Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.3.2
6.3.2 Problematiek als gevolg van uitsluiting van de ex-werknemer
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687275:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Te ongenuanceerd is daarom de stelling dat OR-besluiten ex-werknemers niet kunnen raken: Rb. Amsterdam (vzr.) 1 maart 2010, JAR 2010/94, ROR 2010/29 (OR Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam/Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam).
Zo ook: S.H. Kuiper, ‘OR volle zeggenschap op het pensioendossier’, P&P 2014/3.
Kamerstukken II 2000/01, 27665, nr. 3, p. 45-46.
Ook W.L. Roozendaal, ‘De zieke vangnetter met een eigenrisicodrager als ex-werkgever’, TRA 2017/49, wijst erop dat zieke vangnetters niet (meer) vertegenwoordigd zijn in de OR. Zie ook het adviesrecht van artikel 25 lid 1 onder m WOR.
Zie voor een voorbeeld hiervan Rb. Amsterdam 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6352 (OR DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij/DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij).
Onder meer: Kamerstukken II 2000/01, 27469, nr. 3, p. 2: ‘(…) deze ondernemingsraad vertegenwoordigt op basis van de Wet op de ondernemingsraden alle in de onderneming werkzame personen’.
Onder meer: R.M. Beltzer en I. Zaal, ‘Medezeggenschap na overgang van onderneming’, Ondernemingsrecht 2009/97; P.H. Burger en L.C.J. Sprengers, ‘Behoud van medezeggenschap bij overgang van onderneming’, TAP 2009/2, p. 7-12; L. van Donselaar, ‘Medezeggenschapsrechten bij overgang van onderneming. Werk aan de winkel voor de Nederlandse wetgever?’, TAP 2011/2, p. 60; F.G. Laagland, De rol van de Nederlandse (werknemers)vertegenwoordigers bij een grensoverschrijdende juridische fusie, Deventer: Kluwer 2013, p. 384; J.R. Popma en I. Zaal, ‘Drie leemten in de implementatie van Europese medezeggenschapsregels: wetgever kom in actie’, AOM 2013/4, p. 136-137; L.G. Verburg, Rood’s Wet op de ondernemingsraden, Deventer: Kluwer 2013, p. 33; J.J.M. van Mierlo, Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 56.
Vergelijk ook Afd. rechtspraak RvS 29 november 1993, AB 1995/83, m.nt. A.F.M. Brenninkmeijer (Federatief Pensioenfonds/Staatssecretaris SZW), waar een geschil speelde over de wijze van benoeming van vertegenwoordigers van deelnemers in een pensioenfondsbestuur: ‘Immers, zo oordeelt de Afdeling, er kan geen sprake zijn van vertegenwoordigen, van ‘optreden namens’, indien de in het fonds deelnemende werknemers niet het recht op aanwijzing van hun vertegenwoordigers in het bestuur hebben’. T. Huijg en P.G. Vestering, ‘De-risking door aanpassing van de pensioenregeling’, TFR 2014/7/8, p. 297, spreken door de afwezigheid van ex-werknemers in de OR over een gebrek aan ‘draagvlak’ onder ex-werknemers wanneer de OR instemt met een wijziging van de pensioenregeling.
M. Heemskerk, ‘Op weg naar het nieuwe pensioen: maar niet zonder medezeggenschap’, in: F.G. Laagland (red.), Verburg. Geciteerd en besproken. Liber Amicorum prof. mr. L.G. Verburg, Deventer: Kluwer 2021, p. 321.
Dat alle functies wellicht niet adequaat zijn vertegenwoordigd in de OR is echter geen vereiste, aldus Kamerstukken I 2001/02, 27469, nr. 136b, p. 1: ‘Voor de vertegenwoordiging van alle in de onderneming werkzame personen is het niet noodzakelijk dat alle afdelingen of alle (functie)groeperingen in de ondernemingsraad zijn vertegenwoordigd’.
H.L. Bakels, ‘Leiding van onderneming: belangen van werknemers’, in: H.L. Bakels, Arbeidsrechtelijke geschriften 1962-1977, Deventer: Kluwer 1977, p. 420; F. Koning, ‘Omtrent de ondernemingsraad (II)’, in: G.M.J. Veldkamp e.a. (red.), Sociaal-rechtelijk en sociaal-politiek denken sedert de Tweede Wereldoorlog, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1986, p. 384.
J.A.M. Engelen, De betekenis van de ondernemingsraad, Nijmegen/Utrecht: Dekker & Van de Vegt 1961, p. 102, stelt: ‘Bij dit alles mogen de raadsleden de taak en bevoegdheden niet uit het oog verliezen. Zullen zij die moeten uitoefenen, zij behoren simpel gesteld niet méér maar ook niet minder te doen’. Ook Maeijer meent dat de taak van de OR beperkt is tot het afwegen van het werknemersbelang ten opzichte van het ondernemingsbelang: J.J.M. Maeijer, ‘Het belangenconflict in de onderneming-vennootschap: rechtsmiddelen en jurisprudentie’, in: C.D.J. Bulten e.a., Verspreide geschriften van J.J.M. Maeijer, Kluwer: Deventer 2009, p. 235-236.
E. Lutjens, ‘Weg met OR-instemmingsrecht over pensioen’, TPV 2014/12; C.M.C.P. van Herpen-Thuring, S.H. Kuiper en E. Schop, ‘Wijziging via de OR’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 116 en p. 119-120; W. Wille, ‘Instemmingsrecht OR bij niet-verzekerde pensioenregelingen’, P&P 2008/12; E. Schop, ‘Rol OR bij uitvoering pensioenovereenkomst door Opf: de discussie is nog niet af’, TPV 2014/15; S.H. Kuiper, ‘OR volle zeggenschap op het pensioendossier’, P&P 2014/3; P.G. Vestering, ‘Instemmingsrecht ondernemingsraad over pensioen verder uitgebreid’, TAO 2016/2, p. 54. Vergelijk daarnaast R.J.G. Veugelers, ‘Instemmingsrecht voor OR een goede zaak!’, PM 2014/4: ‘Via het instemmingsrecht van de OR worden de belangen van de werknemers bij het invoeren, wijzigen of intrekken van de pensioenovereenkomst gewaarborgd’. En M. Grashoff, ‘De positie van de arbeidsongeschikte bij een wijziging van het fiscale kader’, in: Vereniging voor Pensioenrecht, Arbeidsongeschikt, en mijn pensioen dan?, Den Haag: Sdu 2017, p. 13, waar deze opmerkt dat de OR gefocust is op de belangen van werknemers en niet die van ex-werknemer.
Kamerstukken II 1969/70, 10335, nr. 3, p. 16; M.J. van Vliet, ‘Investeringen in de nieuwe Wet op de ondernemingsraden’, TVVS 1979, p. 355-361; M.G. Rood, ‘Vijftig jaar WOR en hoe verder?’, Ondernemingsrecht 2000, p. 304-308.
SER-advies van 22 november 1968, Advies inzake uitbreiding bevoegdheden ondernemingsraden, nummer 1968/13, p. 15.
Als de WOR de ex-werknemer geen onderdeel acht van de medezeggenschap, is de vervolgvraag of dat ten onrechte is. Zelfs de net ingehuurde uitzendkracht is beter af; de OR en ondernemer kunnen hem tenminste nog op vrijwillige basis betrekken ex artikel 6 lid 4 WOR. Ik zal niet ontkennen dat het op het eerste gezicht merkwaardig kan zijn dat een ex-werknemer een rol zou moeten (blijven) spelen in de medezeggenschap. Immers: de werknemer is weg, wellicht zelfs naar de concurrent, dus waarom zou de ondernemer de ex-werknemer willen of dienen te betrekken bij zijn medezeggenschap? Mijn punt is dat de betrokkenheid van de ex-werknemer bij de onderneming niet hoeft te eindigen met de arbeidsovereenkomst. Immers, besluiten in de zin van artikel 27 lid 1 WOR kunnen soms een impact hebben op de ex-werknemer, zonder dat hem enig medezeggenschapsrecht toekomt.1 Met anderen stel ik vast dat er hierdoor sprake is van een medezeggenschapstekort voor de ex-werknemer.2 Dit probleem kan ook buiten artikel 27 WOR spelen, als de werkgever bijvoorbeeld een arbeidsvoorwaardenreglement heeft en hij beoogt zijn (ex-)werknemers rechtstreeks te binden aan met de OR overeengekomen wijzigingen; ik kom daarop terug in paragraaf 6.4.3.
Uiteraard zullen niet alle onderwerpen van artikel 27 lid 1 WOR relevant zijn voor de ex-werknemer; zo zijn de vakantieregeling en de personeelsbeoordeling naar hun aard alleen relevant voor de werknemer. Pensioen is de meest voor de hand liggende postcontractuele arbeidsvoorwaarde waarvan wijzigingen relevant zijn voor de ex-werknemer, uiteraard binnen het kader van artikel 20 Pw. Het tekort ziet echter ook op andere denkbare onderwerpen die van belang zijn voor de ex-werknemer,3 zoals de uitgestelde winstdelingsregeling (onder a), het reïntegratiebeleid (bijvoorbeeld voor ex-werknemers van een ERD voor de ZW en WGA, onder d), regelingen die zien op de verwerking van persoonsgegevens van ex-werknemers (onder k) of een klokkenluidersregeling die ook voor ex-werknemers geldt (onder m). Voor het reïntegratiebeleid merk ik overigens op dat de wetgever daar wel onderkende dat ex-werknemers hierdoor ook worden geraakt, omdat hier mede onder valt ‘de duur gedurende welke de werkgever verantwoordelijk wil blijven voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemer, nadat het dienstverband is verbroken’ en bovendien ‘heeft het reïntegratiebeleid niet alleen betrekking op de arbeidsongeschikte werknemers, maar ook op de werknemers, die dreigen hun arbeid te verliezen of al verloren hebben’.4 Als je bijvoorbeeld bedenkt dat de periode van het zijn van ERD voor de WGA tien jaar is, en dat voor de ZW 104 weken, en dus al die tijd de ex-werknemer geen invloed heeft op de medezeggenschap voor het reïntegratiebeleid, dan kan dat toch lastig als mineur punt terzijde worden geschoven.5
Het probleem valt wellicht het beste te illustreren met een voorbeeld. Stel dat de ondernemer tot een instemmingsplichtige wijziging wil komen met gevolgen voor zijn werknemers én voor zijn ex-werknemers. De OR zal in dat geval een instemmingsrecht toekomen omdat het voorgenomen besluit ziet op in de onderneming werkzame personen. In dat geval is er dus als zodanig medezeggenschap aanwezig.6 Vanuit het perspectief van de ex-werknemer zijn daarbij echter de nodige kanttekeningen te plaatsen. Allereerst is op grond van artikel 2 WOR een OR de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen en niet (ook) van ex-werknemers. Hier bevindt zich dus een legitimiteitsprobleem ten opzichte van de ex-werknemer. Er is in het voorbeeld sprake van medezeggenschap, maar de ex-werknemer is er op geen enkele manier bij betrokken en zal zich niet vertegenwoordigd achten. Een parallel kan daarbij worden getrokken met de medezeggenschap na overgang van onderneming.7 De wetgever gaat er in dat geval vanuit dat de OR van de verkrijger (indien aanwezig) alle in de onderneming werkzame personen vertegenwoordigt, inclusief werknemers van de vervreemder.8 Op dit standpunt is veel kritiek gekomen in de literatuur. De kern daarvan is dat de OR van de verkrijger legitimiteit mist, omdat de werknemers van de vervreemder de OR niet hebben gekozen. Een verkrijger kan zich daardoor niet op het standpunt stellen dat zijn OR-leden ook de belangen van de overgenomen werknemers worden geacht te behartigen.9 Vertaald naar de ex-werknemer: OR-leden zijn, tenzij dat nog tijdens het dienstverband gebeurde, niet gekozen door de ex-werknemer en alleen daarom al kunnen zij niet worden geacht hen te vertegenwoordigen.10 Ik zie dat zowel als een probleem van de ex-werknemer (deze voelt zich niet vertegenwoordigd) als van de ex-werkgever (bijvoorbeeld wijziging van arbeidsvoorwaarden is lastiger, zie paragraaf 6.4).
Ten tweede, de WOR bepaalt nergens dat de OR in de uitoefening van zijn bevoegdheden rekening hoeft te houden met de belangen van de ex-werknemer.11 De wetssystematiek gaat er vanuit dat de OR de belangen behartigt van alle in de onderneming werkzame personen, en wijst slechts op de mogelijkheid dat de OR in zijn reglement opneemt dat de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk vertegenwoordigd zijn (artikel 9 lid 4 WOR).12 Dit terwijl de belangen van werknemers en ex-werknemers wel degelijk uiteen kunnen lopen. Zo zullen bijvoorbeeld gepensioneerde ex-werknemers in tegenstelling tot werknemers een lagere indexatie rechtstreeks in hun portemonnee voelen. Niets houdt de OR tegen bijvoorbeeld looncompensatie te eisen in ruil voor het geven van zijn instemming, welke compensatie niet ten goede komt aan ex-werknemers. Hier bevindt zich dus een belangentegenstelling. Uiteraard kunnen zich ook belangentegenstellingen voordoen tussen de in de onderneming werkzame werknemers onderling.13 Denk bijvoorbeeld aan het afstoten van een deel van de onderneming om de continuïteit van de rest van de onderneming te verzekeren. Echter, daar geldt tenminste nog dat de OR de belangen van alle werknemers dient te behartigen om zo tot een afgewogen oordeel te komen. De belangentegenstelling ten aanzien van de ex-werknemer is daarmee van een heel andere orde van grootte. In paragraaf 6.2.3 sta ik in meer detail stil bij de belangentegenstelling tussen werknemers en ex-werknemers in het kader van de grondslag voor medezeggenschap van ex-werknemers.
Ten derde, artikel 27 lid 2 WOR bepaalt dat de ondernemer aan de OR een overzicht dient te geven van de gevolgen die het besluit zal hebben voor de in de onderneming werkzame personen. Dus zelfs als de OR uit coulance rekening zou willen houden met de specifieke gevolgen voor ex-werknemers, hoeft de ondernemer daarin geen inzicht te geven. In dat geval zou de OR terug moeten vallen op een algemeen informatierecht als artikel 31 lid 1 WOR. Dit lid bepaalt echter dat een OR en zijn commissies recht hebben op inlichtingen en gegevens die deze ‘voor de vervulling van hun taak’ redelijkerwijs nodig hebben. Dat raakt meteen weer de kern van de problematiek, namelijk dat de OR tot taak heeft de belangen van de werknemers te behartigen. Dat roept zelfs de vraag op of een OR wel rekening mág houden met de specifieke gevolgen voor de ex-werknemer, omdat hij daarmee in feite zijn taak te buiten treedt. Hier is dus sprake van een probleem ten aanzien van de taakbegrenzing.14 In de literatuur is daarom door meerdere auteurs geconstateerd dat de OR niet kan optreden namens ex-werknemers.15
Ik denk dat dit probleem al met al beperkt is voor zover het besluit indirect gevolgen zal hebben voor de in de onderneming werkzame personen, namelijk in het geval zij de gevolgen zullen ondervinden wanneer zij uit dienst gaan. Het probleem is groter voor zover de gevolgen verschillen voor de ex-werknemers die op het moment van het besluit al ex-werknemer zijn en voor de werknemers die op enig moment in de toekomst ex-werknemer zullen worden. Zeer wel denkbaar is immers dat de ondernemer deze twee groepen anders wil behandelen.
Tegen het taakbegrenzingsprobleem zou je ook kunnen inbrengen dat dit uitgaat van een te enge opvatting van de taak van de OR. De OR heeft immers een dualistische en geen monistische taak.16 Naast vertegenwoordiging van de werknemersbelangen heeft de OR ook tot taak het goed functioneren van de onderneming ‘in al haar doelstellingen’. Het gaat mij echter te ver de belangen van de ex-werknemer te scharen onder de doelstellingen van de onderneming. Naast het maken van winst wordt tot deze doelstellingen gerekend de continuïteit van de onderneming en van de werkgelegenheid, alsmede het bevorderen van een zodanig klimaat en van zodanige mogelijkheden dat ieder die in de onderneming werkzaam is, zich daarin maximaal kan ontwikkelen en ontplooien.17 Dat is toch bepaald wat anders.