Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/3.2.2.1
3.2.2.1 Verbod & Gerichtliche Frage- und Aufklärungspflicht
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS303399:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Reichold 2009, p. 413 (nr. 2c). Baumbach e.a. noemen dit “ein notwendige Folge der Parteiherr schaft” (2009, p. 987 (nr. 7a)). Het lijkt mij veeleer een gevolg van het beginsel van hoor en wederhoor en van een fundamenteel beginsel dat de wederpartij dient te weten waartegen zij zich dient te verweren. Vgl. ook: BGH 24 mei 1972, NJW1972, p. 1374, waarin wordt uiteengezet dat het feit dat de wederpartij afstand doet van haar recht om te klagen over een gebrek in de dagvaarding dit gebrek niet heelt, omdat de dagvaarding het openbare belang van de rechtszekerheid dient.
Vgl. Baumbach e.a. 2009, p. 987 (nr. 7a).
BGH 16 mei 1983, NJW 1983, p. 2448-2449.
Vgl. Baumbach e.a. 2009, p. 1295 (nr. 4) en BGH 3 februari 1999, NJW 1999, p. 1871. De rechter mag hierbij acht slaan op aan processtukken gehechte bijlagen.
Er is een aantal zaken waarin § 308 ZPO niet geldt. Een aantal daarvan houdt verband met de bescherming van bepaalde personen, zoals familiezaken of huurzaken (vgl. § 308a ZPO). Ook in bepaalde zaken waarin een aantal specifieke algemene instellingen voor consumenten kunnen optreden, wordt een uitzondering gemaakt op § 308 ZPO (vgl. §§ 8 en 9 UklaG).
Reichold 2009, p. 517 (nr. 1a). Ter illustratie: BGH 8 juni 2000, NJW 2001, p. 1791 e.v. Wanneer de rechter § 308 ZPO schendt, dan kan de eisende partij deze schending helen in beroep, tenzij de cassatieprocedure reeds is aangevangen. Het helen van een dergelijke schending kan gedaan worden door hetgeen de rechter heeft toegewezen over te nemen in de eis. Overigens kan een dergelijke schending binnen dezelfde instantie niet worden hersteld. § 295 ZPO biedt daarvoor geen mogelijkheid, omdat § 308 ZPO geen vormvoorschrift betreft. Ook § 319 ZPO kan geen uitkomst bieden: deze bepaling ziet alleen op schrijffouten en andere kennelijke onjuistheden. Vgl. Baumbach e.a. 2009, p. 1228 (nr. 6) en p. 1297 (nr. 8); Reichold 2009, p. 518 (nr. 5d). Zie tevens: BGH 6 oktober 1998, NJW 1999, p. 61-62; BGH 20 april 1990, NJW 1990, p. 1910 e.v.
Baumbach e.a. 2009, p. 1294 (nr. 2); Jauernig 2007, p. 67.
Vgl. Herb 2007, p. 37-38. Met de Hinweispflicht zou de rechter onder omstandigheden een voorzet tot eiswijziging kunnen geven, maar daar dient de rechter zeer terughoudend mee te zijn. Zo mag hij geen eenzijdige rechtsbijstand verlenen en dient hij voor een dergelijke voorzet een aanknopingspunt in het partijdebat te vinden (vgl. BGH 18 september 1992, NJW 1993, 325; BGH 9 februari 1990, NJW 1990, p. 2755; BGH 23 juni 1988, NJW 1989, p. 171. Tevens: Herb 2007, p. 6162; Murray & Stürner 2005, p. 172). De rechter schendt § 308 ZPO ook als hij iets afwijst wat niet is gevorderd (BGH 29 november 1990, NJW 1991, p. 1684), of als hij de vordering toewijst maar de modaliteit ervan verandert, kortom, wanneer de vordering door de toewijzing een andere strekking krijgt. De rechter moet dus kijken waar de vordering precies toe strekt, waarvoor hij acht dient te slaan op de grondslag van de vordering. Vgl. voor dit laatste: BGH 3 april 2003, NJW 2003, p. 2317 e.v., waar de vordering een volledig verbod inhield en de toewijzende uitspraak een verbod dat afhankelijk was van concrete voorwaarden. In de cassatieprocedure was dit gebrek niet te herstellen, omdat de vordering in cassatie niet kan worden uitgebreid (vgl. ook: BGH 23 juni 1988, NJW 1989, p. 171).
Reichold 2009, p. 518 (nr. 4c). Overigens dient bedacht te worden dat de Duitse civiele rechter een vordering kan toewijzen op basis van feiten die zijn aangedragen door de gedaagde partij (Baumbach e.a. 2009, p. 1295 (nr. 4)). De Nederlandse civiele rechter kan dit niet zonder meer (vgl. hoofdstuk 2).
BGH 31 januari 1984, NJW 1984, p. 2295.
Baumbach e.a. 2009, p. 1295 (nr. 6). In het Duitse civiele procesrecht wordt deze bevoegdheid gehanteerd om geschilpunten al ten dele in tussenuitspraken af te doen, aangeduid als de “Verurteilung Zug um Zug” (Reichold 2009, p. 517 (nr. 1b)).
Baumbach e.a. 2009, p. 1295 (nr. 6).
Jauernig 2007, p. 73; Herb 2007, p. 53 e.v.; Murray & Stürner 2005, p. 169-170, p. 171 en p. 176-177.
Uit BGH 23 november 1983, NJW 1984, p. 731 blijkt dat een Hinweis ook gevolgen heeft voor de beroepsprocedure. Zo mag een partij die haar vordering conform een Hinweis heeft aangepast erop vertrouwen dat deze vordering daarna juridisch mogelijk is en dat deze ter zake doende is. Als de appelrechter anders oordeelt, dan dient hij partijen hier middels een Hinweis op te wijzen. Doet hij dit niet, dan geeft hij een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
BGH 18 september 1992, NJW 1993, p. 325. Ook: Baumbach e.a. 2009, p. 986-987.
Reichold 2009, p. 281 (nr. 7bb): de grens ligt in het onpartijdigheidsbeginsel. Het is de rechter niet toegestaan om naar een nieuwe vordering toe te werken (berustend op een andere grondslag) of naar een uitbreiding van de vordering toe te werken. Vgl ook: Herb 2007, p. 58-61; Murray & Stürner 2005, p. 170.
99.
De eisende partij in een Duitse civiele procedure moet een Klageschrift indienen. Een dergelijk Klageschrift – vergelijkbaar met een dagvaarding – wordt betekend aan de wederpartij en dient een aantal, in § 253, sub 2 ZPO genoemde, aspecten te bevatten. Zo dient het Klageschrift het object van het geding, een voldoende bepaalbare vordering en de gronden voor deze vordering te vermelden. Deze vordering moet zowel aan de rechter als aan de wederpartij duidelijk maken wat de eisende partij precies van de rechter verlangt. Dat betekent dat de eisende partij aandacht zal moeten besteden aan de inhoud, omvang en aard van haar vordering. Een voldoende duidelijke, bepaalbare vordering in het Klageschrift vormt een strikte processuele voorwaarde. De rechter dient ambtshalve te toetsen of het Klageschrift aan deze voorwaarde voldoet.1
Een vordering dient door de eisende partij in haar Klageschrift dus voldoende duidelijk te worden uiteengezet. Dat neemt echter niet weg dat er zelfs in dat geval nog onduidelijkheden kunnen bestaan wat nu precies in de vordering is begrepen en wat niet meer. In zo een geval dient de rechter het processtuk waarin de vordering is opgenomen uit te leggen.2 Een dergelijke uitleg geschiedt niet alleen aan de hand van de woordelijke betekenis van het processtuk, zo blijkt uit een uitspraak van het Bundesgerichtshof waarin onduidelijk was welke partij precies was gedagvaard:
“Die bezeichnung der bekl. Partei in der Klageschrift allein ist für die Parteistellung im Prozeß nicht ausschlaggebend. Vielmehr kommt es darauf an, welcher Sinn der von der klagenden Partei in der Klageschrift gewählten Parteibezeichnung bei objektiver Würdigung des Erklärungsinhalt beizulegen ist. Bei unrichtiger äußerer Bezeichnung ist grundsätzlich diejenige Person als Partei anzusprechen, die erkennbar durch die Parteibezeichnung betroffen werden soll.”3
Dit sluit aan bij de wijze waarop in het Nederlandse civiele proces een vordering wordt uitgelegd. In de Laurus-beschikking maakte de Hoge Raad immers duidelijk dat dit niet louter taalkundig moet geschieden, maar dat daarbij moet worden gekeken naar de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en het processuele debat tussen partijen. Kortom, de partijbedoeling speelt een belangrijke rol.4
100.
Het vaststellen van hetgeen de vordering precies omvat is noodzakelijk, want de Duitse civiele rechter mag, net zo min als zijn Nederlandse collega, meer of anders toewijzen dan gevorderd, zo bepaalt § 308, lid 1 ZPO: “Das Gericht ist nicht befugt, einer Partei etwas zuzusprechen, was nicht beantragt ist.”5 Ook in het Duitse civiele procesrecht geldt dus het verbod op een uitspraak ultra- of extra petita.6 Bij de partijautonomie en een efficiënte afdoening van het geschil past geen rechter die meer of anders toewijst dan gevorderd.7 Dat geldt zelfs als de rechter van oordeel is dat het door partijen aangedragen feitencomplex de toewijzing zou rechtvaardigen van meer dan gevorderd, of van iets anders dan gevorderd. Het is de rechter in beginsel ook niet toegestaan om deze constatering ambtshalve op te werpen.8
Wat de rechter wel mag doen, is de toewijzing van de vordering op een andere Anspruchsgrundlage doen steunen. Dat klinkt verdergaand dan het in werkelijkheid is. Een Anspruchsgrundlage is een juridische grondslag voor de vordering. Aangezien de toepassing van rechtsgronden aan de rechter is overgelaten, is dit uitgangspunt niet vreemd. De rechter mag de (strekking van de) vordering zelf niet veranderen. Concreet betekent dit dat de rechter met een andere Anspruchsgrundlage niet kan komen tot een rechtsgevolg dat niet in de vordering is begrepen. Ook is de rechter bij het kiezen van de Anspruchsgrundlage gebonden aan de door partijen aangedragen feiten.9 Kortom, het gaat hier vooral om een eigenlijke taak van de rechter, namelijk het toepassen van rechtsgronden op het door partijen aangedragen feitencomplex.
101.
In tegenstelling tot het toewijzen van meer of anders dan gevorderd, is het toewijzen van minder dan is gevorderd vaak wel mogelijk. Daarvoor is, net als in de Nederlandse civiele procedure, wel vereist dat de vordering dit mindere ook omvat.10 Vaak kan, behoudens contra-indicaties, gesteld worden dat het meerdere tevens het mindere omvat.11 Dat gaat overigens verder dan in Nederland. Het wordt bijvoorbeeld niet alleen beperkt tot geldvorderingen. Zo wordt wel aangenomen dat de rechter op basis van § 308 ZPO bevoegd is om een declaratoire uitspraak te doen, terwijl de vordering gericht is op een veroordelende uitspraak.12 In zoverre wordt het uitgangspunt dat toewijzen van minder dan gevorderd op zichzelf mogelijk is gedeeld met het Nederlandse civiele procesrecht, maar lijkt de invulling ervan in Duitsland wel verder te reiken dan in Nederland.
102.
De Duitse civiele rechter heeft nog een belangrijke, tot dusver onbesproken gebleven, bevoegdheid. Het betreft de Gerichtliche Frage- und Aufklärungspflicht van §§ 136, lid 2 resp. 139 ZPO. Deze bevoegdheid wordt doorgaans gekoppeld aan het vergaren van de voor de beslissing noodzakelijke feitelijke grondslag, maar speelt ook een rol bij de inzet van de procedure. Op grond van deze artikelen kan de rechter toewerken naar een volledig (opgehelderd) feitencomplex. Een van de belangrijke verplichtingen die voor de rechter uit deze Gerichtliche Frage- und Aufklärungspflicht voortvloeit, is de Hinweispflicht. Dit verplicht de rechter om partijen te wijzen op ontbrekend bewijs, inconsistenties in redeneringen of een gebrekkige feitelijke onderbouwing. Met de Hinweispflicht kan de Duitse civiele rechter zich kortom opstellen als “unparteiischer Helfer beider Parteien.”13 Deze Gerichtliche Frage- und Aufklärungspflicht zal in paragraaf 3.3 nog wat uitgebreider aan de orde komen.
Wat betekent deze plicht nu voor de ingediende vordering? Als deze vordering onvoldoende bepaald is om tot toewijzing over te gaan, dient de rechter de eisende partij hierop middels een Hinweis opmerkzaam te maken.14 Dat stelt de eisende partij in staat om haar vordering te wijzigen. Wanneer zij dit niet doet, kan de rechter de onvoldoende bepaalde vordering afwijzen.15 De rechter kan deze Hinweispflicht overigens niet gebruiken om aan het verbod op een uitspraak ultra- of extra petita te ontkomen. Voor een Hinweis dient namelijk een aanknopingspunt in het partijdebat te bestaan. Dat betekent niet dat de rechter niet zou kunnen wijzen op een concrete invulling van de vordering die partijen niet voor mogelijk hadden gehouden, mits het partijdebat voor een dergelijke voorzet maar een aanknopingspunt biedt. Voor de Duitse civiele rechter zou als leidraad kunnen dienen, de vraag of met de Hinweis een ‘nieuwe’ vordering wordt aangesneden, in die zin dat het een vordering zou betreffen die niet overeenkomt met het doel van de stellingen van partijen tot dat moment. De rechter mag namelijk niet toewerken naar een geheel nieuwe grondslag voor de vordering.16