Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/7.4.2:7.4.2 MTW/FNV
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/7.4.2
7.4.2 MTW/FNV
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS303579:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 2001, JOR 2001/169 (MTW/FNV).
Concl. A-G Langemeijer van 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2388, bij HR 1 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2388.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste relevante arrest van de Hoge Raad over dit onderwerp volgde in 2001, maar gaf evenmin duidelijkheid over toepasselijkheid van de ruime dan wel de beperkte leer op het misbruikvraagstuk.1 De casus leende zich hier op zichzelf genomen wel voor. Multi-Terminals Waalhaven staakte de bedrijfsactiviteiten, terwijl ten aanzien van de positie van de werknemers in een sociaal plan met FNV was overeengekomen dat de onderneming in stand zou blijven totdat voor alle werknemers een passende oplossing was gevonden. Uiteindelijk was in 2000 voor één werknemer nog geen passende oplossing gevonden (er was evenmin een vertrekregeling tot stand gekomen). Een ontbindingsverzoek werd ingediend, maar ook weer ingetrokken, waarna het faillissement werd aangevraagd. Met succes werd verzet aangetekend tegen de faillietverklaring, omdat, aldus de rechtbank, de faillissementsaanvraag "(...) in een direct verband [stond] met de door de betrokken werknemers genoten arbeidsrechtelijke bescherming (...)". Dat leverde volgens de rechtbank misbruik van bevoegdheid op, waarbij buiten beschouwing werd gelaten of de onderneming in een toestand verkeerde dat zij opgehouden was te betalen. Na een bevestigend oordeel van het gerechtshof werd cassatie ingesteld.
De A-G kwam in zijn conclusie tot interessante overwegingen.2 Allereerst stelde hij mijns inziens terecht vast dat de Faillissementswet niet voorschrijft voor welke doeleinden een faillissementsaanvraag mag worden gebruikt en dat dit het lastig maakt van een détournement de pouvoir te spreken (oftewel de tweede grond voor misbruik van artikel 3:13 lid 2 BW). Daarna kwam hij toe aan de vraag welke benadering nu juist is, de ruime of de beperkte, en trok daaromtrent de volgende conclusies:
"2.4 (...) In zijn noot onder het Ammerlaan-arrest merkt Kortmann dan ook op, dat een aanvraag die (niet uitsluitend maar) mede ten doel heeft de arbeidsrechtelijke bescherming te ontlopen geen misbruik van bevoegdheid behoeft op te leveren. Echter: zou voor het aannemen van oneigenlijk gebruik de eis worden gesteld dat de faillissementsaanvraag enkel en uitsluitend geschiedt met het doel de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers te ontgaan, dan is dat slechts zeer moeilijk aan te tonen. Het zou ertoe kunnen leiden dat de in Richtlijn 77/187 beoogde bescherming van werknemers niet valt te effectueren (...). De rechter doet er dus verstandig aan, alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Wanneer hij tot het oordeel komt dat de faillissementsaanvrage uitsluitend of hoofdzakelijk is geschied teneinde daarmee de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemers te omzeilen (m.a.w.: achterwege zou zijn gebleven indien dat voordeel niet had kunnen worden bereikt), heeft de rechter m.i. de vrijheid te oordelen dat de aanvrager van het faillissement misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. (...) (onderstreping JvdP)"
"Uitsluitend of hoofdzakelijk" is het wat hem betreft het doorslaggevende criterium. Tussen haakjes gaf hij daar vervolgens nog een nadere uitleg aan: als het voordeel (de omzeiling van werknemersbescherming) niet met de faillietverklaring had kunnen worden bereikt, zou het eigen faillissement niet zijn aangevraagd, omdat daar, zo begrijp ik de A-G, verder geen reden voor was. Dat tendeert naar een vrij nauwe en strikte benadering.
De Hoge Raad liet zich hier vervolgens niet echt over uit. Hij hakte uitsluitend een andere knoop door, met een mijns inziens voor de hand liggend oordeel: bij de vraag of een bevoegdheid is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend komt het niet (ook) op een belangenafweging aan. Dat is naar mijn mening logisch, nu de belangenafweging in artikel 3:13 lid 2 BW niet gekoppeld is aan de tweede in dit artikellid genoemd grond, maar de zelfstandige derde grond voor misbruik vormt die het artikellid schept.