Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.2.2
7.2.2 Giften aan voorgangers
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633852:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 6 april 2010, Stcrt 2010, 5728, onderdeel 4, p. 3.
Besluit van 19 december 2014, Stcrt. 2014, 36877, onderdeel 1, p. 1.
Zie de bijlage bij Augustus 2020.
Zie de bijlage bij Augustus 2019.
Een stipendium is een volgens vast tarief bepaald bedrag dat de katholieke priester wordt overhandigd voor het lezen van een mis of uitspreken van een gebed met een bepaalde intentie (Van Dale). Zie voor een voorbeeld van stipendia de tarievenlijst van de Petrus en Pauluskerk in Bergen: https://rkparochiebergennh.nl/parochie/tarieven/.
Zie de bijlage bij Augustus 2019.
Het Giftenbesluit van 6 april 2010 bevatte een onderdeel ‘Giften aan kerkelijke instellingen’.1 Hierin stond:
Bedragen die rechtstreeks aan geestelijken ter beschikking worden gesteld voor doeleinden die de kerkelijke instelling nastreeft of voor het verrichten van religieuze handelingen, worden aangemerkt als giften aan de kerkelijke instelling. Bijdragen voor kerkelijk wijkwerk, stipendia, voor het lezen van missen, huwelijksinzegening, doop en dergelijke bijzondere kerkelijke plechtigheden zijn giften als de bijdragen ten bate van de kerkelijke instelling of van de geestelijke als zodanig komen. In deze gevallen moet de betaling van de bedoelde bedragen blijken uit schriftelijke bewijsstukken.
Dit besluit is vervangen door het besluit van 19 december 2014, waarin dit onderdeel is vervallen omdat het volgens de staatssecretaris geen beleid bevatte en een voorlichtend karakter had.2 Uit mijn navraag bij Belastingdienst Vaktechniek Inkomstenbelasting blijkt dat dit onderdeel in het besluit slechts ‘om informatie ging met een voorlichtend karakter met betrekking tot de vraag hoe wordt omgegaan met bedragen die rechtstreeks aan geestelijken ter beschikking worden gesteld voor doeleinden van de kerkelijke instelling’3 en dat ‘de Belastingdienst het standpunt dat destijds in het Giftenbesluit van 2010 was opgenomen, nog altijd huldigt, in dezelfde bewoordingen’.4 Bedragen die iemand geeft aan geestelijken voor doeleinden die de religieuze instelling nastreeft of voor religieuze handelingen worden dus nog steeds aangemerkt als giften aan de religieuze instelling (zowel incidentele als periodieke giften) en komen dus bij de gever in aanmerking voor de giftenaftrek, mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor bijdragen voor religieus wijkwerk, stipendia5 en bijzondere religieuze plechtigheden, als de bijdragen ten goede komen aan de religieuze instelling of de geestelijke als zodanig.
Op persoonlijke navraag bij de Belastingdienst of bovenvermelde opmerking uit het besluit ook geldt voor ‘voorgangers’ van levensbeschouwelijke en spirituele instellingen, luidt het antwoord: “Aangezien wij denken dat deze situatie zich niet meer kan voordoen, beantwoorden wij deze vraag niet. Mocht deze situatie zich wel bij een concrete belastingplichtige voordoen, dan kan de belastingplichtige deze vraag voorleggen aan zijn belastinginspecteur. Wij denken dat deze situatie zich niet meer zal voordoen, omdat de term ‘kerkelijke instellingen’ niet meer van belang is.”6 Hoewel dit geen eenduidig antwoord geeft op mijn vraag, kan ik uit het antwoord niet concluderen dat onderscheid wordt gemaakt tussen religieuze instellingen enerzijds en levensbeschouwelijke en spirituele instellingen anderzijds.
Een soortgelijk standpunt voor overige anbi’s bestaat niet, waarmee voor de aftrek van giften aan natuurlijke personen een onderscheid bestaat tussen rsli’s en overige anbi’s.