Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.4.1
5.4.1 Een normcentrisch schadevergoedingsrecht
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657499:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals bij de kwalitatieve aansprakelijkheden van Afdeling 6.2.2 BW.
Zoals bij de schuldaansprakelijkheden van Afdeling 6.2.1 BW, maar ook de reeks aan bijzondere aansprakelijkheden die door de boeken 6 en 7 BW verspreid liggen.
Zevenbergen wees er in 1917 al op dat dan een hele reeks aan omstandigheden aangewezen zou moeten worden. Zie Zevenbergen 1917, p. 33 e.v.
Zie bijv. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291 (Wevers/Hengelo), r.o. 3.5.2; HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62 (UWV), r.o. 3.4.4; HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:354, NJ 2019/409, m.nt. L.A.D. Keus (Zuid-Holland/Boskalis), r.o. 3.3.2; HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, NJ 2017/133, m.nt. S.D. Lindenbergh (Netvliesloslating), r.o. 3.5.3. Zie daarover eerder § 5.2.1.
Zie hiervoor § 5.2.2. Zie ook Lindenbergh 2007, p. 19-21.
Zie hiervoor § 5.3.2.
Zie hiervoor § 5.3.1.
Zie ook Van der Kooij 2019, p. 231.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, m.nt. S.D. Lindenbergh (Alphen aan den Rijn), r.o. 3.3.2.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 404.
Bloembergen 1965, p. 186-187. Zie ook Van der Kooij 2019, p. 147.
Het uitgangspunt van het aansprakelijkheidsrecht is dat ieder zijn eigen schade draagt. Wie schadevergoeding vordert probeert daar verandering in te brengen door een ander die schade te laten vergoeden. Het recht staat dat toe, maar eist daarvoor wel een goede reden. Een begin van die reden kan worden gevonden in overwegingen van distributieve rechtvaardigheid zoals het profijtbeginsel1 of in de schending van een gedragsnorm.2 Vervolgens moet een brug geslagen geworden tussen die ‘reden voor aansprakelijkheid’ en de gevorderde schade. Vanwege het grote detail van de schadevergoedingsregels is het makkelijk over het hoofd te zien, maar alle in dit hoofdstuk besproken leerstukken vervullen uiteindelijk die functie. Die invloed van de norm op de vormgeving van de schadevergoeding loopt van een vrij ‘harde’ of ‘directe’ invloed bij vaststelling van het csqn-verband en de relativiteit tot een meer ‘zachte’ of ‘indirecte’ invloed bij leerstukken als de bewijsvermoedens, de omkeringsregel en de redelijke toerekening.
De ‘harde’ of ‘directe’ invloed van de norm wordt het meest gevoeld bij de vaststelling van het csqn-verband en de toepassing van het relativiteitsvereiste. In die gevallen kan vanuit de norm vrij duidelijk worden afgeleid wat de kaders van aansprakelijkheid zijn. Bij de vaststelling van het csqn-verband wordt dat duidelijk doordat niet zozeer een onderzoek wordt ingesteld naar de natuurwetenschappelijke oorzaak van de schade,3 maar gevraagd wordt hoe de wereld eruit zou hebben gezien zonder de normschending.4 Dáár had de gerechtigde immers aanspraak op. Met wetenschappelijke causaliteit heeft dat eigenlijk weinig te maken. Bij de toepassing van het relativiteitsvereiste komt dat tot uitdrukking doordat de vraag gesteld wordt tegen welke schade deze norm nu eigenlijk beoogde te beschermen. In de meest gevallen kadert dat de aansprakelijkheid duidelijk in.
De invloed van de norm houdt daar evenwel niet op. Zowel bij de vaststelling van het causaal verband in de vestigingsfase als in de omvangsfase wordt een beroep gedaan op normatieve overwegingen. Hoewel de uitkomst van die overwegingen minder direct is af te leiden uit het scenario waar de norm de eiser recht op gaf, biedt de norm wel nuttige informatie over of een leerstuk voor toepassing in aanmerking komt en, zo ja, in hoeverre. Zo is de toepassing van de omkeringsregel en andere bewijsvermoedens een direct resultaat van de verantwoordelijkheidsverdeling die in de norm besloten ligt,5 kan de selectie van relevante factoren bij redelijke toerekening goed worden verklaard aan de hand van de strekking van de norm6 en kan in moeilijke gevallen ook de toepassing van het relativiteitsvereiste profiteren van deze ‘indirecte’ invloed van de norm.7
Al deze leerstukken samen dienen ter beantwoording van dezelfde vraag: welke verantwoordelijkheidsverdeling is in dit concrete geval gepast? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten veel normatieve oordelen worden geveld. Om die analyse gestructureerd te houden is het verstandig daarbij te putten uit de aan de vordering ten grondslag gelegde norm. De geschonden norm is namelijk de belangrijkste bron van normatieve informatie en het zou een fout zijn die teveel te negeren. Vanuit dat opzicht valt toe te juichen dat de Hoge Raad in Alphen aan den Rijn bij de toepassing van de leer van de redelijke toerekening nadrukkelijk overweegt dat de strekking van die norm een ruime mate van toerekening rechtvaardigt,8 zodat letselschade eenvoudig kan worden toegerekend en zelfs toerekening van vermogensschade van winkeliers niet is uitgesloten.9 Door te redeneren vanuit de strekking van de norm en niet uitsluitend het soort geleden schade als uitgangspunt te nemen, wordt veel beter aangesloten bij de verantwoordelijkheidsverdeling die in die norm besloten ligt.
Waar de invloed van de norm in al deze gevallen in meer of mindere mate voelbaar is, zijn er ook in een normgestuurde benadering gevallen die weinig tot niets met de norm te maken hebben. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is de rechterlijke matiging op grond van artikel 6:109 BW. De rechterlijke matiging is juist ingegeven door de gedachte schrijnende uitkomsten te voorkomen.10 Vandaar dat Bloembergen de ‘mate van schuld’ onder dit leerstuk wilde scharen.11 Juist een subjectieve factor zoals de geringe schuld van de gedaagde kan aanleiding geven de schadevergoeding te matigen. Met de onderliggende norm heeft dat weinig te maken. Naar huidig recht wordt die factor gewogen in het kader van de redelijke toerekening, maar de gedachte blijft dezelfde: de invloed van deze factor stoelt op de billijkheid en heeft met de oorspronkelijke verhouding tussen partijen weinig te maken.