Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.5.2
10.5.2 Nadeelcompensatie naar Nederlands recht
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441402:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4:126 lid 2 Awb bevat enkele uitzonderingen op dit uitgangspunt. Deze uitzonderingen (op de uitzondering van sub a na) blijven hier verder buiten beschouwing, omdat zij minder relevant zijn voor de in deze paragraaf weer te geven hoofdlijnen (welkehoofdlijnen voldoende zijn voor de beantwoording van de in paragraaf 10.5.1 genoemde vragen). Art. 4:126 lid 3 Awb bevat nog een regeling over voordeelverrekening, maar deze blijft om dezelfde reden buiten behandeling.
Het gaat hier vooral om vermogensschade, maar ook immateriële schade kan aanleiding geven tot nadeelcompensatie (zie ook Tjepkema 2010, p. 296-302).
Er moet dus causaal verband bestaan tussen de schade en de gedraging van een bestuursorgaan (zie Kamerstukken I 2012/13, 32 621, C, p. 2-3 en 5-6). Die gedraging kan bestaan uit een feitelijke handeling, een besluit en/of een andere publiekrechtelijke rechtshandeling (zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 14-15). Mijns inziens kan ook een nalaten een grond voor nadeelcompensatie opleveren, zeker als dat nalaten berust op een bewuste keuze van de overheid (zie over nalaten als schadeoorzaak bij nadeelcompensatie ook Tjepkema 2010, p. 225-226). Het is niet duidelijk of ook privaatrechtelijke rechtshandelingen die worden verricht in het kader van de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak aanleiding kunnen geven tot nadeelcompensatie op grond van artikel 4:126 Awb. Ik zou dit niet op voorhand principieel willen uitsluiten.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 14-15. Overigens is art. 4:126 Awb ook niet van toepassing, indien de schade is veroorzaakt in het kader van strafvorderlijk handelen (zie eveneens Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 14-15).
Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 12-13 en 23-24.
Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 12-13 en 23-24.
Zie voor een nadere onderbouwing paragraaf 12.5.5. Overigens is in de parlementaire geschiedenis ook erkend dat aan het vereiste van de speciale last lang niet altijd onderscheidende betekenis toekomt (zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 23-24 en Kamerstukken I 2012/13, 32 621, C, p. 7). Zie over het vereiste van de speciale last uitgebreid Tjepkema 2010, p. 355 e.v. (die aan een zelfstandige betekenis van het vereiste van de speciale last lijkt te willen vasthouden).
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 24-25.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 29 februari 2012, r.o. 2.10.1-2.10.2, ECLI:NL:RVS:2012:BV7254; ABRvS 10 april 2013, r.o. 5.1, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7681; ABRvS 13 augustus 2014, r.o. 4.2, ECLI:NL:RVS:2014:3005. Overigens dient die openbaarmaking wel plaatsgevonden te hebben door middel van een document (publicatie) van overheidswege (zie ABRvS 17 april 2013, r.o. 8.2, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7731).
Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 12-13 en 23-24. Zie over het vereiste van de abnormale last (waaronder de ratio ervan) uitgebreid Tjepkema 2010, p. 409 e.v.
Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 23.
ABRvS 9 april 2014, r.o. 3.3.2, ECLI:NL:RVS:2014:1198. Zie in het kader van indirecte schade voorts bijvoorbeeld: ABRvS 29 februari 2012, r.o. 2.11.1, ECLI:NL:RVS:2012: BV7254; ABRvS 5 september 2012, r.o. 12, ECLI:NL:RVS:2012:BX6492; ABRvS 17 april 2013, r.o. 10.1, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7731. Zie in het kader van directe schade bijvoorbeeld ABRvS 13 augustus 2014, r.o. 5.2, ECLI:NL:RVS:2014:3005. Ook volgens de rechtspraak van de HR moet de vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico vallen worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval (zie HR 17 september 2004, r.o. 3.3, ECLI:NL:HR:2004: AO7887 (Staat/H)).
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 22 mei 2013, r.o. 6.2, ECLI:NL:RVS:2013:CA0631 (de omzetschade die twee hotels lijden als gevolg van kustversterkingswerkzaamheden valt binnen het normale ondernemersrisico, omdat die werkzaamheden een normale maatschappelijke ontwikkeling zijn en de omzetschade minder dan één procent van de jaaromzet is); ABRvS 9 april 2014, r.o. 1 en 3.3.3, ECLI:NL:RVS:2014:1198 (een waardedaling van appartementen van tien procent als gevolg van verlies van uitzicht op het strand en de branding is een zware schade die niet als behorend tot het normale maatschappelijke risico kan worden aangemerkt, hoewel de kustversterkingswerkzaamheden een normale maatschappelijke ontwikkeling zijn); ABRvS 13 augustus 2014, r.o. 5.3, ECLI:NL:RVS:2014:3005 (het bestuursorgaan had niet mogen volstaan met het beantwoorden van de vraag of het vervallen van bouw- en gebruiksmogelijkheden op het betreffende perceel in de lijn der verwachtingen lag, maar had evenzeer moeten bezien of de gestelde waardedaling van het perceel met 70 procent als gevolg van deze normale maatschappelijke ontwikkeling voor de benadeelde onevenredig uitpakt). Vergelijk ook Tjepkema 2010, p. 443.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 juni 2013, r.o. 7.2, ECLI:NL:RVS:2013:CA2052.
Artikel 4:126 Awb bevat een algemene grondslag voor het recht op nadeelcompensatie. Indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, heeft de benadeelde recht op schadevergoeding (nadeelcompensatie).1 Uit deze formulering volgt een aantal vereisten waaraan voldaan moet zijn voor een recht op nadeelcompensatie. Ten eerste moet sprake zijn van schade.2 Ten tweede moet die schade veroorzaakt zijn door een gedraging van een bestuursorgaan.3 Schade die veroorzaakt is door een ander dan een bestuursorgaan (bijvoorbeeld de formele wetgever) valt dus niet onder artikel 4:126 Awb.4 Ten derde moet de schade veroorzaakt zijn in de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Dat betekent dat een onrechtmatige gedraging (in de zin van artikel 6:162 BW) geen aanleiding kan geven tot nadeelcompensatie. Ten vierde moet de schade uitgaan boven het normale maatschappelijke risico (vereiste van de abnormale last).5 Ten vijfde dient de schade de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar te treffen (vereiste van de speciale last).6 Dit vereiste van de speciale last mist naar mijn oordeel overigens zelfstandige betekenis naast het vereiste van de abnormale last. In het beantwoorden van de vraag of de schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico ligt immers reeds een vergelijking met anderen besloten. Wat een normaal maatschappelijk risico is hangt er immers vooral van af hoe vaak en in welke mate (de verwezenlijking van) het risico ook anderen treft. Het toekennen van zelfstandige betekenis aan het vereiste van de speciale last leidt bovendien tot de ongerijmde situatie dat een verzoek om schadevergoeding afgewezen kan worden om de enkele reden dat de andere benadeelden ook een abnormale last dragen.7 Een belangrijk vereiste voor een recht op nadeelcompensatie is tot slot dat de schadeveroorzakende gedraging van de overheid (en daarmee de schade) voor de benadeelde niet voorzienbaar mag zijn geweest. Indien die gedraging (en daarmee de schade) voor de benadeelde wel voorzienbaar is geweest, wordt de benadeelde blijkens artikel 4:126 lid 2 aanhef en onder a Awb geacht de schade te hebben aanvaard en blijft zij voor zijn rekening.8 De voor (actieve en passieve) risicoaanvaarding vereiste voorzienbaarheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel mag slechts aangenomen worden, indien er sprake is geweest van een concreet beleidsvoornemen (tot het treffen van die maatregel) dat openbaar is gemaakt.9
Voor de beantwoording van de in paragraaf 10.5.1 genoemde vragen zijn vooral relevant het vereiste dat de schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico (vereiste van de abnormale last) en het vereiste dat de schadeveroorzakende gedraging van de overheid (en daarmee de schade) voor de benadeelde niet voorzienbaar mag zijn geweest. Op dit laatste vereiste is al tamelijk uitgebreid ingegaan in de paragrafen 10.4.2.1, 10.4.2.3 en 10.4.2.5, zodat het hier geen nadere bespreking behoeft. Het vereiste van de abnormale last behoeft hier wel een nadere behandeling.
Het vereiste van de abnormale last houdt in dat alleen schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico (dan wel normale ondernemersrisico) voor vergoeding in aanmerking komt.10 Het antwoord op de vraag of een bepaalde schade het normale maatschappelijke risico te boven gaat is in hoge mate casuïstisch. Dat antwoord hangt namelijk af van de omstandigheden van het geval.11 De ABRvS gebruikt in dit verband vaak overwegingen zoals de volgende:
‘3.3.2. De vraag of schade tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.’12
Hoewel blijkens het voorgaande de vraag wanneer schade het normale maatschappelijke risico (normale ondernemersrisico) te boven gaat niet in het algemeen te beantwoorden is en zelfs geen uitputtende opsomming valt te geven van omstandigheden die relevant zijn bij de beantwoording van die vraag, blijkt uit de rechtspraak wel dat de vraag of sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling (zijnde een ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen ligt) en de omvang van de schade in het algemeen de belangrijkste twee omstandigheden zijn om te bepalen of de schade het normale maatschappelijke risico te boven gaat. De omstandigheid ‘omvang van de schade’ werkt bovendien vaak corrigerend ten opzichte van de omstandigheid ‘normale maatschappelijke ontwikkeling’. Een schade kan namelijk niet reeds geacht worden binnen het normale maatschappelijke risico (normale ondernemersrisico) te liggen vanwege de enkele omstandigheid dat die schade het gevolg is van een normale maatschappelijke ontwikkeling (het gevolg is van een overheidsmaatregel die in de lijn der verwachtingen lag). Indien de schade een (relatief) grote omvang heeft, zal zij namelijk vaak toch gedeeltelijk buiten het normale maatschappelijke risico vallen, ook al is zij het gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling.13 Andersom lijkt de omstandigheid ‘normale maatschappelijke ontwikkeling’ soms corrigerend te kunnen werken ten opzichte van de omstandigheid ‘omvang van de schade’ in die zin dat een schade soms een minder grote omvang hoeft te hebben om buiten het normale maatschappelijke risico te vallen indien zij het gevolg is van een ontwikkeling (overheidsmaatregel) die in een of meer opzichten niet als normaal (in de zin van in de lijn der verwachtingen) is aan te merken.14