Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/10.3.2
10.3.2 Concernrecht
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404633:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Men kan er overigens over twisten of de problematiek waaraan de Duitse wetgever met de bijzondere concernregels tegemoet tracht te komen, gelegen is in de bijzondere aard van het concern of tevens opgeld kan doen in niet-concernverhoudingen. Volgens Timmerman heeft een dochtervennootschap binnen een concern niet een principieel ander karakter dan een enkelvoudige vennootschap. Hij wijst er daarom op dat “de problemen waartoe concerns aanleiding geven, […] in eerste instantie zoveel mogelijk door toepassing van het algemene vermogensrecht en vennootschapsrecht [dienen] te worden opgelost. De enigszins afwijkende status van een concernvennootschap kan meebrengen dat in concernverhoudingen aan een algemeen vennootschapsrechtelijk begrip […] een enigszins afwijkende uitleg wordt gegeven.” (Timmerman 1994, nr. 2).
Ingevolge het Geschäftsverteilungsplan des Gerichts dat op grond van § 21(e) Gerichtsverfassungsgesetz jaarlijks dient te worden opgemaakt, oordeelt de Zweite Zivilsenat over ondernemingsrechtelijke geschillen.
In Duitsland bestaan al geruime tijd bijzondere regels voor het concern. Deze normen zijn wettelijk vastgelegd voor de AG en door rechters ten dele overgenomen voor de GmbH. Met deze regels voor samenwerking van rechtspersonen in concernverband tracht het Duitse recht tegemoet te komen aan een probleem dat specifiek opgeld zou doen in concernverhoudingen: het risico dat de controlerende aandeelhouder ten koste van de dochtervennootschap zijn invloed aanwendt ten behoeve van zijn andere ondernemingsbelangen.1 Nu het Nederlandse recht geen geformaliseerd concernrecht kent en de analyse van het Duitse recht in dit onderzoek een instrumenteel karakter heeft – zij dient ten behoeve van de gedachtenvorming over het Nederlandse recht – zal het concernrecht hierna niet uitvoerig behandeld worden. Daarop zal uitsluitend kort worden ingegaan in hoofdstuk 13, nu de aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege hun betrokkenheid bij de financiering van de vennootschap oorspronkelijk gebaseerd werd op noties ontleend aan het concern-recht. Door een aantal uitspraken van de Zweite Zivilsenat van het Bundesgerichtshof – die bevoegd is te oordelen over ondernemingsrechtelijke geschillen – heeft het concernrecht op dit punt echter aan betekenis ingeboet.2