Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.3
6.2.3 Fiscale faciliteiten gericht op de financiering van de koopsom
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS351623:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 3, blz. 8.
Albregtse en Tigelaar-Klootwijk (2006).
Evaluatie van de durfkapitaalregeling, Bureau Bartels in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Werkgelegenheid, Amersfoort, 8 april 2005.
Zie paragraaf 2.3.3 en uitgebreider Hoogeveen (2011), hoofdstuk 4. Hoogeveen beperkt haar onderzoek niet tot fiscale faciliteiten.
Met ingang van 19 oktober 2012 is de borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) bij wijze van pilot ook opengesteld voor niet-banken. Deze maatregel geldt in beginsel tot ultimo 2013 (brief van de minister van Economische Zaken van 28 februari 2013 inzake de halfjaarsrapportage inzake de benutting van de EZ-financieringsinstrumenten).
Zie ook MvA, Kamerstukken I 2009/10, 32 128 enz., nr. E, blz. 40 en Gribnau (2012a).
Hoogeveen (2011), blz. 507-508.
In dit onderzoek staat de aanvaardbaarheid van fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten centraal. In paragraaf 6.2.1 kwam aan de orde de vraag of de overheid moest ingrijpenwaar het betreft de uit een overdracht voortvloeiende IB-claim. Hetzelfde is gedaan in paragraaf 6.2.2 voor de uit de overdracht voortvloeiende schenk- en erfbelasting. In deze paragraaf wordt beoordeeld of het aanvaardbaar is een fiscale faciliteit te creëren waarmee een kapitaalmarktimperfectie betrekking hebbend op het financieren van de koopsom kan worden gecorrigeerd. In paragraaf 2.3.3 is gebleken dat de overheid reden heeft tot ingrijpen waar het betreft het financieren van bedrijfsovernames. In dit onderzoek wordt uitsluitend beoordeeld of fiscale faciliteiten daarin een rol zouden moeten spelen.
Tot en met 31 december 2012 waren in de fiscale wetgeving specifieke faciliteiten opgenomen die zagen op het verstrekken van leningen aan ondernemingen. 32 De in box 3 geldende vrijstelling van € 56.420 (2012) voor een natuurlijke persoon die een achtergestelde lening verstrekte aan een beginnende ondernemer, gecombineerd met een heffingskorting van 0,7%33 van het vrijgestelde bedrag is met ingang van 1 januari 2013 afgeschaft.34 Dit geldt tevens voor de vrijstelling voor indirecte beleggingen in durfkapitaal.35 De afschaffing is als volgt beargumenteerd: ‘De andere drie heffingskortingen (voor sociaal-ethisch beleggen, cultureel beleggen en durfkapitaal) en de daaraan gerelateerde vrijstellingen in box 3 worden met ingang van 1 januari 2013 geschrapt. Deze regelingen zijn van een te geringe omvang om een fiscale faciliteit te rechtvaardigen. De afschaffing van deze heffingskortingen en vrijstellingen past bovendien in het streven van het kabinet naar een meer eenvoudige belastingheffing.’1 Nu is het natuurlijk altijd de vraag waarom van een faciliteit weinig gebruik wordt gemaakt. Albregtse en ik2 hebben in een eerder stadium aandacht besteed aan een evaluatie van de durfkapitaalregeling, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Werkgelegenheid.3 Uit deze evaluatie blijkt dat met name uit durfkapitaalfondsen (indirecte beleggingen in durfkapitaal) vele bedrijfsovernames gefinancierd zijn. Voor een belangrijk deel ging het om bedrijfsovernames in de landbouwsector binnen de familiesfeer. De indirecte variant van de durfkapitaalregeling betekende in de periode voorafgaand aan de ‘versobering’ per 1 januari 2003 een fiscaal voordeel van 2,5% (1,2% voordeel vanwege vrijstelling in box 3 en 1,3% heffingskorting). Uit de evaluatie blijkt dat van deze 2,5% per saldo circa 1% is terechtgekomen bij de belegger. Het belastingvoordeel van 2,5% kwam dan wel via de inkomstenbelasting voor de belegger beschikbaar, maar daar stond tegenover dat de vergoede rente aan de belegger (door de fondsen) wat lager was dan bij vergelijkbare producten. Verder konden de startende ondernemers die vanuit de fondsen werden gefinancierd (daardoor) circa 0,6% tot 1,0% goedkoper lenen in vergelijking met vergelijkbare (hypothecaire) leningen. De banken berekenden het voordeel van de lagere rentekosten voor het aantrekken van vermogen niet volledig aan de ondernemers door. Met dit verschil konden de banken (onder andere) de organisatie rondom de fondsen bekostigen. Overigens blijkt uit de evaluatie dat het beleggingsbeleid van de durfkapitaalfondsen nogal risicomijdend was, waardoor met name belegd is in traditionele, weinig innovatieve bedrijven. Fondsbeheerders gaven aan dat er vanuit de fondsen maar in zeer beperkte mate starters zijn gefinancierd die anders geen lening hadden verkregen. Voor de regering was dat de reden om de indirecte variant, wat de heffingskorting betreft, als zijnde niet effectief, af te schaffen. Na de versobering (afschaffing van de heffingskorting) bedroeg het te ‘verdelen’ fiscale voordeel bij de indirecte variant nog maar 1,2%. Dit was in de optiek van de banken te weinig om de fondsen te continueren. Uit de evaluatie bleek verder dat de directe variant met name een familie-instrument was. Negen van de tien geraadpleegde directe ondernemers ontvingen de lening van een familielid. Meestal (in 95% van de gevallen) had de directe belegger ook maar één onderneming gefinancierd. Voor zover op de directe variant een beroep werd gedaan bij bedrijfsovernames ging het in verreweg de meeste gevallen om bedrijfsovernames in de landbouwsector. Wat de directe variant van de durfkapitaalregeling aanging, blijkt dat ongeveer de helft van de directe beleggers door deze regeling gestimuleerd werd om (grotere) leningen aan starters te verstrekken. Uit de consultatie van de ondernemers die via de directe variant van de durfkapitaalregeling een lening van een particuliere belegger hebben verkregen, blijkt een vergelijkbare impact van de durfkapitaalregeling. Ook bij deze doelgroep gaf ongeveer de helft aan dat de durfkapitaallening in een ‘witte vlek’ heeft voorzien. Relevant is tevens dat bij circa twee op de vijf van de hiervoor bedoelde ondernemers de durfkapitaalregeling een ‘hefboomwerking’ heeft gehad. Daarmee wordt bedoeld dat andere partijen – en dan met name banken – ‘over de streep zijn getrokken’ om eveneens een deel van de financiering te verzorgen. Door de durfkapitaallening wordt de ‘haalbaarheid’ van bancaire financiering immers vergroot (een durfkapitaallening is achtergesteld en behoort dus tot het risicodragend vermogen). Onze conclusie was dat de durfkapitaalregeling vooralsnog weinig effectief was bij bedrijfsovernames buiten de familiesfeer. Ook gaven wij aan mogelijkheden te zien om de effectiviteit van de regeling, ook bij bedrijfsoverdrachten buiten de familiesfeer, zodanig te vergroten dat sprake kan zijn van een adequaat instrument om de continuïteitsdoelstelling bij bedrijfsovernames te verwezenlijken. Niet-fiscale overheidsgarantieregelingen zijn evenwel niet in de analyse betrokken. Ook in dit onderzoek behoort een toetsing van niet-fiscale regelingen niet tot de onderzoeksvraag. Bij de vraag of een fiscale regeling wenselijk is, kunnen niet-fiscale regelingen evenwel niet helemaal worden genegeerd. De overheid grijpt op financieringsgebied al in. Zo kan een beroep worden gedaan op een aantal (niet-fiscale) overheidsgarantieregelingen. Hiermee wordt de kans vergroot om een financiering te krijgen. Het betreft regelingen waarbij de overheid garant staat voor diverse vormen van kapitaalverstrekking.4 De overheid zet momenteel sterk in op deze niet-fiscale overheidsgarantieregelingen. Dergelijke instrumenten kunnen de kredietmogelijkheden van bedrijven vergroten.5 Nu de overheid ervoor heeft gekozen om op een directe manier faciliteiten in te zetten die erop gericht zijn financieringsproblemen ter zake van de financiering van de koopsom weg te nemen of te verminderen geef ik de voorkeur aan dergelijke faciliteiten. De kans op overheidsfalen is bij fiscale regelingen groter dan bij niet-fiscale regelingen. Indien gekozen wordt voor niet-fiscale maatregelen is het immers de markt (vermogensverschaffers) die zijn werk doet. In paragraaf 2.5 heb ik in dit kader aangegeven dat de overheid zich steeds weer de vraag moet stellen of zij moet ingrijpen via de belastingheffing. Bij de invoering van een belastinguitgave moet altijd eerst worden beargumenteerd waarom niet voor ingrijpen door middel van een subsidie is gekozen.6
Ook Hoogeveen7 kiest in haar proefschrift duidelijk voor niet-belasting gerelateerde maatregelen.