Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.6.3
12.5.6.3 Onderlinge kapitaalsverhoudingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491649:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de onderbouwing verwijs ik kortheidshalve naar de analyse van de onderlinge vorderingen en schulden hiervóór.
Zie art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 (wettekst 2011). In de literatuur zijn in het verleden twijfels uitgesproken over de EU-rechtelijke houdbaarheid van art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011). Aangezien het hier overgangsrechtsituaties betreft, volsta ik met een verwijzing naar Kiekebeld & Van Eijsden 2009, onderdeel 3.7.3, p. 128 en de door hen gemaakte verwijzingen.
Voor de duidelijkheid wijs ik erop dat overkill niet is beperkt tot situaties waarin de verkrijger in Nederland is gevestigd. Volgens het wenselijk recht is de verkrijgende rechtspersoon namelijk niet per definitie een verbonden lichaam van de splitsende rechtspersoon. Zie onderdeel 7.4. Dit betekent dat ook sprake is van overkill als de verkrijger niet is verbonden met de splitser.
Zie onderdeel 12.5.3.3.
Zie onderdeel 11.4.4.3. Bij afsplitsingen speelt deze vraag niet aangezien de afsplitsende rechtspersoon blijft voortbestaan zodat het betreffende aandelenbelang niet verdwijnt. Zie onderdeel 11.4.5.3.
Zie hoofdstuk 8 voor de ruisende splitsing en hoofdstuk 11 voor de fiscaal begeleide splitsing.
Dit wordt nader uitgewerkt in onderdeel 13.3.5.
Standaardvoorwaarde 1, lid 1 heeft wat betreft onderlinge kapitaalsverhoudingen in elk geval betrekking op gevallen waarin de splitsende rechtspersoon vóór de splitsing participatiebewijzen (meestal aandelen) heeft in een verkrijgende rechtspersoon, welke participatiebewijzen in het kader van de splitsing overgaan naar die verkrijger. Deze verkrijgende rechtspersoon krijgt dan eigen aandelen en die worden in fiscale zin normaliter geacht te zijn ingetrokken. Op grond van standaardvoorwaarde 1, lid 1 moeten die participatiebewijzen onmiddellijk voorafgaand aan het (af)splitsingstijdstip worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Dit heeft slechts een fiscaal resultaatseffect bij de splitser voor zover de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Aangezien deze gevolgen corresponderen met de implicaties van een ruisende splitsing naar wenselijk recht, slaagt standaardvoorwaarde 1, lid 1 op dit punt voor de fiscaal-theoretische toets. Ook de toets aan hoger recht wordt met succes gepasseerd.1
Is het belang in de verkrijger een beclaimde deelneming ex art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011), dan bevat standaardvoorwaarde 1, lid 3 een specifiek voorschrift. Op grond daarvan wordt geacht sprake te zijn van een omstandigheid als aangeduid in art. 13c, lid 2, Wet VPB 1969 (wettekst 2011). Dit betekent dat een nog niet ingelopen buitenlands ondernemingsverlies belast wordt teruggenomen. De resterende art. 13c (oud)-claim valt dus volledig belast vrij. In het geval van een ruisende splitsing naar wenselijk recht zou dat slechts gebeuren als de verkrijger in het buitenland is gevestigd en bovendien is verbonden met de splitsende rechtspersoon.2 Voldoet de verkrijger niet aan die kenmerken, dan zou de belaste vrijval van de art. 13c (oud)-claim bij een ruisende splitsing naar wenselijk recht beperkt blijven tot de fiscale meerwaarde die op het splitsingstijdstip zit opgesloten in de art. 13c (oud)-deelneming. Standaardvoorwaarde 1, lid 3 bevat voor die gevallen overkill en dat is in strijd met de fiscaal-theoretische toets.3 Volgens mij conflicteert dit overigens niet met de Fusierichtlijn. Bij de toetsing van de fiscale indeplaatstreding ben ik al tot de conclusie gekomen dat de Fusierichtlijn de meer bijzondere aspecten die raken aan het handhaven van belastingclaims overlaat aan de lidstaten.4
Het is met betrekking tot zuivere splitsingen niet duidelijk of standaardvoorwaarde 1, lid 1 ook de situatie omvat waarin een verkrijgende rechtspersoon vóór de splitsing een belang heeft in de zuiver splitsende rechtspersoon.5 Deze onduidelijkheid conflicteert met de fiscaaltechnische toets. Overigens lijkt (mij) standaardvoorwaarde 1, lid 1 niet noodzakelijk voor die gevallen. De verkrijger is namelijk tegelijkertijd participant (aandeelhouder) van de splitser en daarvoor geldt een afzonderlijk systeem.6 Het heeft mijn voorkeur de problematiek van verdwijnende participatiebewijzen van de verkrijger in de splitser exclusief via dat systeem te regelen.7 Het gaat immers over potentiële vennootschapsbelastingclaims die samenhangen met het belang van de verkrijger in de splitser.