De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.3.1:8.4.3.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.3.1
8.4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368533:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook par. 8.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Blijkens de tekst van art. 2:349a lid 2 BW kunnen onmiddellijke voorzieningen worden getroffen, gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, (i) in verband met de toestand van de rechtspersoon of (ii) in het belang van het onderzoek. Wat deze gronden inhouden, wordt in de navolgende paragrafen uitgewerkt.
In dat kader zal worden geconcludeerd dat alle onmiddellijke voorzieningen hun rechtvaardiging vinden in de toestand van de rechtspersoon, ook als deze worden getroffen in het belang van het onderzoek. Evenwel wint de wet aan duidelijkheid door het naast elkaar hanteren van deze twee categorieën van omstandigheden die onmiddellijke voorzieningen rechtvaardigen. Om dezelfde reden hanteer ik dit onderscheid eveneens. Eerst bespreek ik waarop onmiddellijke voorzieningen in verband met de toestand van de rechtspersoon zich dienen te richten en daarna hoe dat zit bij onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek.
In dat kader zal ook blijken dat de doelstellingen die het treffen van onmiddellijke voorzieningen rechtvaardigen een beperking inhouden op de bevoegdheid van de ondernemingskamer om deze te treffen.1 Anders gezegd: sommige maatregelen kunnen niet bij wijze van onmiddellijke voorziening worden getroffen, omdat dergelijke maatregelen niet aansluiten bij deze doelstellingen.