juist de stelling betrokken heeft dat zij deze zorg uitsluitend verleent van de huisartsenposten Enschede en Oldenzaal. Het hof heeft met dit oordeel de positieve devolutieve werking miskend, omdat HDT-Oost niet hoefde te grieven tegen dit vonnis en dat oordeel van de voorzieningenrechter teneinde daarmee te voorkómen dat in appèl vast zou staan dat HDT-Oost ook een huisartsenpost heeft te Hengelo. Bovendien is dat oordeel van het hof onbegrijpelijk, gezien die stelling in MvA-§ 3.1 (onderdeel 6, subonderdeel 6.1). Deze beide klachten vitiëren tevens zowel 's hofs oordeel in rov. 4.6 dat [verweerder] zich onbetwist beroepen zou hebben op de ‘unieke positie’ van HDT-Oost in het gebied Twente-Oost, ‘van waaruit zij op drie locaties de zorg {…} organiseert: de huisartsenpost Enschede, huisartsenpost Oldenzaal, en de huisartsenpost Hengelo.’, als 's hofs mede op deze ‘unieke positie’ gebaseerde oordeel in rov. 4.11 dat de belangen van [verweerder] bij toelating tot de betreffende faciliteit ‘essentieel’ voor het behoud van zijn registratie als huisarts zouden zijn (onderdeel 6, subonderdeel 6.2), op welk oordeel weer mede en bovendien met name berust 's hofs oordeel in rov. 4.12 dat HDT-Oost ‘Onder die omstandigheden’ rechtens niet volledig vrij zou zijn in haar keuze in verband met de registratie van huisartsen (die niet tevens praktijkhouder zijn), maar dat zij de belangen van [verweerder] in haar afweging ter zake diende te betrekken, welk oordeel ook ‘los’ daarvan onjuist of ontoereikend gemotiveerd is (onderdeel 4).
Naast en afgezien van de in de vorige alinea geëxpliciteerde klachten, is het ‘al met al onrechtmatig’-oordeel in rov. 4.16 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, gezien hetgeen waarover dit middel eveneens klaagt. Zo (bijvoorbeeld) valt niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom, zoals geoordeeld in rov. 4.12, HDT-Oost bij de door haar te maken belangenafweging het ‘groot gewicht’ toe zou moeten kennen aan het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: ‘CTG’) (onderdeel 5). Zo ook is onbegrijpelijk 's hofs oordeel in rov. 4.11 dat de onderbouwing door HDT-Oost van haar stelling dat [verweerder] in heel Nederland kan waarnemen (slechts) ‘van theoretische aard’ zou zijn (onderdeel 6, subonderdeel 6.3).
1. Miskenningen taak appèlrechter en/of devolutieve werking appèl (rov. 3.1, rovv. 3.2 en 4.6, rov. 3.3, en rov. 4.15)
1.1. Huisartsenpost Hengelo is niet van HDT-Oost
Het hof heeft miskend zijn taak als appèlrechter en/of resp. met name de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof heeft aan het gegeven dat HDT-Oost niet (voorwaardelijk) incidenteel geappelleerd heeft en geen grief gericht heeft tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 2.1 van het vonnis van 11 juli 2014 dat HDT-Oost ‘drie’ locaties zou hebben van waaruit de in deze rov. 2.1 vermelde zorg plaats zou vinden en dat het bij deze locaties zou gaan om de huisartsenposten Enschede en Oldenzaal alsmede ‘de huisartsenpost Hengelo.’ (klaarblijkelijk) de consequentie verbonden dat, zoals het hof oordeelt in rovv. 3.2 en 4.6, in hoger beroep vast zou staan dat de huisartsenpost Hengelo ook van HDT-Oost zou zijn resp. dat zij ook vanuit deze huisartsenpost zorg zou verlenen. Omdat HDT-Oost, geïntimeerde en oorspronkelijk gedaagde, bij het dictum (‘I. Wijst de vordering af; {…}’) van dit vonnis volledig in het gelijk gesteld is, had zij geen enkele reden om tegen dit vonnis te appelleren en tegen dat oordeel van de voorzieningenrechter te appelleren, terwijl hetgeen zij intussen gesteld heeft in MvA-§ 3.1
(onderstreping toegevoegd: ‘HDT-Oost is in 2000 opgericht. Haar kerntaak is het organiseren van acute huisartsenzorg tijdens avonden, nachten, weekenden en feestdagen voor patiënten van degenen die als lid bij de coöperatie zijn ingeschreven en alle daarmee direct of indirect verband houdende activiteiten; alsmede het verlenen van alle overige diensten ter ondersteuning van de praktijkvoering van huisartsen. HDT-Oost verleent acute huisartsenzorg vanuit twee huisartsen-oosten in Enschede en Oldenzaal. Daarmee worden de gemeenten Enschede, Haaksbergen, Losser-Overdinkel, Oldenzaal en Dinkelland bediend. Het werkgebied beslaat ruim 270.000 mensen. De zorgverlening aan patiënten die elders in Overijssel wonen vindt vanuit andere huisartsenposten (niet van HDT-Oost) plaats.’)
zich niet anders laat verstaan, dan dat slechts vanuit twee huisartsenposten in Enschede en Oldenzaal — en niet ook vanuit de huisartsenpost Hengelo — die zorg door HDT-Oost verleend wordt, zodat het hof die consequentie niet, laat staan zonder méér, aan dit niet incidenteel appelleren en niet grieven door HDT-Oost verbinden mocht, waaraan niet, laat staan reeds op zichzelf, afdoet dat HDT-Oost in de eerste aanleg van dit kort geding niet (expliciet) gesteld heeft wat zij nadien wèl in MvA-§ 3.1 gesteld heeft, want het belangrijkste punt van de devolutieve werking ten gunste van geïntimeerde is nu juist dat deze slechts incidenteel hoeft te appelleren als hij het dictum van het vonnis van de eerste rechter gewijzigd wil zien.1.
1.2. Huisartsen zonder eigen praktijk kunnen geen lid worden van HDT-Oost
Indien en voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 3.3 dat ‘huisartsen’ lid kunnen worden van HDT-Oost tevens tot het oordeel gekomen is dat huisartsen dit lidmaatschap verkrijgen kunnen zónder dat zij een eigen praktijk hebben en dit oordeel (mede) berust op het gegeven dat
HDT-Oost niet (voorwaardelijk) incidenteel geappelleerd heeft en geen grief gericht heeft tegen het ongeclausuleerde oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 2.2 van het vonnis van 11 juli 2014 dat ‘huisartsen’ lid zouden kunnen worden van de coöperatieve vereniging HDT-Oost, heeft het eveneens de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. In eerste aanleg namelijk heeft HDT-Oost gesteld
- —
dat zij (alleen) ‘met huisartsen (…) die een eigen praktijk hebben’ binnen het werkgebied van de post een aansluitovereenkomst hebben (Pleitnotities-§ 2.21);
- —
dat [verweerder] geen enkele grond heeft om als praktijkhouder of als lid toegelaten te worden tot HDT-Oost en aansluitend gesteld: ‘Om lid te kunnen worden moet hij een eigen praktijk hebben. Dit volgt onder meer uit artikel 2 sub d van de Statuten die het begrip huisarts als volgt definieert: ‘een als huisarts geregistreerde arts die zijn praktijk uitoefent vanuit een gemeente die onder het werkgebied valt’ (onderstreping advocaat).’ (Pleitnotities-§ 3.7); en
- —
dat ‘[verweerder] geen eigen praktijk heeft’ alsmede: ‘Hij werkt in dienstverband of op basis van een opdracht voor Medisch Centrum UT Twente. Op grond daarvan kan hij echter geen lid worden van HDT-Oost.’ (Pleitnotities-§ 3.8).
Reeds gezien de positieve devolutieve werking had het hof derhalve niet het vonnis mogen vernietigen zonder eerst (in het kader van de tweede fase van het hoger beroep) alle stellingen en weren van HDT-Oost in de eerste aanleg die de voorzieningenrechter verworpen of onbehandeld gelaten heeft te beoordelen voor zover deze in elk geval door gegrondbevinding van een grief van appellant [verweerder] relevant werden.2.
Zulks klemt temeer resp. althans, omdat HDT-Oost ook in hoger beroep gesteld heeft dat voor toetreding van een huisarts als lid nodig is dat deze huisarts een eigen praktijk heeft (MvA-§§ 3.3 en 3.5), zodat, mutatis mutandis, hetgeen waarover in het vorige subonderdeel klaagt ook hier geldt.
1.3. ‘Regeling acceptatie waarnemers’ van HDT-Oost is landelijk gebruikelijk
1.3.1
Met zijn beslissing in rov. 4.15 dat de hierin vermelde ‘Regeling acceptatie waarnemers’ het hof niet tot een ander oordeel leidt miskent het hof de negatieve devolutieve werking van het hoger beroep, want [verweerder] heeft niet gegriefd tegen
- —
ten eerste het oordeel in rov. 5.8 van het in de eerste aanleg van dit geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter dat een degelijke regeling voor de toelating van waarnemers tegenwoordig landelijk gebruikelijk is; en
- —
ten tweede het oordeel in deze rov. 5.8 dat HDT-Oost gesteld heeft dat zo'n regeling tegenwoordig landelijk gebruikelijk is,
zodat in appèl vaststaat resp. uitgangspunt is zowel dat een dergelijke regeling voor de toelating van waarnemers tegenwoordig landelijk gebruikelijk is, zoals HDT-Oost dit (in eerste aanleg zo) gesteld heeft.
1.3.2
Omdat in hoger beroep uitgangspunt is dat HDT-Oost in eerste aanleg de stelling betrokken heeft dat een dergelijke regeling (de bij HDT-Oost ingevoerde ‘Regeling acceptatie waarnemers’) tegenwoordig landelijk gebruikelijk dan toch minst genomen niet ongebruikelijk is, heeft het hof zijn taak als appèlrechter miskend door (in het kader van zijn oordeelsvorming in rov. 4.15) niet te responderen op deze stelling resp. deze stelling van HDT-Oost onbehandeld te laten; ook indien het hier als zodanig niet om de positieve devolutieve werking van het hoger beroep gaat, om de reden dat deze stelling van HDT-Oost niet te kwalificeren is als een door de voorzieningenrechter niet behandelde of verworpen stelling,3. is ofwel door het hof ten onrechte nagelaten om te expliciteren waarom deze stelling niet relevant zou zijn, ofwel sprake van een omissie van het hof die bestaat in het (dan kennelijk) over het hoofd zien van deze stelling.
1.4. [verweerder]s ‘laatste kans’ èn publicatie CTG-uitspraak: algemeen belang
Indien en voor zover het hof met zijn beslissing/oordeel in rov. 3.1 om ‘in hoger beroep {…} van de volgende feiten’ uit te gaan beslist/geoordeeld heeft dat het in hoger beroep niet uitgaat van de feiten zoals deze ‘ongegriefd’ vastgesteld zijn in rov. 2 (‘De feiten’) — rovv. 2.1 t/m 2.7 — van het vonnis van de voorzieningenrechter, miskent het hof de negatieve devolutieve werking. Hierbij gaat het met name om de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten die niet vermeld zijn in rov. 3 (‘De vaststaande feiten’) van het arrest a quo, nl. de in dit vonnis vastgestelde feiten
- —
dat de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 tevens inhoudt (onderstreping toegevoegd): ‘Voorts wil het Centraal Tuchtcollege met deze maatregel tot uitdrukking brengen dat de huisarts een laatste kans wordt gegund.’; en
- —
dat deze uitspraak ook inhoudt (onderstreping toegevoegd): ‘ Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal het Centraal Tuchtcollege publicatie van deze beslissing gelasten.’
1.5
Hetgeen waarover dit onderdeel klaagt, vitieert (tevens) hetgeen, althans grotendeels, waarover de volgende onderdelen klagen.
2. Miskenning of verkeerde toepassing van misbruik van bevoegdheid-maatstaf (rov. 4.16)
2.1
Met zijn (‘voorlopig’) oordeel in rov. 4.16 dat al met al de weigering van HDT-Oost om [verweerder] als extern waarnemer te accepteren onrechtmatig is jegens [verweerder] wegens strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht (resp. in de woorden van het hof: strijd met de zorgvuldigheid die) in het maatschappelijk verkeer betaamt, miskent het hof dat HDT-Oost slechts onrechtmatig handelt, indien zij met deze weigering misbruik van bevoegdheid maakt (art. 3:13 BW); dit bijvoorbeeld doordat HDT-Oost tot deze weigering zou komen met geen ander doel dan [verweerder] te schaden of naar redelijkheid niet tot deze weigering had kunnen komen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van HDT-Oost die er zou zijn bij deze weigering en hel belang (van [verweerder]) dat daardoor geschaad zou worden.
Immers, reeds in het algemeen mag een persoon — natuurlijk persoon of rechtspersoon — er, althans in beginsel, om hem moverende redenen voor kiezen om een aan hem gedaan verzoek van een andere persoon dat ertoe strekt dat aan deze een gunst verleend wordt niet in te willigen of om zelfs überhaupt niet te reageren op dat verzoek; het betreft de eigen, soevereine ruimte die een rechtssubject heeft (partijautonomie) en een niet-inwilliging van een verzoek hoeft evenals een inwilliging niet, althans in beginsel niet, gepaard te gaan met een motivering. Waar niet-inwilliging van een verzoek een onrechtmatige daad impliceert, gaal het ofwel om exceptionele resp. (hoogst) bijzondere omstandigheden, waaronder niet-inwilliging van het verzoek misbruik van bevoegdheid of (kort gezegd) ‘iets soortgelijks’ impliceert; hierbij zij dan (met name) gedacht aan ofwel het verzoek om hulp dat gedaan wordt onder omstandigheden waarin niet-helpen de overtreding van art. 450 Sr oplevert, ofwel om een verzoek dat er bijvoorbeeld slechts toe strekt dat degene aan wie het verzoek (‘reactief verzoek’) gedaan is ophoudt met het veroorzaken van geluids- of stankoverlast. Zo is (bijvoorbeeld) niet-inwilliging van een verzoek dat ertoe strekt dat met de verzoeker gecontracteerd wordt in beginsel niet onrechtmatig en zijn gevallen van contractdwang die niet op een wet (in formele zin) berusten, gelukkig, hoge uitzondering.
Het hof heeft niet alleen dit alles (vorige alinea) miskend, doch tevens miskend, huiselijk gezegd, dat het niet op de stoel mag gaan zitten van de geneesheer, laat staan op de stoel van een geneesheer die nu juist structureel acute zorg verleent) resp. van een organisatie als HDT-Oost, die als private rechtspersoon (dus: coöperatie) deze zorg verleent als huisartsenstructuurorganisatie vanuit Enschede en Oldenzaal, vanuit een huisartsenpost in deze beide gemeenten, en die de verantwoordelijkheid heeft in de zin van de Kwaliteitswet. Het hof heeft met name miskend dat (mede gezien de vorige alinea van dit subonderdeel) het de misbruik van bevoegdheid-maatstaf moet hanteren ter beantwoording van de vraag of HDT-Oost gehouden is om te accepteren als extern waarnemer [verweerder], die huisarts is en die überhaupt geen eigen praktijk heeft (dus: huisarts is die — kort gezegd — ‘slechts’ werknemer of opdrachtnemer is van een andere huisarts die, anders dan [verweerder], wèl een eigen praktijk heeft, die, wederom anders dan [verweerder], een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan is met de bij deze praktijk ingeschreven patiënten, en die, eveneens anders dan [verweerder], ervoor moet zorgen dat er voor deze patiënten 's avonds, 's nachts en in het weekend acute zorgverlening is4.), laat staan dat [verweerder] een eigen praktijk heeft in het adherentiegebied van HDT-Oost. Ter nadere bepaling van de gedachten (en met name om te dezen het contrast te schetsen) zij hier geciteerd uit hetgeen de advocaat van HDT-Oost, mr. dr. L.A.P. Arends, het hof voorgehouden heeft blijkens het Proces-Verbaal van pleidooi-blz. 4, punt 6 (onderstreping toegevoegd):
‘Het zou anders zijn als [verweerder] een eigen praktijk zou hebben. Dan zou HDT-Oost moeten uitleggen en verantwoorden op basis van kwalitatieve selectiecriteria waarom [verweerder] niet als waarnemer mag worden aangenomen. HDT-Oost moet ervoor waken dat iemand wordt toegelaten op objectieve rechtvaardige gronden. [verweerder] biedt diensten aan bij een praktijk, hij biedt ze niet rechtstreeks aan patiënten aan. Als iemand in loondienst is, dan wordt er ook geen eigen aansluitovereenkomst gesloten. De praktijk waar diegene bij zit, heeft dat al.’,
waarbij (uiteraard) van belang is dat geen van partijen gesteld heeft en het hof ook niet vastgesteld heeft dat er naast HDT-Oost nog een andere huisartsenstructuurorganisatie zou zijn die vanuit Enschede en/of Oldenzaal vanuit een huisartsenpost acute zorg zou verlenen. Omdat [verweerder], geheel ànders dan bijvoorbeeld een huisarts met een eigen praktijk in Oldenzaal en de hieraan inherente verplichting om ervoor te zorgen dat er 's avonds, 's nachts en in het weekend acute zorg is voor patiënten van deze praktijk, een dergelijke verplichting niet heeft, diende het hof de misbruik van bevoegdheid-maatstaf te hanteren. Hieraan doet niet, laat staan zonder méér, af
- —
noch dat [verweerder] voor het behoud van zijn BIG-registratie ANW-diensten moet verrichten, reeds omdat [verweerder] dit overal doen kan, in heel Nederland, en dit bovendien zelfs op locaties die nu juist dichterbij zijn woonplaats [a-plaats] gesitueerd zijn dan op de locaties van HDT-Oost in Enschede en Oldenzaal5. — het is precies zoals voor HDT-Oost verwoord is in de Pleitnotities in eerste aanleg-§ 5.3: ‘Hij [[verweerder], adv. (JHMvS)] is dus helemaal niet aan HDT-Oost gebonden.’-;
- —
noch dat [verweerder] in zijn interne relatie met zijn opdrachtgeefster MCCUT ervoor moet zorgen dat (enkel) aan deze (dus: MCCUT) toebedeelde waarnemingsdiensten verricht worden, welke diensten [verweerder] intussen echter überhaupt niet zélf hoeft te verrichten, omdat het in deze interne relatie voldoende is dat [verweerder] ervoor zorgt dat externe waarnemers deze diensten verrichten ('s hofs rov. 4.8) — het is zoals gesteld is in MvA-§ 7.1: ‘De verhoudingen tussen [verweerder] en MCCUT zijn een zaak tussen deze praktijk en [verweerder].’-,
want dat iemand ([verweerder]) die een ander (HDT-Oost) een verzoek doet om hem een gunst te verlenen (mogelijk) belang heeft bij inwilliging van dit verzoek impliceert niet, laat staan zonder méér, dat ‘dus’ de misbruik van bevoegdheid-maatstaf niet gehanteerd zou moeten worden; immers, anders zou art. 3:13 BW geen of nog slechts weinig praktische relevantie hebben (want iemand die een ander iets verzoekt, heeft meestal wel een, althans subjectief, belang bij inwilliging ervan en bovendien laat een belang zich vaak wel ‘construeren’).
2.2
Althans, indien en voor zover het hof de misbruik van bevoegdheid-maatstaf wèl toegepast zou hebben (resp. beoogd zou hebben om deze maatstaf toe te passen), heeft het hof deze maatstaf verkeerd toegepast en/of deze toepassing ontoereikend gemotiveerd.
2.2.1
Is het hof tot het oordeel gekomen is dat HDT-Oost tot de litigieuze weigering zou zijn gekomen met geen ander doel dan [verweerder] te schaden, dan is dit oordeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, gezien de feiten waarop het ‘al met al’-oordeel in rov. 4.16 berust (non sequitur).
2.2.2
Is het hof tot het oordeel gekomen dat HDT-Oost in redelijkheid niet tot deze weigering zou hebben kunnen komen, in aanmerking nemende een volgens het hof bestaande onevenredigheid tussen het belang van HDT-Oost bij deze weigering en het belang dat daardoor geschaad zou worden, dan is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
A.
Zoals het hof expliciteert, heeft HDT-Oost zich, behalve op haar keuzevrijheid, er nu juist (met name) op beroepen:
- a.
dat zij op grond van de Kwaliteitswet de verplichting heeft om ervoor te zorgen dat de personen die zij inzet bij de zorgverlening voldoende kwaliteit kunnen leveren voor een veilige en verantwoorde zorg (rov. 4.10, 1ste al.);
- b.
dat zij in het geval van [verweerder] dienaangaande gerede twijfel heeft, gezien zowel [verweerder]s verleden, waarbij het hof onmiskenbaar doelt op de stelling van HDT-Oost aangaande [verweerder]s lange voorgeschiedenis van disfunctioneren in MvA-§ 3.12, waarin verwezen wordt naar de betreffende stellingen van HDT-Oost in de Pleitnotities in eerste aanleg (§ 2: §§ 2.1 t/m 2.28), als de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 — doelt het hof niet op al deze stellingen, dan is dat onbegrijpelijk — (rov. 4.10, 1ste al.);
- c.
dat zij daarom, bij het grote aanbod dat HDT-Oost aan externe waarnemers heeft, de voorkeur geeft aan inschakeling van huisartsen als waarnemer in wie zij dat vertrouwen wèl heeft (rov. 4.10, 1ste al.); en
- d.
dat [verweerder] nu juist in heel Nederland waarnemen kan6. en dat de herregistratie van [verweerder] in verband met de door hem te verrichten ANW-diensten nu eenmaal niet de verantwoordelijkheid van HDT-Oost is (rov. 4.10, 2de al.).
Reeds gezien deze essentiële stellingen (letters a t/m d) en hetgeen hiervóór in subonderdeel 2.1 aangevoerd is, valt niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom HDT-Oost in redelijkheid niet tot de litigieuze weigering zou hebben kunnen komen, in aanmerking nemende een onevenredigheid die er zou zijn tussen het belang van HDT-Oost bij deze weigering en het belang dat daardoor geschaad zou worden. Dit geldt a fortiori, omdat deze gerede twijfel minst genomen alleszins begrijpelijk is, gezien de hiervóór bij letter b vermelde stellingen van HDT-Oost (dus: Pleitnotities in eerste aanleg-§§ 2.1 t/m 2.287. en MvA-§ 3.12). Hieraan doet niet, laat staan zonder méér, af dat in de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 naar 's hofs vaststelling in rov. 4.12 geoordeeld is zowel dat [verweerder] in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zijn houding zodanig kan bijstellen dat het ‘niet onverantwoord’ is hem zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten, als dat [verweerder] verbetering heeft laten zien in zijn functioneren en de kans dient te krijgen de ingeslagen weg voort te zetten, want
- —
ten eerste heeft het hof nu eenmaal niet vastgesteld dat deze uitspraak deze gerede twijfel bij HDT-Oost weggenomen zou hebben en het ligt het ook niet voor de hand dat dit het geval zou zijn, integendeel, want het hof heeft nu juist vastgesteld in rov. 4.10 dat HDT-Oost (stelt dat zij) deze gerede twijfel (‘ondanks’ deze CTG-uitspraak nog immer) hééft;
- —
ten tweede stelt het hof vast (rov. 3.8) dat [verweerder] nu juist de door het CTG passend en geboden zware maatregel, van een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden opgelegd gekregen heeft met als voorwaarde dat [verweerder] zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder psychotherapeutische behandeling blijft stellen, terwijl hier ook van belang is de essentiële stelling van HDT-Oost, op welke stelling het hof ten onrechte niet (laat staan expliciet) gerespondeerd heeft, dat het CTG bij de aan [verweerder] opgelegde proeftijd van twee jaar tévens als voorwaarde gesteld heeft zowel dat de psychotherapeutische behandeling plaatsvindt met een frequentie van ten minste eenmaal per maand,8. als een halfjaarlijkse schriftelijke verklaring van [verweerder] die mede is ondertekend door de psychotherapeut dat [verweerder] nog in behandeling is met opgave van aard en frequentie;9.
- —
ten derde — dit feit wordt evenmin (expliciet) vermeld in 's hofs arrest — heeft het CTG, zoals HDT-Oost gesteld heeft (zie: subonderdeel 1.4), in zijn uitspraak niet alleen met zoveel woorden
- (1)
vermeld dat het met deze maatregel tot uitdrukking brengt dat [verweerder] een ‘laatste kans’ (I) gegund wordt; doch ook
- (2)
beslist dat om redenen aan het algemeen belang ontleend (l) het CTG publicatie van zijn beslissing gelasten zal, tot welk gelasten het CTG uiteraard niet overgegaan zou zijn indien het niet zou hebben geoordeeld dat het voor het publiek, met name potentiële patiënten van [verweerder] als huisarts en daarmee ook als verlener van acute zorg, van belang is om door deze publicatie te kunnen weten dat er — kort gezegd — ‘iets mis’ is met [verweerder]; en
- —
ten vierde valt niet, laat staan reeds op zichzelf, in te zien waarom het gegeven dat het CTG oordeelt dat [verweerder] die kans moet hebben ‘dus’ zou impliceren dat uitgerekend HDT-Oost, hem deze kans zou moeten bieden, ondanks haar minst genomen alleszins gerede twijfel, waarbij niet alleen van belang is dat [verweerder] volgens het CTG ‘verbetering’ heeft laten zien — wat die verbetering volgens het CTG nu eigenlijk precies om het lijf heeft resp. voorstelt, wordt uit 's hofs arrest en de uitspraak van het CTG niet duidelijk — op zichzelf maar bar weinig zegt, temeer (weer) in het licht van al hetgeen HDT-Oost aan deze gerede twijfel ten grondslag gelegd heeft (Pleitnotities in eerste aanleg §§ 2.1 t/m 2.28 en MvA-§ 3.12).10.
Indien en voor zover het hof tot het oordeel gekomen is dat de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 wèl, in enig opzicht of enige opzichten, af zou doen aan deze gerede twijfel, dan is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
Bovendien impliceert de stelling van HDT-Oost (hiervóór genoemd bij letter c) dat zij, gezien het grote aanbod dat zij aan externe waarnemers heeft, de voorkeur geeft aan inschakeling van huisartsen als waarnemer in wie zij wèl vertrouwen heeft sowieso (en al helemaal in combinatie met ‘ten eerste t/m ten vierde’ in de vorige alinea) dat van onevenredigheid in de zin van art 3:13 BW geen, althans in beginsel geen, sprake kan zijn.
B.
Bij dit alles komt al hetgeen waarover in het eerste onderdeel en de volgende onderdelen geklaagd wordt (dus: in verband en samenhang waarmee dit subonderdeel te lezen zij).
2.2.3
Is het hof gekomen tot het oordeel dat in casu om een andere reden sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid, dan is dit oordeel eveneens onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, gezien al hetgeen waarover dit middel ook klaagt.
3. Weigering om [verweerder] toe te laten niet in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (rov. 4.16)
3.1
Indien en voor zover ook buiten het geval van misbruik van bevoegdheid de weigering van HDT-Oost om [verweerder] als extern waarnemer te accep-teren wegens strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht (resp. strijd met de zorgvuldigheid die) in het maatschappelijk verkeer betaamt onrechtmatig zou kunnen zijn, is het ‘al met al onrechtmatig’-oordeel in rov. 4.16 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Immers, indien en voor zover de in onderdeel 2.1 vermelde redenen niet zouden impliceren dat het hof had moeten toetsen aan de hand van de misbruik van bevoegdheid-maatstaf, dan impliceren deze redenen minst genomen dat het hof (anderszins) door een te indringende toetsing tot dit oordeel gekomen is en aldus de eigen, soevereine beoordelingsruimte van HDT-Oost resp. de partijautonomie (te relateren aan de op haar rustende verantwoordelijkheid als bedoeld in de Kwaliteitswet) miskend resp. onvoldoende onderkend heeft. Het hof mag in het kader van de vraag of HDT-Oost onrechtmatig jegens [verweerder] handelt hooguit toetsen op een soortgelijke wijze als de bestuursrechter — al dan niet gecodificeerde algemene beginselen van bestuur, waaronder (dus) ook andere beginselen dan het verbod om misbruik van bevoegdheid te maken —, die niet op de stoel van de bestuurder mag zitten, zoals het hof niet op de stoel van (het bestuur van) een organisatie als HDT-Oost mag gaan zitten. Hoe dan ook mag het hof niet indringender (dan op die soortgelijke wijze) toetsen bij de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon als HDT-Oost door schending van de betamelijkheidsnorm onrechtmatig handelt jegens een huisarts zonder eigen praktijk als [verweerder].
3.2
Dit ‘al met al’-oordeel is in het licht van al hetgeen waarover dit middel klaagt (bovendien) onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat het hof met dit oordeel voortbouwt op de in de onderdelen 1, 2 (waaronder met name subonderdeel 2.2.2 onder ‘A.’, en 4 t/m 9 bestreden oordelen/beslissingen. Gezien al hetgeen HDT-Oost gesteld heeft als vermeld in dit middel en/of 's hofs arrest alsmede al hetgeen het hof vastgesteld ènniet vastgesteld heeft, is geen, laat staan zonder méér, sprake van onrechtmatig handelen door HDT-Oost jegens [verweerder]. Reeds gezien het allesbehalve ‘theoretische’ feit11. dat er in Overijssel en Gelderland (bijvoorbeeld Zutphen of Apeldoorn) alternatieven zijn voor [verweerder] om daar ANW-diensten te verrichten en bovendien sprake is van locaties dichterbij [verweerder]s woonplaats (dus: [a-plaats]), waaronder in elk geval reeds Almelo en Hengelo, valt niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom uitgerekend HDT-Oost als extern waarnemer zou moeten accepteren [verweerder], huisarts zonder eigen praktijk — laat staan dat hij een praktijk heeft in het adherentiegebied van HDT-Oost —, waarbij van belang is dat HDT-Oost die alleen huisartsenposten heeft in Enschede en Oldenzaal (dus: niet in Hengelo) en een groot aanbod heeft van andere huisartsen die bij haar aan de slag kunnen als extern waarnemer en in welke andere huisartsen HDT-Oost wèl vertrouwen heeft. Indien en voor zover het hof geoordeeld zou hebben dat [verweerder] — kort gezegd — bij geen van die alternatieven terecht zon kunnen en dat de reden hiervan (kennelijk) is dat ‘die hem niet (meer) moeten’, dan is dat een omstandigheid die HDT-Oost hoe dan ook nietaangaat (reeds omdat dit ‘niet moeten’ dan evident in [verweerder]s eigen sfeer ligt). Niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom HDT-Oost een persoon als extern waarnemer zou moeten accepteren, ofschoon zij minst genomen alleszins begrijpelijke gerede twijfel heeft omtrent de beantwoording van de vraag of het überhaupt verantwoord is om die persoon acute zorg te laten verlenen — het is zoals het voor HDT-Oost gesteld is in de Pleitnotities in eerste aanleg-§ 2.24: ‘Een huisartsenpost is geen proeftuin.’12. —, ofschoon zij aan deze persoon noch wettelijk, noch contractueel, ook maar iets verplicht is, en ofschoon zij al evenmin, laat staan gerechtvaardigd, op geen enkele wijze ook maar in enig relevant opzicht gerechtvaardigd vertrouwen bij deze persoon gewekt heeft.
4. Hoezo zou HDT-Oost onder ‘die omstandigheden’ rechtens ‘niet volledig vrij’ zijn in haar keuze? Te indringende toetsing (rov. 4.12)
Reeds om de in onderdeel 3 (en aldus mede om de in onderdeel 2 en hiervan in het bijzonder subonderdeel 2.2.2) vermelde redenen zijn onjuist en of ontoereikend gemotiveerd
- —
zowel 's hofs oordeel in rov. 4.12 dat HDT-Oost ‘Onder die omstandigheden’ rechtens niet volledig vrij zou zijn in haar keuze in verband met de registratie van huisartsen (die niet tevens praktijkhouder zijn), maar dat zij de belangen van [verweerder] in haar afweging ter zake diende te betrekken;
- —
als 's hofs hiermee geïmpliceerde oordeel dat HDT-Oost de belangen van [verweerder] niet of niet voldoende in haar afweging betrokken zou hebben,
indien en voor zover het hof met ‘niet volledig vrij’ iets anders beoogd heeft dan (in essentie) te oordelen dat HDT-Oost geen misbruik van bevoegdheid mag maken. Immers, deze omstandigheden kunnen deze oordelen niet — nl. noch afzonderlijk, noch tezamen — dragen, reeds omdat de door het hof in rov. 4.11 als vaststaand aangenomen omstandigheid dat [verweerder]s belangen bij toelating tot de betreffende faciliteit ‘essentieel’ zouden zijn voor het behoud van [verweerder]s registratie als huisarts, niet, laat staan zonder méér, impliceert dat HDT-Oost ‘niet volledig vrij’ zou rijn in haar keuze (of zij [verweerder] accepteert of weigert als extern waarnemer).
Zulks klemt temeer resp. althans om zowel de redenen vermeld in subonderdeel 2.2.2, als hetgeen waarover in onderdeel 1 alsmede de volgende onderdelen geklaagd wordt. Hierbij gaat het onder meer om het gegeven dat überhaupt niet te begrijpen is waaròm [verweerder]s belangen bij toelating tot de betreffende faciliteit ‘essentieel’ zouden zijn (onderdeel 6.1), reeds omdat de huisartsenpost Hengelo überhaupt niet van HDT-Oost is (subonderdelen 1.1 en 6.1) en omdat [verweerder] nu eenmaal bij in heel Nederland als extern waarnemer terecht kan en aldus niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom toelating tot ‘de betreffende faciliteit’ voor de belangen van [verweerder] essentieel zou zijn (subonderdeel 6.2).
5. Hoezo ‘groot gewicht’ toe te kennen aan het oordeel van het CTG? (rov. 4.12)
5.1
Gezien de in subonderdeel 2.2.2 vermelde redenen, is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs oordeel in rov. 4.11 (2e zin) dat ‘juist in dat verband’ aan het oordeel van het CTG ‘groot gewicht’ toe te kennen zou zijn. Dit klemt te meer resp. althans,
- —
omdat het, zoals het hof oordeelt (rov. 4.12), nu juist gaat om (onderstreping toegevoegd) ‘haar verantwoordelijkheid’ (dus: die van HDT-Oost) en bij de afweging die uiteindelijk HDT-Oost — en niet het CTG — moet maken de verantwoordelijkheid van HDT-Oost in de zin van de Kwaliteitswet nu juist ‘zwaar’ mag wegen, zoals het hof oordeelt (rov. 4.12, 2e zin); en
- —
omdat het hof niet vastgesteld heeft dat HDT-Oost in de tuchtrechtelijke procedure tegen [verweerder] die tot de uitspraak geleid heeft waarin het CTG dat oordeel gegeven heeft uiteengezet zou hebben om welke redenen zij gerede twijfel heeft over [verweerder]s kwaliteit om als externe waarnemer acute zorg te verlenen vanuit een tot HDT-Oost behorende huisartsenpost, welke vaststelling ook niet, laat staan zonder méér, voor de hand ligt, nu zo'n tuchtrechtelijke procedure geen actio popularis is — slechts voor direct belanghebbenden is daarbij een ‘rol’ weggelegd — en het hof geen feiten vastgesteld heeft waaruit (zelfs maar de mogelijkheid) zou kunnen volgen dat HDT-Oost in die tuchtprocedure direct belanghebbende zou (kunnen) zijn geweest.
5.2
Mede gezien de in het vorige subonderdeel vermelde redenen, miskent het hof dat het gegeven (kort gezegd) dat het volgens het CTG ‘niet onverantwoord’ is om [verweerder] zijn werkzaamheden als arts te laten voortzetten en [verweerder] een kans moet krijgen om de ingeslagen weg voort te zetten niet, laat staan zonder méér, impliceert of kan impliceren dat HDT-Oost aan het oordeel van het CTG ‘groot gewicht’ zou moeten toekennen, laat staan in het licht van [verweerder]s in rov. 4.10 vermelde ‘geschiedenis’ waarop HDT-Oost zich beroept en het feit waarvoor hem in de uitspraak van het CTG van 19 december 2013 die maatregel met voorwaarde (dus: therapeutische behandeling)opgelegd is. Zoals het hof zelf vaststelt, heeft HTG-Oost nu eenmaal die gerede twijfel, terwijl deze twijfel niet alleen minst genomen alleszins begrijpelijk is, maar ook niet, laat staan zonder méér, in te zien valt waarom het oordeel van het CTG als in hoger beroep oordelenede tuchtrechter in een procedure waarin een specifiek aan [verweerder] tuchtrechtelijk gemaakt verwijt centraal staat dermate zwaar zou wegen, dat er zo'n ‘groot gewicht’ aan toegekend zou moeten worden als volgens het hof het geval zou zijn.
5.3
Indien en voor zover het hof met zijn ‘groot gewicht’-oordeel tot (mede) uiting brengt dat HTG-Oost deze gerede twijfel niet zou behoren te hebben, is dit, gezien het voorgaande, niet alleen onbegrijpelijk, maar miskent het hof ook de mate van terughoudendheid die het heeft te betrachten bij het toetsen van de afweging die HDT-Oost — en niet het CTG — te dezen moet maken, nu de verantwoordelijkheid in de zin van de Kwaliteitswet rust op HDT-Oost en niet op het CTG.
5.4
Het hof motiveert ten onrechte niet, laat staan toereikend, waarom en in welk opzicht naar zijn oordeel in rov. 4.12 (laatste twee volzinnen) van belang zou zijn
- a.
dat HDT-Oost door haar afwijzende beslissing resp. weigering [verweerder] in belangrijke mate belemmert in de door het CTG bedoelde voortzetting van [verweerder]s werkzaamheden en kansen om de ingeslagen weg van verbetering in [verweerder]s functioneren voort te zetten; en
- b.
dat daarbij een rol zouden spelen niet alleen de voor herregistratie optredende problematiek, maar ook het in professioneel opzicht mogelijk te ondervinden isolement naast de overige door [verweerder] genoemde nadelen.
Immers, dat resp. ook als HDT-Oost ‘in belangrijke mate belemmert’, is nu eenmaal het gevolg van haar in essentie op haar in rov. 4.10 vermelde gerede twijfel gebaseerde keuze om [verweerder]s litigieuze verzoek af te wijzen (gecombineerd met het gestelde grote aanbod van externe waarnemers).
5.5
De klachten in subonderdelen 5.1 t/m 5.4 klemmen temeer resp. althans, in het licht van hetgeen in subonderdeel 2.2.2 aangevoerd wordt onder ‘A.’ (met name resp. althans om de bij ‘— ten eerste’ t/m ‘— ten vierde’ vermelde redenen).
6. Onbegrijpelijke oordelen die mede ‘dragend’ zijn voor 's hofs dictum
Hoezo ‘unieke positie’? Huisartsenpost Hengelo hoort niet bij HDT-Oost (rov. 4.6)
Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rov. 4.6 dat [verweerder] zich ‘onbetwist’ beroepen zou hebben op de ‘unieke positie’ van HDT-Oost in het gebied Twente-Oost, van waaruit zij op ‘drie locaties’ de zorg gedurende avonden, nachten en weekenden door middel van een waarneemregeling organiseert en dat het te dezen betreft de huisartsenpost Enschede, de huisartsenpost Oldenzaal ‘en de huisartsenpost Hengelo.’, gezien hetgeen HDT-Oost stelt in MvA-§ 3.1 (dus: geciteerd in subonderdeel 1.1).
Deze klacht vitieert (tevens) zowel hetgeen het hof in het kader van feitenvaststelling oordeelt in rov. 3.2 (‘drie locaties’ en ‘huisartsenpost Hengelo’), als hetgeen het hof voortbouwend oordeelt in rovv. 4.11 (‘essentieel’) en 4.12 (‘Onder die omstandigheden’) en voorts vèrder voortbouwend oordeelt in rovv. 4.13 t/m 4.16.
6.2. Hoezo toelating ‘essentieel’ voor [verweerder]s registratie als huisarts? (rov. 4.11)
6.2.1
Reeds gezien hetgeen waarover onderdeel 1 en subonderdeel 6.1 klagen, is onbegrijpelijk 's hofs oordeel in rov. 4.11 dat de belangen van [verweerder] bij toelating tot de betreffende faciliteit ‘essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts’ zouden zijn. Hetgeen HDT-Oost gesteld heeft (MvA-§ 3.1), laat zich immers niet anders verstaan, dan dat HDT-Oost geen acute zorg verleent aan patiënten die in de gemeente Hengelo wonen en dat de zorgverlening aan deze patiënten plaatsvindt vanuit een huisartsenpost (huisartsenpost Hengelo) die niet van HDT-Oost is, zodat (reeds daarom) niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom [verweerder]s belangen bij toelating tot uitgerekend de litigieuze resp. ‘de betreffende’ faciliteit essentieel voor het behoud van [verweerder]s registratie als huisarts zouden zijn. (Dat dat naar 's hof oordeel wèl essentieel zou zijn, berust op zijn onbegrijpelijke oordeel dat de huisartsenpost Hengelo ook van HDT-Oost zou zijn.)
6.2.2
Zulks klemt temeer resp. althans, omdat het hof in rov. 4.11 (in fine) oordeelt dat [verweerder] er belang bij zou hebben om de onderhavige werkzaamheden, ‘mede gelet op zijn woonplaats te [a-plaats] [onderstr. adv.]’, uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie ‘en derhalve [onderstr. adv.] in het adherentiegebied van HDT-Oost.’ Immers, [a-plaats] ligt — het is een feit van algemene bekendheid — nu juist in de gemeente Wierden, tussen Almelo, Goor, Bornerbroek (in de gemeente Wierden) en Rijssen. Gaat het hof van een andere situering uit, dan is dat onbegrijpelijk. Reeds omdat [a-plaats] nu juist (veel) dichterbij Hengelo ligt dan bij zowel Oldenzaal als Enschede — [a-plaats] ligt uitgerekend ten zuidwesten van Almelo (!) en iets ten oosten van Rijssen (!) —, is dat ‘essentieel’-oordeel onbegrijpelijk, ook omdat naar 's hofs (impliciete) oordeel het door de huisartsenpost Hengelo bestreken gebied nu juist behoort tot het gebied Twente-Oost, hetwelk volgens het hof het adherentiegebied van HDT-Oost is. Behoort, zoals HDT-Oost gesteld heeft, de huisartsenpost Hengelo niet tot HDT-Oost en verleent zij zoals HDT-Oost onbetwist gesteld heeft inderdaad alleen zorg vanuit de huisartsenposten Enschede en Oldenzaal, dan valt niet, laat staan zonder méér, ín te zien waarom het voor (de belangen van) [verweerder], die nu juist in [a-plaats] en aldus veel dichterbij Hengelo dan bij Enschede en Oldenzaal woont, ‘essentieel’ zou zijn om als extern waarnemer uitgerekend werkzaam te zijn in of vanuit de huisartsenposten te Enschede en Oldenzaal.
6.2.3
Bij hetgeen waarover subonderdeel 6.2.2 klaagt komt bovendien dat [a-plaats] nu juist ook nog eens (veel) dichterbij Almelo ligt dan bij zowel Oldenzaal als Enschede, waarbij van belang is dat HDT-Oost gesteld heeft (MvA-§ 6.4) dat ook de Centrale Huisartsenpost Almelo een huisartsendienstenstructuurorganisatie is (net zoals HDT-Oost dit is).
6.2.4
Bovendien is het in de eerste alinea van subonderdeel 6.2.1 vermelde ‘essentieel’-oordeel ook onbegrijpelijk voor zover het berust op hetgeen subonderdeel 6.3.
6.3. Hoezo onderbouwing door HDT-Oost ‘van theoretische aard’? (rov. 4.11)
6.3.1
Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat de ‘onderbouwing ter zake’ van de stelling van HDT-Oost dat [verweerder] in heel Nederland kan waarnemen (MvA-§ 6.5) ‘van theoretische aard’ en in zoverre ‘niet als voldoende te beschouwen’ zou zijn. HDT-Oost namelijk heeft nu juist met zoveel woorden gesteld
- —
in MvA-§ 6.4 dat er voor [verweerder], anders dan praktijkhouders die in het gebied van HDT-Oost gevestigd zijn en die voor hun patiëntenzorg afhankelijk zijn van HDT-Oost, als waarnemer geen geografische gebondenheid geldt, dat [verweerder]s stelling in MvG-§ 27 aangaande ‘feitelijk reisgedrag van patiënten naar hun huisarts en de aanrijtijden bij spoedgevallen’ geen ter zake doende argumenten opleveren,
- (1)
omdat [verweerder] überhaupt geen eigen patiënten heeft en overal waarnemingen kan doen, en dat er alleen in Overijssel buiten HDT-Oost zes andere huisartsendienstenstructuurorganisaties zijn, nl. Centrale Huisartsenpost Almelo, Centrale Huisartsenpost Salland, Deventer, Coöperatieve Huisartsenpost Hengelo, huisartsendienstenstructuur huisartsendienstenstructuur Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel (DZDNO) en Medrie in Zwolle en omstreken; en
- (2)
omdat [verweerder] bovendien, daarnaast, vanuit zijn woonplaats [a-plaats] ook gewoon waarnemingen kan doen in (de Gelderse gemeenten) Zutphen, nl. bij de Regionale Huisartsenpost Zutphen, of Apeldoorn, nl. bij de Regionale Huisartsenpost Apeldoorn;
- —
in MvA-§ 6.5 dat BDT-Oost zelf bijvoorbeeld verschillende huisartsen uit de regio Amsterdam heeft die bij haar waarnemingen doen alsmede dat [verweerder] waarnemingen verrichten kan voor de praktijk die de Studenten Gezondheidsdienst B.V. in Utrecht exploiteert en dat resp. omdat [verweerder] daar tevens werkzaam is; en13.
- —
in Pleinotities in appèl-§ 3 dat een huisarts in loondienst dan wel een huisarts die als opdrachtnemer voor andere huisartsen waarneemt, geen diensten aan patiënten aanbiedt en dat zo'n huisarts voor zover hij diensten aanbiedt, hij dit doet aan huisartsen (die wèl een eigen praktijk hebben).
Derhalve valt niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom het bij deze stellingen van HDT-Oost, waarvan het hof de juistheid als zodanig bovendien in het midden laat, zou gaan om (slechts) theoretische mogelijkheden. Dit klemt temeer resp. althans in het licht waarvan het volgende subonderdeel klaagt.
6.3.2
Onbegrijpelijk, gezien het voorlaatste subonderdeel (2de al.), is 's hofs oordeel in rov. 4.11 (in fine) dat [verweerder] er ‘immers’ belang bij heeft om de onderhavige werkzaamheden, mede gezien zijn woonplaats te [a-plaats], uit te oefenen in de nabijheid van zijn werklocatie en ‘derhalve’ in het adherentiegebied van HDT-Oost.
6.4. Hoezo zouden van HDT-Oost ‘huisartsen’ lid kunnen worden? Alleen huisartsen met een eigen praktijk kunnen lid worden (rov. 3.3)
Gezien hetgeen HDT-Oost gesteld heeft als vermeld in subonderdeel 1.2, is onbegrijpelijk 's hofs daarin vermelde oordeel dat huisartsen het lidmaatschap van HDT-Oost verkrijgen kunnen zònder dat zij een eigen praktijk hebben.
6.5. Hoezo sedert 2011 geen klachten meer over [verweerder] Hoezo zou dat onbestreden aangevoerd zijn door [verweerder]? (rov. 4.13)
6.5.1
Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rov. 4.13 (1ste al.) dat [verweerder] ‘onbestreden’ aangevoerd zou hebben dat sedert 2011 van klachten over zijn functioneren geen sprake meer geweest zou zijn. In eerste aanleg namelijk heeft HDT-Oost gedocumenteerd gesteld (Pleitnotities-§ 2.11) dat de Klachtencommissie Huisartsenzorg Twente een melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg doet over het disfunctioneren van [verweerder] op het gebied van communicatie en bejegening en dat in het jaarverslag van de klachtencommissie staat dat zij voor eerst in haar bestaan aan de inspectie dringend geadviseerd heeft om een onderzoek te starten naar het functioneren van deze huisarts om daarna, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, passende maatregelen te treffen.
6.5.2
Dit oordeel is temeer resp. althans onbegrijpelijk, omdat HDT-Oost in eerste aanleg gedocumenteerd gesteld heeft (Pleitnotities-§ 2.15) niet alleen dat het niet waarschijnlijk is dat er in het geheel geen klachten meer zijn over [verweerder], maar aansluitend ook dat op de website Zorgkaart Nederland veel negatieve berichten over [verweerder] staan, namelijk 13 van de 18 (!), en dat aangenomen mag worden dat de negatieve meldingen slechts het topje van de ijsberg vormen, omdat de meeste niet de moeite nemen om een recensie over een zorgverlener te schrijven en te uploaden. Althans, het hof heeft ten onrecht niet, laat staan toereikend, op deze essentiële stellingen gerespondeerd. Is het hof tot het oordeel gekomen dat deze stellingen niet essentieel zouden zijn, bijvoorbeeld om de (dus: intussen niet kenbare) reden dat alleen klachten die voorgelegd worden aan een regionaal tuchtcollege relevant zouden zijn, dan is dit oordeel, onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
6.6. Hoezo zou [verweerder] als waarnemer gefunctioneerd hebben bij HDT-Oost (rov. 5.13, 1ste al.)
Indien en voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 5.13 dat [verweerder] in de periode 2009 tot in januari 2013 als waarnemer bij HDT-Oost gefunctioneerd heeft tot uiting heeft gebracht of beogen te brengen dat [verweerder] gedurende (een deel van) deze periode door HDT-Oost toegelaten zou zijn resp. dat dat ‘functioneren’ resp. functioneren door HDT-Oost toegestaan zou zijn, is dit oordeel onbegrijpelijk, want HDT-Oost heeft nu juist gesteld heeft:
- —
‘[verweerder] is {…} nooit als waarnemer bij HDT-Oost toegelaten en het was hem dus ook niet toegestaan om diensten als waarnemer voor andere huisartsen te vervullen. ’ (MvA-§ 3.13);
- —
dat het een feit is dat ‘het [verweerder] nooit is toegestaan om voor andere huisartsen waar te nemen bij HDT-Oost’ (MvA-§ 7.1); en
- —
‘De voorwaarden waaronder [verweerder] bij Medisch Centrum UT Twente mag werken zijn {…} een zaak tussen Medisch Centrum UT Twente en [verweerder]. Bij die afspraken is HDT-Oost niet betrokken. [verweerder] is bovendien al jaren bij dit centrum werkzaam zonder dat hij diensten bij HDT-Oost vervult. De weigering van HDT-Oost om hem als waarnemer of anderszins toe te laten brengt helemaal geen verandering in die situatie.’
7. Hoezo ‘onvoldoende rechtvaardiging’ voor non-acceptatie? (rov. 4.13)
7.1
Onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is 's hofs oordeel in rov. 4.13 dat onder ‘die’ hierin vermelde ‘omstandigheden’ de verantwoordelijkheid van HDT-Oost op grond van de Kwaliteitswet voor een veilige en verantwoorde zorg, mede gezien de in deze rov. 4.13 vermelde expliciete afweging van het CTG, onvoldoende rechtvaardiging voor handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] als waarnemer zou vormen en dat
HDT-Oost de weegschaal ten gunste van [verweerder] zou hebben moeten laten doorslaan. Immers, voor zover het hof doelt op de omstandigheden als bedoeld/vermeld in de eerste alinea van rov. 4.13, volgt of kan uit deze omstandigheden niet, laat staan zonder méér, volgen dat sprake zou zijn van die onvoldoende rechtvaardiging en — kort gezegd — het door
HDT-Oost op die wijze moeten doen doorslaan van die weegschaal, reeds gezien hetgeen waarover de vorige en de volgende onderdelen klagen.
7.2
Het hof neemt bovendien ten onrechte als vertrekpunt dat in een geval als het onderhavige een rechtspersoon als HDT-Oost überhaupt een ‘recht-vaardiging’ zou moeten geven voor het niet honoreren van het betref-fende verzoek om een gunst van een derde partij als [verweerder] resp. het niet accepteren van een verzoek om als extern waarnemer vanuit de huis-artsenposten van deze rechtspersoon acute zorg (dus: ANW-diensten) te mogen verrichten. Het hof miskent daarmee immers niet alleen dat men niet gehouden is om een ander desgevraagd een gunst te verlenen, maar ook dat de weigering om dit te doen niet getoetst mag worden op de indringende wijze zoals het hof in casu gedaan heeft.
8. Miskenning van het relevante verschil tussen reeds toegelaten lid van HDT-Oost en derde die extern waarnemer wil worden (rov. 4.14)
8.1
Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rov. 4.14 (2de al., 1ste zin) dat [verweerder] ‘onbestreden aangevoerd’ zou hebben dat HDT-Oost aldus tevens heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel HDT-Oost namelijk heeft nu juist de essentiële stelling betrokken (MvA-§ 4.6): ‘[betrokkene 2] is praktijkhouder en lid van HDT-Oost. Aleen daarom al gaat de vergelijking tussen [betrokkene 2] en [verweerder] niet op. [verweerder] wil als waarnemer worden geaccepteerd, terwijl [betrokkene 2] lid is.’
Bovendien heeft HDT-Oost de essentiële stellingen betrokken (MvA-§ 4.6) dat daarbij komt dat het nog maar de vraag is of de voorgeschiedenis en de uitspraak van het CTG in het geval van [betrokkene 2] zich zonder meer laten vergelijken met die van [verweerder], en dat, nu de vergelijking tussen [verweerder] en [betrokkene 2] sowieso al marde gaat, omwille van de privacy van [betrokkene 2] een inhoudelijke vergelijking achterwege kan blijven.
Tevens heeft HDT-Oost in dat verband de (bovendien met MvA-prod. 1S gedocumenteerde) essentiële stellingen betrokken (MvA-§ 4.7)
- —
dat er voor leden een protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts op de huisartsenpost’ geldt, namelijk voor het geval een vermoeden bestaat dat een lid in zijn werkzaamheden op de huisartsenpost disfunctioneert;
- —
dat er daarnaast een aparte regeling is voor vermeend disfunctionerende waarnemers die werkzaam zijn op de post (zie productie 15), en dat hier vermeend disfunctioneren anders gewogen wordt, omdat de belangen van een waarnemer minder groot zijn; en
- —
dat een waarnemer immers nog elders werken kan, in tegenstelling tot een huisarts-lid die vanwege zijn praktijk van HDT-Oost afhankelijk is.
8.2
Door het vorige subonderdeel bestreden oordeel is 's hofs arrest onbegrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof in rov. 4.14 (2de al., 2de t/m 4de zin) nu juist oordeelt dat HDT-Oost zich met name beroepen heeft op het verschil in positie tussen [verweerder] en [betrokkene 2] en dat laatstgenoem-de, naar HDT-Oost aanvoert, anders dan [verweerder], zelf praktijkhouder is, en dat een huisartsenpraktijk in de regio Twente-Oost voor zijn praktijkoefening in verband met de verplichte continuïteit van zorg voor de praktijkuitoefening op HDT-Oost aangewezen is, wat (dus) haaks staat op dat oordeel.
8.3
Gezien de in het voorlaatste subonderdeel vermelde essentiële stellingen, is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs oordeel in rov. 4.14 dat ‘Deze overweging van HDT-Oost’ zich niet zou laten rijmen met haar beroep op de kwaliteit van zorg, door haar aan de handhaving van de non-acceptatie van [verweerder] ten grondslag gelegd. Immers, deze stellingen zijn niet anders te verstaan, dan dat bij de door HDT-Oost te maken afweging van belang is dat [betrokkene 2] huisarts is met een eigen praktijk en reeds lid is van HDT-Oost en dat [verweerder], huisarts zònder eigen prakijk, nu eenmaal géén lid is van HDT-Oost en dat hij geaccepteerd wil worden als extern waarnemer. Het hof miskent dat het voor een organisatie als HDT-Oost die geconfronteerd wordt met een door een derde die (dus) überhaupt géén lid is van de coöperatie en die als huisarts zonder eigen praktijk ook geen lid kan worden gedaan verzoek om toegelaten te worden als extern waarnemer bij de afweging of dit verzoek al dan niet ingewilligd dient te worden nu eenmaal van groot belang is of zij (alleszins begrijpelijke) gerede twijfel heeft of deze derde de vereiste kwaliteit kan leveren, en dat het (enkele) gegeven dat een huisarts met eigen praktijk die reeds lid is van deze organisatie en die dezelfde tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd gekregen heeft als die derde niet, laat staan reeds op zichzelf, prohibitief hoeft te zijn om dat verzoek af te wijzen. In casu (bijvoorbeeld) is [verweerder] voor HDT-Oost nu eenmaal een derde en aan deze coöperatie komt in beginsel de vrijheid toe om een eigen lid dat een huisarts met eigen praktijk is in Twente-Oost dat tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd gekregen heeft te laten blijven waarnemen (dus: ANW-diensten als intern waarnemer) zonder dat dat (meteen) een consequentie heeft voor verzoeken van derden die huisartsen zonder eigen praktijk zijn om bij haar extern waarnemer te mogen worden. Zoals HDT-Oost bovendien gesteld heeft (Pleitnotities in appel-§ 8), mag een onderneming in een reguliere sollicitatieprocedure kiezen wie de meest geschikte kandidaat is, heeft zij (HDT-Oost) ervoor gekozen om te selecteren aan de hand van de ‘Regeling acceptatie waarnemers’ en is zij hierin ook niet uniek. Derhalve is dit ‘niet te rijmen’-oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
9. Hoezo zou ‘Regeling acceptatie waarnemers’ niet relevant zijn? (rov. 4.15)
Onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is 's hofs beslissing in rov. 4.15 dat de hierin vermelde ‘Regeling acceptatie waarnemers’ het hof niet tot een ander oordeel leidt, reeds omdat het hof niet, laat staan toereikend, respondeert op hetgeen te dezen door HDT-Oost in eerste aanleg gesteld is blijkens rov. 5.8 van het in de eerste aanleg van dit geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter, namelijk dat zo'n regeling voor de toelating van waarnemers tegenwoordig landelijk gebruikelijk is. Het hof heeft (ook) hier de positieve devolutieve werking van het appèl miskend, waarbij van belang is dat [verweerder] niet gegriefd heeft tegen het oordeel als zodanig van de voorzieningenrechter dàt HDT-Oost dat gesteld heeft, zodat de juistheid van dit oordeel in appèl uitgangspunt is. Heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] daar wèl tegen gegriefd zou hebben, dan is dat onbegrijpelijk, met name gezien hetgeen door [verweerder] te berde gebracht wordt in zijn MvG (met name MvG-§§ 59 t/m 66), want dit laat zich niet anders verstaan, dan dat [verweerder] niet tegen dit oordeel als zodanig gegriefd heeft.
9.2
Die beslissing is (bovendien) onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, gezien hetgeen HDT-Oost in appèl gesteld heeft als reactie op [verweerder]s vierde grief (MvA-§§ 5.1 t/m 5.5), hetwelk niet anders verstaan kan worden, dan dat HDT-Oost de bovendien uitvoerig en in elk geval voldoende, ook gedocumenteerd, onderbouwde stelling betrokken, heeft dat deze door HDT-Oost gehanteerde regeling landelijk gebruikelijk, althans niet ongebruikelijk, is; zie ook Pleitnotities in appel-§ 8.
9.3
Voorts is deze beslissing (ook) daarom onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet respondeert op de essentiële stellingen van HDT-Oost
- —
dat die regeling een codificatie is van een regeling die eerder reeds gehanteerd werd (MvA-§ 5.1); en
- —
dat het enkele feit dat deze regeling schriftelijk ingevoerd is nadat [verweerder] zijn litigieuze verzoek gedaan had nog niet zonder meer impliceert ‘dat de toelating van [verweerder] niet getoetst zou kunnen worden aan de hand van de ‘nieuwe ’ maatstaven.’ (MvA-§ 5.2).
9.4
Hetgeen waarover de vorige drie subonderdelen klagen klemt temeer resp. althans, omdat de motivering van 's hofs beslissing voor zover dezer motivering kenbaar is (uit met name rov. 4.15, 2de al.) slechts of voornamelijk resp. substantieel bestaat uit een ‘kale’ opsomming van argumenten die [verweerder] aanvoert en substantieel voortbouwt op door dit middel bestreden oordelen, waarbij het (weer) gaat om de ‘unieke positie’ die HDT-Oost zou hebben en het feit dat [verweerder] géén en [betrokkene 2] wèl ANW-diensten op ‘de huisartsenpost’ mag doen.
9.5
In het licht van de vorige vier subonderdelen en gezien hetgeen waarover dit middel voorts klaagt, is ontoereikend gemotiveerd 's hofs oordeel in rov. 4.15 fin fine) dat aan de belangen van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie, zonder toereikende, althans transparante en op de kwaliteit geënte motivering, onvoldoende tegemoet wordt gekomen.
10. Slotklacht
Hetgeen waarover in de vorige onderdelen geklaagd wordt, vitieert (ook) alle daarop voortbouwende oordelen alsmede beslissingen, waaronder die vervat in het dictum, van het arrest a quo.
Mitsdien:
Het moge de Hoge Raad behagen om 's hofs arrest, waartegen dit cassatieberoep gericht is, op grond van dit middel te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend zal achten; kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [77,84]
(t.k.-) Gerechtsdeurwaarder
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑09‑2015
Zie A. Hammersteins SPOOK VAN DE DEVOLUTIEVE WERKING in Uit de praktijk (Liber Amicorum Mr. P.J.M.
Weliswaar strekte het petitum van de inleidende dagvaarding ertoe primair om HDT-Oost te gelasten om [verweerder] ‘toe te laten als praktijkhouder/lid’ en subsidiair om hem ‘te accepteren als extern waarnemer’ alsmede houdt de eis na eiswijziging niet langer in wat volgens dit petitum primair geëist is, maar voor de beoordeling van de in het middel vervatte klachten is het gegeven dat uitsluitend huisartsen met een eigen praktijk lid kunnen worden van HDT-Oost wel van belang, zoals (bijvoorbeeld) bij de klachten tegen het ‘… zich niet rijmen’-oordeel in rov. 4.14.
In het licht van voetnoot 1 is het nog maar (zeer) de vraag of deze niet-kwalificatie prohibitief is voor de positieve devolutieve werking.
Zie voor zover dit alles niet reeds blijkt uit of [besloten] ligt in 's hofs arrest de stellingen van HDT-Oost die vermeld zijn in subonderdeel 2.2 dan wel elders in het middel.
Zie o.a. MvA-§§ 3.11, 4.4, 6.3 t/m 6.5. Vindplaatsen zijn voorts elders in dit middel vermeld, waaronder met name subonderdeel 2.2.
Weliswaar komt het hof in rov. 4.11 tot het oordeel dat deze stelling ‘van theoretische aard’ is en in zoverre niet als voldoende te beschouwen is, maar dit oordeel is onbegrijpelijk, reeds gezien hetgeen HDT-Oost gesteld heeft in MvA-§§ 6.4 en 6.5, zoals subonderdeel 6.3 klaagt.
Zo (bijvoorbeeld) wordt in § 2.17 van deze pleitnotities gesteld dat het Regionaal Tuchtcollege — het betreft bier de tuchtzaak tegen [verweerder] die leidde tot de CTG-uitspraak van 19 december 2013 — (onderstreping toegevoegd): ‘vindt dat [verweerder] met betrekking tot het incident met de overbuurvrouw een stervende man eerste hulp heeft onthouden en diens echtgenote zonder bijstand bij hem heeft achtergelaten. Het regionaal tuchtcollege oordeelt dat er dermate. sproke is van een patroon in het professioneel handelen met betrekking tot arts-patiëntcommunicatie en samenwerken dat niets anders rest dan doorhaling van de registratie van [verweerder].’
Pleitnotities eerste aanleg-§ 2.19, bij ‘1)’.
Pleitnotities eerste aanleg-§ 2.19, bij ‘3)’.
Onderdeel 5 klaagt (mede)om al deze redenen dat onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is 's hofs oordeel in rov. 4.12 (2de zin) dat ‘groot gewicht’ toegekend zou moeten worden aan ‘het oordeel van het CTG.’
Zie subonderdeel 6.3.
En aansluitend: ‘HDT-Oost moet er zoals gezegd van op aan kunnen dat de artsen die bij haar werken het werk goed aan kunnen. Regelmatig doet zich een situatie voor die om leven of dood gaat. HDT-Oost kan zich niet permitteren om (…) bij de zorgverlening artsen in te zetten over wie twijfel bestaat. Daarbij komt dat [verweerder] heeft laten zien dat er ook in de samenwerking met anderen grote problemen zijn. Bovendien hebben verschillende artsen aan IIDT-Oost kenbaar gemaakt dat zij met [verweerder] niet wensen samen te werken. Er zijn zelfs artsen die zich geïntimideerd door hem voelen.’
Zie voorts Pleinotities in appèl-§§ 5 en 6.