Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.4.4:5.3.4.4 Neutraliteit tussen mogelijke opvolgers
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.4.4
5.3.4.4 Neutraliteit tussen mogelijke opvolgers
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS344250:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Meijaard en Diephuis (2004), blz. 3.
Het aantal overdrachten binnen deze groep van ouder naar kind nam in de desbetreffende perioden af van 80% naar 60%.
Zie ook De Wijkersloot-Lhoëst (2009).
Zie ook Hoogeveen (2011), blz. 446. Een boedelvrijstelling zou deze verstoring wegnemen. Zie paragraaf 6.3.2.4 waar de boedelvrijstelling aan de orde komt.
Grossmann en Strulik (2010).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als volgende te toetsen element geldt de neutraliteit tussen mogelijke opvolgers. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit is alleen toegankelijk voor degenen die krachtens erfrecht dan wel krachtens schenking ondernemingsvermogen verkrijgen. In de regel betreft dit personen binnen de familiekring. Uit een in 2004 gedaan onderzoek1 blijkt dat het aantal overdrachten binnen de familiesfeer afneemt (dit aantal liep terug van 60% in de jaren 6 tot 15 jaren voorafgaand aan het onderzoek tot 40% in de vijf jaren voorafgaand aan het onderzoek2 ).
De vraag is of het gedrag van belastingplichtigen door de bedrijfsopvolgingsfaciliteit zodanig wordt beïnvloed dat wordt gekozen voor een andere opvolger. Alhoewel ook hier weer geldt dat er geen gegevens beschikbaar zijn, lijkt het reëel daar rekening mee te houden.3 Dit is alleen maar aannemelijker geworden gezien de verhogingen van de voorwaardelijke vrijstelling in de afgelopen jaren. Er is nog een andere verstoring denkbaar. De huidige regeling kan ertoe leiden dat de voortzetter niet de gehele voorwaardelijke vrijstelling kan benutten. Door nu ook aan andere erfgenamen ondernemingsvermogen toe te delen, kan de vrijstelling wellicht wel geheel worden gebruikt. Dit werkt verstorend gedrag in de hand.4
Grossmann en Strulik5 onderzochten in dit kader of de overdracht van een familiebedrijf gepaard zou moeten gaan met minder erfbelasting dan het geval is bij andere verkrijgingen. De gedachte hierachter is dat het staken van een onderneming en het vervolgens weer starten van een nieuwe onderneming transactiekosten met zich brengt. Dit leidt tot efficiencyverliezen. De besparing aan transactiekosten kan evenwel teniet worden gedaan door het nadeel dat is verbonden aan de overdracht aan een minder capabele erfgenaam. Een erfgenaam erft in de regel niet de bovengemiddelde ondernemersvaardigheden die de oprichter in het algemeen heeft. Uit onderzoek waaraan Grossmann en Strulik refereren blijkt dat de ondernemersvaardigheden van erfgenamen naar een gemiddeld niveau tenderen. Degenen die een onderneming starten hebben als gevolg van zelfselectie waarschijnlijk betere ondernemersvaardigheden. In een algemeen evenwichtsmodel onderkennen Grossmann en Strulik twee evenwichten, namelijk één waarin alleen sprake is van hooggekwalifceerde ondernemers omdat laaggekwalificeerde erfgenamen de onderneming niet voortzetten (type 1) en één met een mix aan laaggekwalificeerde en hooggekwalificeerde ondernemers omdat laaggekwalificeerde erfgenamen de onderneming voortzetten (type 2). Op basis van een op Duitsland betrekking hebbend onderzoek concluderen de auteurs dat een voorkeursbehandeling voor bedrijfsoverdrachten binnen de familiesfeer ernstige negatieve macroeconomische consequenties tot gevolg heeft als wordt bewogen van een type 1-evenwicht naar een type 2-evenwicht. Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kunnen ertoe bijdragen dat minder capabele erfgenamen een onderneming voortzetten terwijl zij dit zonder faciliteit niet zouden hebben gedaan. Hierdoor worden personen die beter gekwalificeerd zijn belet als ondernemer werkzaam te zijn. Het voorgaande geldt vooral indien het een eenmanszaak betreft. Indien de verkrijger slechts 5% van de aandelen in een kapitaalvennootschap bezit kunnen ook andere wel capabele personen de onderneming leiden. Ook wordt in het onderzoek het zogenoemde derdegeneratie-effect genoemd. Dit houdt het volgende in. Als de derde generatie erft van laaggekwalificeerde ouders die het familiebedrijf hebben voortgezet en daarbij door slecht beleid het familievermogen hebben uitgehold, is deze categorie erfgenamen slechter af dan erfgenamen van ouders die in loondienst werkzaam waren.
Uit dit onderzoek kan worden afgeleid dat bedrijfsopvolgingsfaciliteiten die zich beperken tot de familiesfeer ertoe kunnen leiden dat minder gekwalificeerde erfgenamen een onderneming voortzetten terwijl zij zonder faciliteiten geen bedrijfsopvolger zouden zijn maar de onderneming aan derden zou zijn vervreemd. Dit leidt tot een verstoring en daarmee tot efficiencyverliezen.