Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.6.2
12.5.6.2 Onderlinge vorderingen en schulden
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491492:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beleidsbesluit, NLF 2021/1057, onderdeel 6. Vgl. ook Beleidsbesluit, NLF 2021/1058, onderdeel 6.
Overigens eist standaardvoorwaarde 1 niet dat de vordering vóór de splitsing al is afgewaardeerd door de schuldeiser. Verder geldt de standaardvoorwaarde ook als de waarde in het economische verkeer van de vordering hoger is dan de nominale waarde ervan. Zie onderdeel 11.4.4.3.
Zoals is onderbouwd in onderdeel 12.5.2.
Zie ook onderdeel 7.6.2 en de daar gemaakte (literatuur)verwijzingen. Daar lag de focus op afgewaardeerde vorderingen. De waarde in het economische verkeer van een vordering kan echter ook hoger zijn dan de nominale waarde.
Ingeval de schuldeiser de splitsende rechtspersoon is, wordt hij geacht de vordering te hebben overgedragen (art. 14a, lid 1, onderdeel a of b, Wet VPB 1969). Dat heeft een fiscaal resultaatseffect bij de schuldeiser voor zover de waarde in het economische verkeer van de vordering afwijkt van de fiscale boekwaarde. Is de schuldeiser de verkrijgende rechtspersoon, dan wordt het fiscale resultaat uiterlijk gerealiseerd door de schuldvermenging.
Als de schuldenaar aan de splitsing deelneemt als de splitsende rechtspersoon, wordt hij geacht de schuld te hebben overgedragen (art. 14a, lid 1, onderdeel a of b, Wet VPB 1969). Dat heeft volgens mij een resultaatseffect bij de schuldenaar voor zover de waarde in het economische verkeer van de schuld afwijkt van de fiscale boekwaarde (nominale waarde). Is de schuldenaar de verkrijgende rechtspersoon, dan heeft de schuldvermenging een vermogenssprong tot gevolg. Ik neig ernaar dat die vermogenssprong in de belaste sfeer wordt afgewikkeld. Vgl. ook onderdeel 7.6.2.
Bobeldijk 2009, onderdeel 10.4.3, p. 324, heeft het standpunt ingenomen dat standaardvoorwaarde 1 wat betreft onderlinge vorderingen en schulden overbodig is. De kern van zijn betoog is dat de schuldvermenging in alle gevallen tot winstneming leidt bij de verkrijger, terwijl de splitsingsfaciliteiten in art. 14a, lid 2 en lid 3, Wet VPB 1969 betrekking hebben op splitsingswinst bij de splitsende rechtspersoon. Ik betwijfel of die analyse in alle gevallen juist is. Heeft de splitser vóór de splitsing een schuld aan de verkrijger en is de nominale waarde daarvan hoger dan de waarde van de corresponderende vordering, dan leidt de splitsing mijns inziens tot winstrealisatie bij de splitser (zie hiervóór). Bij de verkrijger zal in dit feitencomplex sprake zijn van een fiscaal verlies op de vordering. Als de splitser kan opteren voor een fiscaal begeleide splitsing, blijft genoemde fiscale winstneming bij hem achterwege, terwijl het corresponderende verlies bij de verkrijger onaangetast blijft. Het in de hoofdtekst genoemde evenwicht zou dan niet aanwezig zijn. Los hiervan en meer in algemene zin kan ook niet worden uitgesloten dat de fiscale wetgever respectievelijk de staatssecretaris als wetsuitvoerder van oordeel is dat schuldvermenging in het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing zonder nadere regels bij geen van de splitsingspartners een fiscaal resultaatseffect heeft. Standaardvoorwaarde 1 heeft in die lezing een neutraliseringsfunctie. Wat hier allemaal ook van zij, mijns inziens resulteert de toepassing van standaardvoorwaarde 1 met betrekking tot onderlinge vorderingen en schulden die als gevolg van de splitsing tenietgaan in een eindresultaat dat correspondeert met mijn toetsingskader (zie hoofdtekst).
Zie onderdeel 7.6.2.
Dit geldt voor het Beleidsbesluit zuivere splitsing. In het Beleidsbesluit afsplitsing staat het synoniem ‘reeds’.
Het fiscale-eenheidsregime bevat een met standaardvoorwaarde 1, lid 2, slotzin vergelijkbaar voorschrift: art. 15ab, lid 7, Wet VPB 1969. In de toelichting op standaardvoorwaarde 1 wordt naar die bepaling verwezen. Uit Kamerstukken II 2003/04, 29 686, nr. 3, p. 22, kan worden afgeleid dat art. 13 of 13ba Wet VPB 1969 ‘al op een eerder moment’ toepassing moet hebben gevonden.
Een voorbeeld kan dit verduidelijken. De verkrijger/schuldeiser heeft vóór de splitsing een vordering op de splitser/schuldenaar afgewaardeerd ten laste van de winst. Stel dat de waarde van de vordering op het splitsingstijdstip onveranderd is. Het is denkbaar dat de verkrijger/schuldeiser als gevolg van de splitsing een bedrag gelijk aan de eerdere afwaardering tot zijn winst moet rekenen op grond van art. 13b, lid 3, Wet VPB 1969. Standaardvoorwaarde 1, lid 2, eerste volzin bepaalt dat de splitser/schuldenaar zijn schuld moet waarderen op de waarde in het economische verkeer van de corresponderende vordering. Het resultaat is meervoudige heffing van vennootschapsbelasting.
Vgl. ook Van den Broek 2012, onderdeel 6.3.2.5, p. 203.
Standaardvoorwaarde 1 bepaalt met betrekking tot onderlinge vorderingen en schulden tussen de splitsingspartners die tenietgaan in de kern dat de vordering (lid 1) moet worden gesteld op de waarde in het economische verkeer en dat de schuld (lid 2) op hetzelfde bedrag moet worden gewaardeerd.1 Dit waarderingsvoorschrift grijpt aan op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het (af)splitsingstijdstip. Uit de toelichting op deze standaardvoorwaarde kunnen doel en strekking worden afgeleid:2
“Onderlinge schuldverhoudingen verdwijnen door de zuivere splitsing als vordering en schuld door de zuivere splitsing bij de verkrijgende rechtspersoon samenkomen (schuldvermenging). Als bij de crediteur de vordering is afgewaardeerd ten laste van de winst verdwijnt met de schuldverhouding ook de mogelijkheid van belaste winstneming bij herstel van de debiteur. Voorwaarde 1, tweede lid, voorkomt dit claimverlies, door te bepalen dat – kort gezegd – de debiteur belast winst moet nemen tot het bedrag dat bij de crediteur is afgewaardeerd.”
De staatssecretaris maakt een vergelijking met een mogelijke belaste winstneming bij een (toekomstig) herstel van de debiteur. Het gegeven dat de schuldvermenging die potentiële winstneming in de toekomst doorkruist, beschouwt de bewindspersoon dus als claimverlies.3 Daarmee maakt de staatssecretaris feitelijk een vergelijking met situaties waarin geen splitsing zou hebben plaatsgevonden en de onderlinge vordering-schuldverhouding in stand zou blijven. Mijns inziens is dat een verkeerde vergelijkingsmaatstaf. Volgens mij zou een vergelijking gemaakt moeten worden met de fiscale implicaties van een ruisende splitsing volgens wenselijk recht.4 Dit betekent concreet dat de fiscale gevolgen van een schuldvermenging in het kader van een ruisende splitsing maatgevend dienen te zijn bij de beoordeling in hoeverre het waarderingsvoorschrift in standaardvoorwaarde 1 een juiste uitkomst oplevert.
Gaat een onderlinge vordering-schuldverhouding bij een ruisende splitsing door schuldvermenging teniet, dan zijn de fiscale implicaties mijns inziens zodanig dat een evenwicht ontstaat. Ik licht dit kort toe.5 De schuldeiser maakt volgens mij een eventuele fiscale meer- of minderwaarde in de vordering definitief.6 De schuldenaar realiseert naar mijn mening een fiscaal resultaat voor zover sprake is van een verschil tussen de nominale waarde van de schuld en de waarde in het economische verkeer van de corresponderende vordering.7 Het waarderingsvoorschrift van standaardvoorwaarde 1 heeft materieel hetzelfde gevolg wat betreft onderlinge vorderingen en schulden tussen splitsingspartners die tenietgaan. Om die reden is deze standaardvoorwaarde op het punt van deze onderlinge relaties in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets, zij het dat er – zoals gezegd – volgens mij een onjuiste vergelijkingsmaatstaf aan ten grondslag ligt.8
Eén punt verdient nog aandacht. Het waarderingsvoorschrift geldt namelijk niet voor de schuldenaar – waardoor winstneming bij dat lichaam achterwege blijft – voor zover met betrekking tot de corresponderende vordering al een bedrag op de voet van art. 13b of art. 13ba Wet VPB 1969 in aanmerking is genomen bij de schuldeiser of een met hem verbonden lichaam als bedoeld in art. 10a, lid 4, Wet VPB 1969. Deze uitzondering is terecht omdat daarmee feitelijk meervoudige heffing van vennootschapsbelasting wordt voorkomen. Eerder in dit onderzoek is gepleit voor een voorschrift met een vergelijkbare strekking voor situaties waarin schuldvermenging optreedt als gevolg van een ruisende splitsing.9 Ook bij een ruisende splitsing volgens wenselijk recht wordt meervoudige heffing dus vermeden. De uitzondering is daarom in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets. De vraag rijst echter of de uitzondering in alle gevallen soelaas biedt. In standaardvoorwaarde 1, lid 2, slotzin wordt namelijk het woord ‘al’ gebruikt.10 Daarom lijkt getoetst te moeten worden of art. 13b of 13ba Wet VPB 1969 (op het ogenblik direct) vóór het splitsingstijdstip tot winstneming heeft geleid.11 Dat zou betekenen dat het waarderingsvoorschrift van standaardvoorwaarde 1, lid 2, eerste volzin toch geldt ingeval art. 13b of 13ba Wet VPB 1969 bij de splitsing in werking treedt en de daaruit voortvloeiende winstneming niet onder het bereik van de splitsingsfaciliteit valt. Als dat juist is, kan (toch) sprake zijn van meervoudige belastingheffing.12 Het is de vraag of dat gevolg is beoogd.
Standaardvoorwaarde 1 is op het punt van onderlinge vorderingen en schulden naar mijn mening in overeenstemming met het hoger recht. Het is afhankelijk van de voorliggende feitelijke situatie of standaardvoorwaarde 1 belastingheffing oproept bij de splitsende rechtspersoon of de verkrijgende rechtspersoon. Volgens mij verbiedt art. 4 Fusierichtlijn geen belastingheffing bij de verkrijger. Het verbod op belastingheffing zoals opgenomen in lid 1 van die bepaling geldt namelijk voor de vermogenswinst die bepaald wordt door het verschil tussen de werkelijke waarde van de ingebrachte activa en passiva en hun fiscale waarde. Uit art. 4, lid 2, Fusierichtlijn kan worden afgeleid dat het gaat over de positie van de inbrengende vennootschap (splitsende rechtspersoon).13 Maar ook de belastingheffing die standaardvoorwaarde 1 in bepaalde gevallen veroorzaakt bij de splitser stuit mijns inziens niet af op art. 4 Fusierichtlijn. Ik wijs op art. 4, lid 2, onderdeel b en lid 4, Fusierichtlijn waaraan duidelijk de veronderstelling ten grondslag ligt dat de ingebrachte activa en passiva na de splitsing nog bestaan. Dat is met betrekking tot de hier bedoelde onderlinge vorderingen en schulden nu juist niet het geval. Van strijd met het OMV is ook geen sprake. Nederland heft namelijk niet over de (eventuele) fiscale winst die voortvloeit uit toepassing van standaardvoorwaarde 1 ingeval de vordering of schuld niet tot het Nederlandse ondernemingsvermogen van de schuldeiser respectievelijk schuldenaar behoort.