Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.3.1
4.3.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS587416:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Brunner 1981a, p. 213 en 234.
Overigens anders dan Köster 1963, p. 14 had voorgestaan. Brunner 1981a, p. 211 was inderdaad ook aanmerkelijk minder kritisch over deze leer dan Köster, zie § 2.7.2.
HR 25 mei 1990, NJ 1990/577 (Boukes/Schuurmans). Uit de gecompliceerde en uit het arrest niet geheel duidelijk volgende casus, kan mijns inziens niet worden afgeleid waarom het vereiste verband werd bepaald door de voorzienbaarheid. In deze zaak was, kort gezegd, Boukes’ financier van een in nood verkerende vennootschap (BV Zuidwerk). BV Zuidwerk kocht bij Interbau voor ƒ 150.000,- parket. Boukes stelde zich garant voor betaling. De betaling moet via een wissel verlopen, maar mislukte, naar Boukes stelde door toedoen van Schuurmans, die Interbau vertegenwoordigde. Boukes betaalde vervolgens aan BV Zuidwerk en verkreeg een vordering voor hetzelfde bedrag op BV Zuidwerk. Interbau leverde het parket niet en BV Zuidwerk ging failliet. Onduidelijk blijft wat Boukes precies aan Schuurmans verweet. Door de rechtbank en het hof wordt bovendien geoordeeld dat geen feitelijk causaal verband bestaat tussen het verweten handelen en Boukes’ schade, die bestond uit het door hem betaalde bedrag.
In de memorie van antwoord bij het gewijzigd ontwerp valt te lezen dat “wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was een rol [zal] kunnen blijven spelen.” Parl. Gesch. Boek 6, p. 345 (M.v.A. II).
In nr. 212 bespreek ik dat niet werkbaar zou zijn de opvatting dat de voorzienbaarheid van het concrete schadegevolg er niet toe doet voor de toerekenbaarheid van het eerste schadelijke gevolg, maar wel bij verdere schadelijke gevolgen.
Deze kritiek maakt dat het niet nodig is om in te gaan op de verschillen tussen voorzienbaarheid, waarschijnlijkheid en hetgeen in de lijn van de normale verwachtingen ligt. Ook kan ik om deze reden laten rusten vanuit welk perspectief en uitgaande van welke wetenschap het waarschijnlijkheidsoordeel of voorzienbaarheidsoordeel dient te worden gegeven. Zie § 2.3.3 over deze kwestie bij de Duitse leren van de adequate veroorzaking.
197. De waarschijnlijkheid van de schade zoals geleden is de relevante factor in de eerste deelregel:
Naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Omgekeerd is toerekening minder aanvaardbaar naarmate het gevolg uitzonderlijker, abnormaler, minder waarschijnlijk is.1
De leer van de adequate veroorzaking komt hiermee bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van de schade aldus in zekere zin voorop te staan. De waarschijnlijkheid van de schade heeft geen beslissende betekenis meer, maar is nog slechts een relevante factor.2
198. In de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat voor de toerekening van schade van belang kan zijn de voorzienbaarheid van die schade, het buiten de lijn van de normale verwachtingen liggen van die schade, en de waarschijnlijkheid van die schade.
In Waterwingebied Leeuwarden,3 in Rijksweg 124 en in Tauber/Verhey5 sanctioneerde de Hoge Raad de toerekening van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade mede op de grond dat de schade “niet een zo uitzonderlijke vorm van schade t.g.v. een dergelijk ongeluk is”, de schade als gevolg “van een verkeersongeval [niet] zo weinig karakteristiek” is respectievelijk de schade “een voor de hand liggend gevolg” was. In Amercentrale6 oordeelde de Hoge Raad dat de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1405 (oud) BW van de eigenaar van een bouwwerk alleen aansprakelijk maakt voor de “typische gevolgen” van de instorting van het desbetreffende gebouw. In Van Hees/Esbeek7 oordeelde de Hoge Raad dat voor de toerekenbaarheid van de schade van belang kan zijn of de schade het redelijkerwijze te verwachten gevolg was van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. In Vader Versluis8 sanctioneerde de Hoge Raad de niet toerekening van schade mede omdat sprake was van “een zo uitzonderlijke vorm van schade”. In Steengaassteller9 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het “mede van de aard van de gedraging en van de daardoor geschonden normen af[hangt], welke betekenis moet worden gehecht, en welke eisen moeten worden gesteld aan de voorzienbaarheid van de resulterende schade” (rov. 3.3). In AGO/NCB10 sanctioneerde de Hoge Raad het niet toerekenen van de schade op de grond dat het ontstaan ervan “geheel buiten de lijn van de normale verwachtingen lag” (rov. 3.3). In Boukes/Schuurmans11 oordeelde de Hoge Raad dat in “aanmerking genomen de aard van de (…) verweten gedraging en de daaruit voortgekomen schade” het “voor de aansprakelijkheid vereiste verband tussen beide te dezen werd bepaald door de voorzienbaarheid van de schade” (rov. 3.1). In X/Hoogheemraadschap12 sanctioneerde hij de toerekening van schade door het hof mede op de grond dat de maatregelen die het Hoogheemraadschap ten gevolge van de onrechtmatige daad van X had genomen, en waarvan het Hoogheemraadschap de kosten op X wilde verhalen, “in het algemeen redelijkerwijs te verwachten [zijn] als gevolg” van de gedraging van X (rov. 3.6.6). In Swinkels/Saint-Gobain13 oordeelde hij dat voor de toerekening van de schade relevant kan zijn “of een bepaald schadelijk gevolg van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis naar ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar is” (rov. 3.5). In Avi/Van Adrighem14 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de memorie van antwoord bij het gewijzigd ontwerp,15 geoordeeld dat bij de beantwoording van de toerekeningsvraag “wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was, een rol [zal] kunnen spelen” (rov. 4.1.2).
199. In enkele arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de waarschijnlijkheid of de voorzienbaarheid van de precieze wijze waarop door de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm schade ontstaat niet ter zake doet voor de toerekening van die schade.
In Edel en Van der Groep/De Oude Zwolsche16 oordeelde de Hoge Raad “dat het Hof de gedragingen van Edel en van Van der Groep onrechtmatig heeft geoordeeld omdat door deze gedragingen het gevaar voor verkeersongevallen in het algemeen werd vergroot; dat, nu dit gevaar zich heeft verwezenlijkt, het Hof terecht niet heeft onderzocht met welken graad van waarschijnlijkheid kon worden voorzien dat het ongeval zich juist op deze wijze zou voordoen”. Tot een vrijwel gelijk oordeel kwam de Hoge Raad tien jaar later in De Brouwer/Van den Besselaar17 waar hij oordeelde “dat door zodanig gedrag het gevaar voor verkeersongevallen in het algemeen wordt vergroot, nu het gevaar zich heeft verwezenlijkt, een nader onderzoek naar de graad van waarschijnlijkheid van het plaatsvinden van het ongeval en van de daardoor veroorzaakte verkeersschade achterwege kon blijven”. In Vader Versluis18 oordeelde de Hoge Raad: “Bij overtreding van [verkeers- en veiligheidsnormen], die in de regel strekken ter voorkoming van verkeers- of arbeidsongevallen, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen.” In Dorpshuis Kamerik19 oordeelde hij dat de in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm “naar haar aard mee[brengt], dat het er, voor aansprakelijkheid jegens degeen die door het in aanraking komen met de gevaarlijke vloeistof letsel oploopt, in beginsel niet toe doet, of de wijze waarop het letsel door aanraking met de stof in het gegeven geval precies is veroorzaakt, voorzienbaar was voor de partij die de betreffende zorgvuldigheidsnorm niet in acht heeft genomen” (rov. 5).
Onduidelijk is overigens hoe deze rechtspraak zich verhoudt tot het oordeel van de Hoge Raad in Swinkels/Saint-Gobain, in welke zaak sprake was van de schending van een veiligheidsnorm, dat voor toerekening wel relevant kan zijn “of een bepaald schadelijk gevolg van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis naar ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar is”.20
200. Hoewel in de rechtspraak en de literatuur vrij algemeen is aanvaard dat de mate van waarschijnlijkheid of voorzienbaarheid van de schade zoals geleden een rol kan spelen bij de toerekening van schade, meen ik dat deze factoren niet zinvol kunnen worden gebruikt bij de beoordeling of de schade toerekenbaar is. In de eerste plaats kan dat niet vanwege een beschrijvingsprobleem. De voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schade zoals geleden is vrijwel volledig afhankelijk van de beschrijving van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de beschrijving van (het ontstaan van) de schade. Omdat er geen regel is die voorschrijft hoe deze beschrijving dient plaats te vinden, kan niet op een eenduidige wijze tot een oordeel over de voorzienbaarheid of waarschijnlijkheid van de schade zoals geleden worden gekomen. Het meewegen van de voorzienbaarheid of waarschijnlijkheid leidt hierom tot schijnmotiveringen waarmee de werkelijke motieven om de schade al dan niet toe te rekenen worden verhuld. In de tweede plaats is er een normatief probleem: waarom is het redelijk om naarmate schade minder vaak als gevolg van een bepaalde aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis voorkomt, en daarom dus minder waarschijnlijk is, beperkter toe te rekenen? In het navolgende werk ik dit beschrijvingsprobleem (§ 4.3.2) en dit normatieve probleem (§ 4.3.3) nader uit.21