Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.2.2.4
3.2.2.4 Rechtsverhouding met procespartijen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652341:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Slabbers & Mulder 2001, p. 232; Klaassen 2002, p. 95, met verwijzingen; De Groot 2004a, p. 79; Kortmann 2004, p. 209; Bekkers 2005, p. 70; Verkerk 2008, p. 173.
Kortmann 2004, p. 209.
De Groot 2004a, p. 79-80.
Klaassen 2002, p. 93.
Klaassen 2002, p. 95 en p. 98, met verwijzingen; Verkerk 2008, p. 181.
Zo ook Geerts 2004, p. 181-182.
Broere 2019b, p. 691-692. Zie hierover Hermans 2017, p. 140.
Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 6. In de literatuur is wel een grotere betrokkenheid van partijen bepleit, zie Smit 2002, p. 43; Hermans 2017, p. 136-137.
In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat geen contractuele verhouding bestaat tussen de door de rechter benoemde deskundige in de civiele procedure en procespartijen in diezelfde procedure.1 De verplichtingen die de deskundige en procespartijen over en weer hebben vinden hun grondslag in de wet of het ongeschreven recht.2 Anders dan wanneer partijen een overeenkomst sluiten, hebben zij niet de vrijheid de deskundige van hun eigen keuze te benoemen, de prijs van het deskundigenbericht overeen te komen of de vragen te formuleren die aan de deskundige worden voorgelegd. Partijen kunnen dienaangaande hun wensen en opvattingen aan de rechter kenbaar maken,3 maar de rechter is ten aanzien van de benoeming van een deskundige dominus litis.4 Omdat de rechtsverhouding tussen de deskundige en procespartijen niet kwalificeert als een verbintenis, is de grondslag voor aansprakelijkstelling van de deskundige ook niet wanprestatie, maar onrechtmatige daad.5
Ook in de enquêteprocedure bestaat mijns inziens in beginsel geen contractuele verhouding tussen de onderzoeker en bij de enquêteprocedure betrokken partijen.6 Tussen de onderzoeker en de bij de enquêteprocedure betrokken partijen kunnen wel contractuele verhoudingen ontstaan, bijvoorbeeld wanneer procespartijen de onderzoeker vrijwaren (par. 3.2.8.5). In de Leidraad is in bepaling 3.1 ook opgenomen dat er geen overeenkomst van opdracht bestaat tussen de onderzoeker en de rechtspersoon waarop het onderzoek betrekking heeft. Ik vermoed dat de Ondernemingskamer hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de onderzoeker geen opdrachtrelatie mag aangaan met de rechtspersoon die voorwerp van onderzoek is. Onduidelijk is of de Ondernemingskamer ook heeft willen uitdrukken dat het de onderzoeker niet vrijstaat voorwaarden aan de aanvaarding van zijn benoeming te verbinden.7
Procespartijen hebben de mogelijkheid zich uit te laten over het aantal onderzoekers en de persoon van de onderzoeker, maar zij hebben niet de vrijheid de onderzoeker van hun eigen keuze te benoemen. Die keuze is aan de Ondernemingskamer.8 Zij kunnen de vergoeding van de onderzoeker ter discussie stellen, maar het is de Ondernemingskamer die uiteindelijk het onderzoeksbudget (par. 2.5.4) en de vergoeding van de onderzoeker vaststelt (par. 2.8). Procespartijen bepalen ook niet de reikwijdte van het door de onderzoeker uit te voeren onderzoek (par. 2.2.2.3). Ten aanzien van de benoeming van de onderzoeker is de Ondernemingskamer dus evengoed dominus litis. Tussen de onderzoeker en bij de enquêteprocedure betrokkenen bestaat mijns inziens dan ook geen contractuele relatie. Veeleer moet die rechtsverhouding mijns inziens als een verhouding sui generis worden geduid. De grondslag voor civielrechtelijke aansprakelijkstelling van de onderzoeker is dan ook niet wanprestatie, maar onrechtmatige daad.