Einde inhoudsopgave
Privacyrecht is code (R&P nr. ICT1) 2010/2.14
2.14. Slotbeschouwing
drs. J.J.F.M. Borking, datum 26-05-2010
- Datum
26-05-2010
- Auteur
drs. J.J.F.M. Borking
- JCDI
JCDI:ADS582427:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
OJ L 108, 24.4.2002, Directive 2002/22/EC of the European Parliament and of the Council of 7 March 2002 on universal service and users' rights relating to electronic communications networks and services (Universal Service Directive).
Poullet, 2009, p. 18; Poullet, 2009 (A), p. 3.
Peissl, 2003, p. 19-24; Hosein, 2006.
Nas, 2004; Prins, 2006, beschikbaar via www.bofnl/docs/dwars.pdf.
Teepe, 2007, p. 5: 'This privacy debate is widely believed to have zero-sum characteristics. The wishes of those who defend privacy are (supposedly) fundamentally incompatible with the wishes of those who give priority to fighting crime and terrorism. The thought that describes this can be summarized as Tither you infringe everyone's privacy, or you do not catch any terrorists''.
Boettke, 2003, p. 155: 'When we attempt to exchange our freedom for security we may in ffict get neither. Ultimately, our humanity is lost'.
Schermer, 2007.
In dit hoofdstuk zijn de begrippen 'privacy' en 'identiteit' kort verkend en volgde een beschrijving van het (zich steeds verder uitbreidende) positieve recht, waarmee ontwerpers van informatiesystemen in hun architecturen en programmatuur rekening moeten houden. De ontwikkelingen staan niet stil. Poullet voorziet dat de ictontwikkelingen een derdegeneratieprivacywetgeving noodzakelijk zullen maken. Deze ontwikkeling is met de e-privacy Richtlijn 2002/58/EG en de universele diensten Richtlijn 2002/22/EG1 in feite al in gang gezet. De structuur en de rechten die aan de gebruiker worden toegekend, wijzen daarop. De derde generatie privacywetgeving zal een "increased protection of the intimate sphere beyond DP directive" met zich meebrengen.2 In dit hoofdstuk heeft de eerste onderzoeksvraag zes juridische specificaties opgeleverd. Naast de Europese Richtlijnen die de persoonsgegevens van burgers online en offline beschermen, dient de ontwerper ook rekening te houden met de privacyvoorkeuren van het individu en de door hem gewenste beperkingen.
Ontwerpers van systemen hebben ook rekening te houden met de hoogst noodzakelijke informatiebeveiliging. Dit vereist enerzijds dat systemen beveiligd zijn tegen onrechtmatige toegang tot bijvoorbeeld elektronische dossiers, maar anderzijds moeten systemen voldoen aan de wettelijke eis tot inzage van eigen persoonsgegevens. Deze conflicterende vereisten gaan doorgaans ten koste van de transparantie en de toegang van de gebruiker tot zijn persoonsgegevens om deze in te zien, te corrigeren of te actualiseren. Voor productaansprakelijkheid lijkt zich een consensus af te gaan tekenen. Net zoals producenten van onveilige auto's aansprakelijk gesteld kunnen worden, zou dit ook voor ontwerpers van privacy onveilige informatiesystemen moeten gelden. In hoofdstuk 8 wordt hierop teruggekomen.
Het is de ontwerper van systemen niet ontgaan dat in de afgelopen jaren het grondrecht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer steeds meer onder druk is komen te staan. Niet in het minst door dat veel apparaten inmiddels volledig digitaal werken. Ze worden ook steeds kleiner, moeilijker om met het blote oog te ontdekken en ze zijn steeds meer met elkaar, het internet of andere netwerken verbonden. Inbreuk op de grondrechten, en met name inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in de naam van de openbare veiligheid en terrorisme bestrijding staat sinds 9/11 sterk ter discussie. Politieke activiteiten ten gevolge van de "war on tenor" sinds 9/11 hebben tot erosie geleid van een aantal belangrijke beschermingsmechanismen van de privacy. Wereldwijd zijn honderden antiterrorismewetten in het parlement aangenomen en geïmplementeerd.3 Nas meent dat de privacybescherming te veel terrein zou hebben moeten prijsgegeven ten behoeve van de rechtshandhaving en openbare veiligheid.4 Dat is op zichzelf niets nieuws. Het evenwicht tussen veiligheid en privacy is nooit statisch geweest, want in de loop van de afgelopen tientallen jaren sloeg de balans wel eens meer door naar de openbare veiligheid wanneer de samenleving met ernstige bedreigingen werd geconfronteerd.
De vraag is wel of er een ontwikkeling gaande is waarbij de burgers bereid zijn om inbreuk op hun grondrechten en met name hun privacy te accepteren in ruil voor het persoonlijk en de collectieve gevoel van veiligheid? Is er sprake van een `zero sum game', 5 dat wil zeggen betekent meer openbare veiligheid minder privacybescherming en vice versa?6 Is dit de prijs die wij met zijn allen betalen voor de zich steeds sterker ontwikkelende toezichtmaatschappij?
De vijfde stelling bij het proefschrift van Schermer7 luidt: "Over 20 jaar bestaat geen privacy meer". Heeft Schermer gelijk? Bestaat over twintig jaar privacy nog wel?
Bovenstaande vragen hebben geleid tot onderzoeksvraag 2 (OV 2): Is onze informationele privacy in gevaar doordat de overheid en het bedrijfsleven de burger preventief in de gaten houden ter bestrijding van fraude-, misdrijf-, en terrorismebestrijding?
In het volgende hoofdstuk zal de tweede onderzoeksvraag worden behandeld.