Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.5.1:5.4.5.1 Jurisprudentie betreffende de onderneming
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.5.1
5.4.5.1 Jurisprudentie betreffende de onderneming
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS615652:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.4.
Zie ook het commentaar van Lubbers en De Vries in paragraaf 4.4 alsmede de hierna opgenomen conclusies.
Ik zal in het bijzonder in paragraaf 10 nog terugkomen op de inbrengregeling onder het huidige erfrecht.
Zie Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Deventer: Kluwer 1989, p. 366.
Zie ook Mellema-Kranenburg in haar in paragraaf 4.4 weergegeven commentaar.
Deze is per 1 september 2007 vormgegeven in art. 7:311 e.v. BW; per die datum is de Pachtwet vervallen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met uitzondering van De Rooy-De Rooy, Otten-Otten en HR 17 april 1998 betroffen alle casus een landbouwonderneming; soms was een pachtovereenkomst en soms een personenvennootschap, al dan niet met een voortzettingsregeling, gesloten. De waarde van de onderneming komt in de behandelde jurisprudentie aan de orde in verband met verschillende erfrechtelijke sub-rechtsgebieden, te weten de waarde bij verdeling van een nalatenschap, bij de inbreng- en de legitiemeregeling. Ondanks het betrokken sub-rechtsgebied manifesteren waardevraagstukken onder het oude erfrecht zich altijd rondom de verdeling van de nalatenschap.1 Ik zal in de analyse – waar mogelijk en nodig – een onderscheid maken tussen deze onderwerpen, waarbij aangetekend dient te worden dat inbreng in feite een verdelingskwestie is (zie art. 4:1132 e.v. BW oud).
In zijn noot onder HR 13 oktober 1967 veronderstelt Wiersma dat de waarde bij verdeling van een nalatenschap met toedeling van het verpachte land aan de pachter/deelgenoot meestal niet veel zal verschillen van de waarde van verpacht land. Die veronderstelling blijkt in Erven Van Bijnen juist te zijn: volgens de Hoge Raad is de waarde van verpacht goederen aanzienlijk veel lager dan de waarde in onverpachte staat, welk waardeverschil tegenover de waarde staat die de pachters aan de pachtovereenkomst kunnen ontlenen. Deze laatstbedoelde waarde is al vóór erflaters overlijden op de pachters overgegaan, zodat bij de verdeling van de nalatenschap slechts de waarde in verpachte waarde ‘resteert’. Volgens Kleijn – in zijn noot onder dit arrest – is het twijfelachtig of deze vermogensoverheveling als een gift aangemerkt kan worden; enerzijds omdat de overheveling een gevolg is van de wettelijke pachtbepalingen, anderzijds omdat in casu slechts de pachters, en niet de ‘klagers’, wilden opvolgen. Ontbreekt een pachtovereenkomst ten tijde van het overlijden, dan dient de onderneming in principe voor de waarde in het economische verkeer in de verdeling te worden betrokken (HR 3 juni 1994).
Dezelfde waarderingsregel voor verpachte grond wordt in Erven Oerlemans gehanteerd, waar de Hoge Raad overweegt dat de grond als gevolg van de verpachting bij de verdeling van de nalatenschap moet worden gewaardeerd in verpachte staat (zie ook Hof Leeuwarden 27 september 1995, waarin op grond van de redelijkheid en billijkheid een correctie voor het toegekende melkquotum plaatsvindt). Een verpachting tegen een normale pachtprijs kan volgens de Hoge Raad een bevoordeling van de pachter inhouden, nu deze na overlijden op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak op toedeling kan maken waarbij de hiervoor bedoelde lagere waarde dient te worden aangehouden. De in Erven Van Bijnen niet-beantwoorde vraag of de door een pachtovereenkomst bewerkstelligde vermogensoverheveling een gift kan zijn, is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord.
In de verdeling van een nalatenschap zonder dat de legitieme portie daarbij een rol speelt, blijkt een door de erflater tijdens leven gesloten pachtovereen komst een waardebepalende factor te (kunnen) zijn; een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid lijkt daarmee overigens niet uitgesloten.2
Ook een opvolging bij leven ‘tegen de verpachte waarde’ bij een landbouwonderneming kan onder omstandigheden een gift inhouden, die eventueel aan erfrechtelijke inbreng onderworpen is. Uit HR 11 april 2003 volgt dat voor de inbrengregeling van art. 4:1132 BW oud van een geobjectiveerd giftbegrip moet worden uitgegaan; het motief van de bevoordeling is niet relevant. Een verpachting en een daaropvolgende overdracht voor een prijs gelijk aan de verpachte waarde, kan een gift opleveren. Dit geobjectiveerde begrip bepaalt zowel of sprake is van een inbrengplicht als de hoogte daarvan. Volgens Kleijn in zijn annotatie is het tevens relevant voor de inkorting en de vermindering in het erfrecht.
HR 4 maart 2005, waarin de afwikkeling van een maatschap bij leven tot een bevoordeling van de opvolgers leidde omdat de overnameprijs op de waarde in verpachte staat was gebaseerd, ligt voor wat betreft de inbreng op dezelfde lijn als HR 11 april 2003.
Deze jurisprudentie bevestigt dat voor de legitieme- en de inbrengregeling van een identiek, geobjectiveerd giftbegrip uitgegaan moet worden, dat tevens voor de omvang van de gift bepalend is.
In HR 13 februari 2004 leidde de bedrijfsopvolging door de zoon tijdens leven van moeder, na haar overlijden tot afwikkelingsproblemen omdat een dochter zich op het standpunt stelde dat in de opvolgingstransactie een gift was gelegen, waardoor haar legitieme portie werd geschonden, ‘zodat inbreng en inkorting dient plaats te vinden’.
Voor de vraag of sprake is van bedoelde bevoordeling, door in bedoelde opvolging de gehele onderneming voor de agrarische waarde te betrekken, dient volgens de Hoge Raad in aanmerking te worden genomen:
dat de rechtsverhouding tussen de deelgenoten in de personenvennootschap wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die de voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt;
de bedoeling van de vennoten dat de zoon de onderneming zou kunnen voortzetten tegen vergoeding van de ‘agrarische waarde’;
de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten: het gaat om een in familieverband ‘van vader op zoon’ uitgeoefend melkveebedrijf.
Daargelaten of het niet-bedingen van een meerwaardeclausule in het kader van bedoelde transactie door de moeder ten laste van de zoon een gift inhield (quod non, zie Hof Arnhem 15 maart 2005), geeft de Hoge Raad aan dat de op de agrarische waarde gebaseerde ‘prijs’ bij de verdeling van het vennootschappelijk vermogen geen gift hoeft in te houden. Gezien de overwegingen van de Hoge Raad wordt in het onderhavige arrest enige afstand genomen van HR 11 april 2003, waar het overigens een verpachting en een daaropvolgende verkoop betrof, en van HR 4 maart 2005, eveneens betreffende de opvolging na ontbinding van een maatschap, waarin een objectief (ver)giftbegrip voor de inbreng en de inkorting lijkt te worden gehanteerd. In het laatstgemelde arrest heeft de Hoge Raad aangegeven dat de vraag of de opvolgingstransactie een bevoordeling uit vrijgevigheid inhield niet kan worden beantwoord ‘zonder het geheel van de maatschapsverhouding tussen vader en zoon in de beschouwing te betrekken’, welke woorden een objectievere benadering suggereren dan de HR in zijn arrest van 13 februari 2004 lijkt voor te staan.
Wat er van een objectievere of subjectievere benadering ook zij, in laatstbedoeld arrest heeft de Hoge Raad de hiervoor gegeven factoren kennelijk voldoende zwaarwegend gevonden om voor de opvolging van de agrarische waarde te kunnen uitgaan, zonder daarin een bevoordelingsbedoeling en dus een gift te constateren. Daarbij wordt overigens – zoals ook in andere uitspraken – bij het giftbegrip geen onderscheid gemaakt tussen de inbreng en de inkorting.3
In de in de vorige alinea gemelde arresten speelde de waarde een prominente rol. Op de keper beschouwd, gaan zij echter over de vraag of in onder meer het hanteren van een bepaalde waarde in de betreffende opvolgingstransactie een bevoordelingsbedoeling, en dus een gift, is gelegen. De relevantie van deze jurisprudentie voor het erfrechtelijke waardevraagstuk kan mijns inziens gevonden worden in het feit dat de gegeven waarderingsmaatstaven (waarde in het economische verkeer) en -factoren (de vennootschapsovereenkomst, de redelijkheid en billijkheid, de vennootschappelijke gemeenschap en ‘het geheel van de maatschapsverhouding’) relevant zijn voor de vraag of voor de legitieme- en de inbrengregeling van een gift sprake is, en zo ja, met welke omvang ‘gerekend’ moet worden. De voor de verdeling van een vennootschappelijke gemeenschap relevante maatstaven en factoren zijn naar mijn mening overigens niet per definitie dezelfde als voor de verdeling van een nalatenschap.
Voor wat betreft de legitiemeregeling heeft de Hoge Raad in Jongbloed-Jongbloed – bij een verkoop en levering – beslist dat voor de legitiemeberekening het verschil tussen de werkelijke waarde en de koopprijs als een bevoordeling aangemerkt diende te worden. In dit arrest was niet ‘im Frage’ of van een gift sprake was, maar ging het om het object van de desbetreffende rechtshandeling. Vanzelfsprekend dient hierbij niet uit het oog te worden verloren dat de redelijkheid en billijkheid bij een koopovereenkomst een andere rol kunnen en zullen vervullen dan bij de afwikkeling van een maatschap (zoals in HR 13 februari 2004) en/of een nalatenschap.
Dat bedoelde beginselen een mogelijke verklaring voor het onderscheid in de beoordeling van een opvolging tijdens leven voor de agrarische/verpachte waarde kunnen zijn, kan worden afgeleid uit Hof Amsterdam 23 november 1995, waarin– bij de uitvoering van een vennootschappelijke voortzettingsregeling – wordt beslist dat uit deze regeling de kennelijke wens van vader valt af te leiden dat de zoon de onderneming zal kunnen voortzetten tegen een overnameprijs waarbij voortzetting van de exploitatie nog juist haalbaar is, ‘hetgeen in het algemeen niet als een handeling uit liberaliteit moet worden gekenschetst’. De redelijkheid en billijkheid eisen in een dergelijk geval dat de erfgenamen een dergelijk beding respecteren. Opnieuw draaide het om de bevoordelingsbedoeling, waarbij het door de erfgenamen in acht te nemen respect voor de overeengekomen regeling erop duidt dat op de kwalificatie van de tijdens leven verrichte rechtshandeling voor de legitieme- en inbrengregeling niet kan worden teruggekomen.
Hof ’s-Gravenhage 4 augustus 2004 beslist, eveneens in het kader van een opvolging ‘uit een maatschap’, in dezelfde lijn: in beginsel dient voor de bepaling van de omvang van de gift – zowel voor de berekening van de legitimaire massa als voor de inbreng – te worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer, tenzij de rechtssfeer, lees de redelijkheid en billijkheid, tussen de ‘boedelgenoten’ met zich meebrengt dat de bestanddelen voor een andere waarde in de transactie moeten worden betrokken. Dat het Hof in het onderhavige arrest tot de conclusie kwam dat voor een dergelijke correctie geen reden was omdat relevante feiten en omstandigheden ontbraken en de maatschapsovereenkomst daartoe niet noopte, doet aan de gesignaleerde, constante lijn in de jurisprudentie mijns inziens geen afbreuk. In de desbetreffende procedure stond de bevoordelingsbedoeling, althans in hoger beroep, niet ter discussie. Het draaide om de voor de legitiemeberekening in aanmerking te nemen waarde. Het belang van de bestaande contractuele vennootschapsverhouding en de vennootschappelijke gemeenschap, waarin de redelijkheid en billijkheid meespelen, voor de vraag óf sprake is van een gift van een onderneming en de bepaling van de omvang daarvan in het kader van de legitieme- en de inbrengregeling komt naar mijn mening duidelijk uit de laatstbedoelde arresten naar voren. Alhoewel voor deze regelingen, zoals hiervoor aangegeven, van een geobjectiveerd giftbegrip moet worden uitgegaan, ook voor de bepaling van de omvang van de gift, blijkt de rechtsverhouding ‘waaruit’ de opvolging plaatsvindt daarvoor van groot belang te zijn.
In de ‘klassieker’ De Rooy-De Rooy besliste de Hoge Raad dat, al zou de nader overeengekomen voortzettingsregeling (afrekenen op basis van de boekwaarde) van de in de vorm van een commanditaire vennootschap gedreven wollenstoffenfabriek voor de toepassing van andere wettelijke voorschriften wel een gift kunnen worden gezien, niet valt in te zien dat deze op grond van art. 4:1132 BW BW oud aan inbreng is onderworpen. Op de beslissing als zodanig ga ik niet in; de doctrine heeft zich – destijds – tegen dit arrest gekeerd.4 Duidelijk is wel dat volgens de Hoge Raad een – in casu – overeengekomen voortzettingsregeling op basis van de boekwaarde in beginsel als een gift kan worden aangemerkt.
Het arrest Otten-Otten betrof een verdelingsgeschil, zonder legitieme- of inbrengaspecten, te weten over de waarde van de tot de – door het overlijden van de vrouw ontbonden – huwelijksgemeenschap behorende economische deelgerechtigdheid in de vennootschap onder firma die de voortzettende, langstlevende met enkele kinderen was aangegaan. De Hoge Raad besliste dat in de vennootschappelijke voortzettingsregeling, die werkt bij het einde van de personenvennootschap, tevens de maatstaf voor de waardering van bedoelde gerechtigdheid tijdens het bestaan van de samenwerking gevonden wordt, hetgeen in casu betekende dat een en ander voor een lagere waarde in de verdeling betrokken moest worden. Hierbij dient aangetekend te worden dat in dit geval de onderneming als zodanig niet in de verdeling betrokken werd en het niet de ondernemer was wiens nalatenschap verdeeld werd, maar die van zijn echtgenote. De Hoge Raad benadrukt in ieder geval de invloed van de vennootschapsovereenkomst en de daarin opgenomen voortzettingsregeling voor de bepaling van de waarde. In de overwegingen van de Hoge Raad lijkt impliciet een rol voor de redelijkheid en billijkheid weggelegd te zijn. Een vennootschappelijke, obligatoire en/of goederenrechtelijke rechtsverhouding, met de daarin besloten liggende beginselen van de redelijkheid en billijkheid, blijkt – getuige de voorgaande jurisprudentie – een relevante factor te zijn voor het bepalen van de waarde in een verdeling alsmede voor de legitieme- en de inbrengregeling.5
Ten slotte wordt in HR 17 april 1998 door de HR de vuistregel voor waarderingspeildatum bij de verdeling van een nalatenschap gegeven, welke overigens overeenstemt met die voor de verdeling van een huwelijksgemeenschap (zie hoofdstuk 6, § 3.6.1): hoofdregel is waarde ten tijde van de verdeling, tenzij de deelgenoten anders overeengekomen zijn of uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Deze ‘peildatumregel’ bevestigt in feite de rol van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling in het algemeen, en bij de waardering als onderdeel daarvan in het bijzonder.
Conclusies
In de geanalyseerde jurisprudentie wordt telkens een bedrijfsopvolging gerealiseerd via een pachtovereenkomst of een personenvennootschap. De uitvoering van die opvolging geschiedt tijdens leven dan wel bij overlijden. In geen van de behandelde uitspraken, wordt de opvolging eerst bij de verdeling van de nalatenschap ‘ingezet’. Tijdens leven is daarmee reeds een begin gemaakt.
In alle gevallen waarin de onderneming bij overlijden nog tot de nalatenschap behoort, wordt de waarde daarvan voor de verdeling van de nalatenschap bepaald met inachtneming van de bestaande pachtovereenkomst dan wel met inachtneming van de tijdens leven gemaakte voortzettingsafspraken. Zij vormen als het ware een ‘passiefpost’ in erflaters nalatenschap, althans kunnen van invloed zijn op de waarde van de betrokken goederen. Het saisinebeginsel doet zich hier gevoelen.
Voor de inkorting en inbreng wordt eveneens telkens teruggegrepen naar de tijdens leven opgezette ‘opvolgingsregeling’, waarbij de waarde waarvoor de onderneming ‘in’ deze opvolging is betrokken op de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling kan duiden en – zo daarvan sprake is – afgezet te gen de waarde in het economische verkeer tevens uitsluitsel over de omvang van de gift kan geven.
Is de opvolgingsregeling gebaseerd op een pachtovereenkomst tussen de ondernemer en zijn opvolger, kan dit in combinatie met een overdracht tijdens leven of een overgang bij overlijden tot een gift leiden, die aan inbreng en inkorting onderhevig kan zijn. Op zichzelf beschouwd, levert een pachtovereenkomst voor een normale pachtprijs geen gift op. Onder ‘opvolgingsomstandigheden’ kan deze overeenkomst tezamen met de uitvoering daarvan tegen de waarde in verpachte staat, wel een gift opleveren. De redelijkheid en billijkheid spelen bij de afwikkeling van een dergelijke opvolging in beginsel geen dan wel een ondergeschikte rol, althans dat is de indruk uit de jurisprudentie. Een verklaring daarvoor is wellicht te vinden in het feit dat de (rechts)verhouding tussen de verpachter en de pachter voor een belangrijk deel voortvloeit uit de pachtregeling.6 Waar de wetgever een en ander regelt, is in beginsel mijns inziens namelijk minder ruimte voor de redelijkheid en billijkheid.
Wordt de opvolging via een personenvennootschap vormgegeven, dan kan in het aangaan of wijzigen van de vennootschapsovereenkomst een gift gelegen zijn al dan niet in combinatie met een overdracht tijdens leven of een overgang bij overlijden, bijvoorbeeld als men ‘afrekent’ op basis van de boekwaarde of de agrarische waarde. Uit de sinds 1995 gewezen arresten kan evenwel worden afgeleid dat een opvolgingstransactie op basis van een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer niet zonder meer een bevoordeling uit liberaliteit, en dus een eventueel aan inkorting en inbreng onderworpen gift, hoeft in te houden. Voor het ‘legitimeren’ van deze lagere waarde worden twee argumenten gebruikt, te weten de door partijen (en niet zoals bij de pachtovereenkomst door de wetgever) in het leven geroepen contractuele vennootschapsverhouding en de bestaande vennootschappelijke gemeenschap, in welke sferen de redelijkheid en billijkheid een prominente rol vervullen.
Dit kan tevens een verklaring vormen voor het verschil tussen de ‘pacht- en de vennootschapsjurisprudentie’. Zoals gezegd is het denkbaar dat bij een pachtovereenkomst de redelijkheid en billijkheid niet in alle onderdelen even nadrukkelijk aanwezig is, nu de wetgever in beginsel de ‘architect’ van deze overeenkomst is, hetgeen in beginsel niet het geval is bij een personenvennootschap. Voorts ontbreekt bij een pachtverhouding een voor de vennootschapsrelatie wezenlijk element, te weten een – vennootschappelijke – gemeenschap, waarin bedoelde beginselen nadrukkelijk aanwezig zijn. Ten slotte lijkt de aard van de onderneming, gezien de invulling die aan de bedoelde beginselen wordt gegeven ook een rol te kunnen spelen; het bijzondere ‘bedrijfseconomische profiel’ van agrarische ondernemingen wordt regelmatig in de overwegingen betrokken.
Verder blijkt uit de behandelde jurisprudentie – althans voor het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht – dat het ‘giftbegrip’ voor de legitieme- en de inbrengregeling identiek is, evenals de omvang van de uit de betreffende gift voortvloeiende waardeverschuiving.
Wat de peildatum voor de waardering betreft, merk ik ten slotte nog op dat als de redelijkheid en billijkheid de rechtsverhouding tussen de deelgenoten in een gemeenschap en de verdeling beheersen, hetgeen onbetwist het geval is, de ‘regels’ voor de bepaling van die peildatum mijns inziens niet anders kunnen luiden dan in de jurisprudentie is verwoord.