Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.4.b:6.4.b Afgesproken toepassing en praktijk
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.4.b
6.4.b Afgesproken toepassing en praktijk
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604698:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2005/06, 30320, nr. C, p. 4; zie ook Kamerstukken I 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24; zie ook Haentjens 2007, p. 42-43.
Werkproces stroomlijnen hoger beroep 2007; zie voor eerdere afspraken Kuiper 2009.
Waarover Vellinga 2007, p. 75-76; Kuiper 2009, p. 170.
Kuiper 2009, p. 170.
Zie voorts Van Kempen & Pesselse 2014, p. 96-97.
Van Kempen & Pesselse 2014, p. 96-97; het verlofverleningspercentage bij deze hoven verschilde sterk: 50% respectievelijk 90%.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 20 en 24.
Paragraaf 5.5a.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de totstandkoming van het verlofstelsel in hoger beroep is benadrukt dat het nuttig zou zijn als de hoven onderling afspraken zouden maken over de hantering van de verlofmaatstaf. Het open karakter van de maatstaf was weliswaar beoogd, maar moet in de praktijk niet leiden tot rechtsongelijkheid of willekeur, aldus de wetgever.1 Deze handschoen is door de gezamenlijke hoven opgepakt, onder meer in het door de LOVS opgestelde Werkproces stroomlijnen hoger beroep.2 In dit verband is onder meer afgesproken om steeds verlof te verlenen als het hoger beroep ziet op een in eerste aanleg door de meervoudige kamer behandelde zaak, als belangen van benadeelden in het geding zijn, als is veroordeeld voor een strafbaarstelling uit lagere regelgeving,3 als de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf is bevolen, of als het beroep een jeugdzaak betreft.
Aan deze afspraken valt op dat niet zozeer een operationalisering van de maatstaf van de goede rechtsbedeling wordt gegeven, maar voornamelijk enkele specifieke gevallen worden benoemd waarin verlof in de rede ligt. Het is wellicht daarom dat deze afspraken een afwijkende lokale praktijk en ongelijkheid tussen de gerechtshoven niet hebben voorkomen. Kuiper rapporteerde over de jaren 2007 en 2008 (deels voorafgaand aan de genoemde afspraken) cijfers die uiteenliepen van een verlofweigeringspercentage van 20% bij het ene hof tot 75% bij een ander gerechtshof.4 Enige tijd na de veroordelingen van door het EHRM en het CRM, zijn de weigeringspercentages landelijk weliswaar omlaag gegaan, maar navraag in de praktijk leert dat ook nu nog grote verschillen bestaan.5
Nu impliceert het verschil in verlofpercentages niet noodzakelijkerwijs dat de verlofmaatstaf en afspraken daarover uiteenlopend worden toegepast – een verschil in aangeleverde zaken kan meespelen – maar uit de praktijk blijkt dat het verlofcriterium toch wezenlijk uiteenlopend wordt toegepast. Waar bijvoorbeeld het ene hof de verlofverlening met enige clausuleringen afhankelijk maakt van de indiening van een schriftuur (geen schriftuur, geen verlof), wordt bij het andere hof juist de insteller van het beroep op het ontbreken van een schriftuur gewezen en aldus een gelegenheid tot herstel gegeven.6 Bij sommige hoven wordt zelfs min of meer standaard verlof verleend.
Specifiek ten aanzien van de toegang tot hoger beroep doet zich eveneens een verschil in toepassing van de verlofmaatstaf voor. Bij sommige hoven plegen de verlofvoorzitters verlof te verlenen in zaken waarin het beroep (waarschijnlijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bijvoorbeeld als het beroep (evident) te laat is ingediend, wordt het beroep tot reguliere behandeling toegelaten, omdat de opvatting heerst dat alleen de reguliere kamer na (enig) zittingsonderzoek tot niet-ontvankelijkverklaring zou moeten beslissen. Een verklaring of rechtvaardiging voor deze praktijk valt mijns inziens moeilijk te geven. Systematisch en ook gelet op de wetsgeschiedenis ligt zij in elk geval niet voor de hand. Immers, de beslissing verlof te weigeren is in wezen een toegangsbeslissing, net als de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Als de verlofrechter het eerste mag, dan toch ook het tweede, aldus kennelijk ook de memorie van toelichting.7 Daartegen kan worden ingebracht dat voor sommige toegangsbeslissingen zittingsonderzoek nuttig kan zijn, bijvoorbeeld indien mogelijk sprake is van verschoonbaar termijnverzuim.8 Dit argument, dat betrekking heeft op het beperkte, schriftelijke onderzoek in een verlofzaak, geldt evenwel nog sterker waar het de beoordeling van de verlofvoorzitter van de inhoud van het beroep betreft. Voorwaardelijk geformuleerd: als de verlofrechter volgens de maatstaf van de goede rechtsbedeling een oordeel mag vormen over de inhoudelijke juistheid van het vonnis, dan moet hij toch zeker ook een oordeel kunnen vormen over de termijn, het aanwenden van beroep, de indiening van de schriftuur en andere toegangskwestie. In elk geval verschilt ook op dit punt de toepassing van de verlofmaatstaf tussen de gerechtshoven.
Ook na de gemaakte afspraken is tot slot goed voorstelbaar dat de open verlofmaatstaf ten aanzien van de inhoud van het beroep uiteenlopend wordt toegepast. Behoudens de duidelijke en formeel afgebakende gevallen van vaste verlofverlening (jeugd, meervoudige kamer, etc.) komt het namelijk uiteindelijk aan op de inschatting of het vonnis in hoger beroep vernietigd moet worden. Onder die maatstaf vallen vraagstukken waarover in de praktijk zeer verschillend kan worden gedacht, zoals wanneer de overtuiging bestaat dat de tenlastelegging kan worden bewezen en of de straf passend en geboden is. Tegelijkertijd geven de tussen de hoven onderling gemaakte afspraken aan de verlofrechter op deze punten weinig richting. Nu is dit op het reguliere onderzoek ter zitting niet anders, ook op die plek doen deze inhoudelijke vraagstukken zich voor, maar in twee opzichten verschilt de toepassing van de verlofmaatstaf daar toch van. Ten eerste worden verlofbeschikkingen nauwelijks gemotiveerd, zodat controle en vergelijking slecht mogelijk zijn. Ten tweede staat tegen verlofbeschikkingen geen beroep open, zodat onjuiste toepassing van het verlofstelsel niet extern kan worden gecorrigeerd. Dit maakt de open geformuleerde doch waarschijnlijk inhoudelijk bedoelde verlofmaatstaf vatbaar voor uiteenlopende toepassing.