Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.6.3
5.6.3 Bevoegde rechter
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706282:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1980/81, 16593, nr. 3, p. 29 (MvT). De woorden zijn overgenomen uit art. 429c Rv (oud).
Zoals bijv. Rb. Midden-Nederland 22 november 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6003, r.o. 5.3.
Zie bijv. Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.2 (Airopack).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.1 en (Delma Projectontwikkeling).
Zie bijv. Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.2 (Airopack).
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 152 (MvT).
Zie Hutten in JOR 2019/144.
Zie Knigge 2012, §3.3.3.
Vgl. (of vermogensrechtelijke ter vrije bepaling van partijen staan) Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht, p. 111. Zie ook Rb. Amsterdam (NCC) 11 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:990, r.o. 4.1 (Bever).
In gelijke zin De Bruijn & Menasalvas Garrones 2021, §2.1. In gelijke zin zonder motivering Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.1 (Delma Projectontwikkeling).
Verordening (EG) nr. 44/2001 resp. Verordening (EU) 1215/2012.
Zie bijv. Rb. Amsterdam (NCC) 13 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2681, r.o. 4.1 (Royal IHC). Vgl. ook Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.2 (Airopack); Rb. Amsterdam 11 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4523, r.o. 6.1 e.v. (HEMA); Rb. Amsterdam (NCC) 11 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:990, r.o. 4.1 (Bever); Rb. Amsterdam (NCC) 12 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2196, r.o. 4.1-4.2 (Frigoinvest Holdings).
220. Relatief bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot toestemming voor een van openbare veiling afwijkende verkoopwijze is de voorzieningenrechter van de rechtbank in wier rechtsgebied de te executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie zal geschieden (art. 438a lid 1 Rv). De wetgever heeft met de woorden ‘of de executie zal geschieden’ de executie voor ogen gehad van goederen die niet zijn te lokaliseren zoals aandelen of vorderingen.1 De vraag is daarom waar de executie van de verpande aandelen plaatsvindt. Daarvoor komen verschillende plekken in aanmerking: de plaats van de statutaire zetel van de vennootschap waarvan de aandelen worden geëxecuteerd,2 de plaats waar de pandhouder is gevestigd of woonplaats heeft,3 de plaats waar de pandgever is gevestigd of woonplaats heeft,4 en de plaats waar de notaris die de aandelenoverdracht zal verzorgen zijn kantoor heeft.5
Naar geldend recht is het geen uitgemaakte zaak welke plek beslissend is. De paar gepubliceerde rechterlijke uitspraken lopen op dit punt uiteen. Mijn voorkeur gaat er naar uit dat in beginsel de plaats van de statutaire zetel van de vennootschap waarvan de aandelen worden geëxecuteerd beslissend is. Daarvoor pleit de omstandigheid dat dan de competentie parallel loopt aan die bij een verzoek tot buitenwerkingstelling van een blokkeringsregeling op grond van artikel 2:195 lid 7 BW. De wet bepaalt dat bij verzoekschriftprocedures die worden ingesteld op grond van Boek 2 BW bevoegd is de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon (art. 995 lid 1 Rv). Een verzoek tot buitenwerkingstelling van een blokkeringsregeling en een verzoek tot goedkeuring van een van openbare verkoop afwijkende executiewijze – twee kwesties die nauw verbonden zijn – kunnen dan door dezelfde rechter worden beoordeeld.
In Rb. Amsterdam 19 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4238, r.o. 4.5 (Solutus) oordeelde de rechtbank dat onder de gegeven omstandigheden een beroep op de blokkeringsregeling misbruik van bevoegdheid zou opleveren. De rechtbank vermeed zo de competentiekwestie. De rechtbank Rotterdam zou namelijk wat betreft artikel 2:195 lid 7 BW de aangewezen rechter zijn. In Rb. Amsterdam 30 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6505 (Lebara) lijkt de rechtbank beide verzoeken tegelijk te behandelen. Omdat de woonplaats van de vennootschap geanonimiseerd is, is de juistheid van het oordeel over de rechterlijke competentie niet in te schatten. De bewoording van de beschikking laat echter ook ruimte voor de conclusie dat de rechtbank oordeelde dat de statutaire blokkeringsregeling materieel niet toepasselijk was in dat geval.
221. Om onzekerheid over de relatieve competentie bij een verzoek tot goedkeuring van een van openbare verkoop afwijkende executiewijze te voorkomen, zouden de pandgever en de pandhouder een forumkeuze kunnen maken. Over wat de gevolgen daarvan zijn, bestaat echter ook onzekerheid. Het systeem voor de relatieve bevoegdheid van een rechter in verzoekschriftprocedures is bewust minder soepel vormgegeven dan het systeem dat geldt voor de dagvaardingsprocedures. Daar waar partijen bij een dagvaardingsprocedure vooraf op grond van artikel 108 Rv bij overeenkomst zelf een rechter kunnen aanwijzen, ontbreekt zo’n bepaling bij verzoekschriftprocedures. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat daarvoor redengevend was dat het bij verzoekschriftprocedures doorgaans gaat om zaken waarin de rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van partijen staan.6
Hoewel ik in het verleden de andere kant op neigde, vind ik inmiddels dat deze ratio bij pandexecutie geen zwaarwegend argument is tegen het toestaan van een forumkeuze bij pandexecutie.7 Het argument doet vooral opgeld wat betreft de absolute competentie van de Nederlandse rechter in personen- en familierechtkwesties.8 Wat betreft relatieve competentie komt dit principe mijns inziens niet in gevaar, en wat betreft vermogensrechtelijke kwesties als pandexecutie zou het voor de belangen van de betrokkenen niet uit moeten maken welke rechter in Nederland relatief bevoegd is.9 Mijns inziens is daarom een forumkeuze bij pandexecutie wat betreft de relatieve competentie geldig.10 In internationale geschillen speelt deze onduidelijkheid vaak niet, omdat voor zover de rechter zijn internationale bevoegdheid ontleent aan de Brussel I bis-verordening een forumkeuze is toegestaan (art. 25 en 26 Brussel Ibis-verordening).11 Internationale competentie en relatieve competentie gaan dan hand in hand.12
Indien de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, kunnen de pandgever en de pandhouder kiezen voor behandeling door de District Court van de Netherlands Commercial Court (NCC). Daarvoor is nodig dat partijen uitdrukkelijk overeenkomen om bij deze speciale handelskamer van de rechtbank Amsterdam en in de Engelse taal te procederen, de rechtsbetrekking ter vrije bepaling van partijen staat, en het een internationaal geschil betreft (zie art 30r lid 1 Rv). Voordelig aan zo’n processuele keuze kan de flexibiliteit ter zitting zijn. Bij de NCC kan de procedure nog meer worden afgestemd op de (internationaal georiënteerde) wensen van partijen, wat praktisch kan zijn bij de executie van verpande aandelen die onderdeel uit maken van een internationale groep of ingeval er een internationale groep financiers is.