Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.3.2:17.3.1.3.2 Beperking tot zuivere boetevragen contrasteert met ruime notie van zelfbelasting EHRM
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.3.2
17.3.1.3.2 Beperking tot zuivere boetevragen contrasteert met ruime notie van zelfbelasting EHRM
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495906:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat het verhoor in fiscale boetezaken niet steeds samenvalt met het aanvangsmoment van de criminal charge, kwam ter sprake in § 15.4 hiervoor.
In § 15.5 bleek dat de personele werkingssfeer van het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb niet problematisch in het licht van art. 6 EVRM. Het strekt zich uit tot een ieder die wordt verhoord met het oog het opleggen van een boete.
Zie § 6.4.3 en § 6.5.5 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals geldt voor de procedurele scheiding die de HR aanbrengt tussen de heffings- en sanctiesfeer, is de beperking tot zuivere boetevragen (waarop het boeterechtelijk zwijgrecht in belastingzaken betrekking heeft), niet in overeenstemming met de ‘substantive’ benadering van het EHRM.1 Voorzienbaar is dat na invoering van dit recht, geschillen over nemo tenetur (blijven) steunen op een rechtstreeks beroep van de boeteling op het EVRM-zwijgrecht. Positief geformuleerd, strekt dit laatste recht zich uit tot verklaringen die de ‘person charged’ mogelijk kunnen belasten.2 Daarbij is niet van belang of de gevorderde medewerking ook een niet-punitief (toezichts)belang heeft, laat staan wat het precieze doel van de vordering is.3
Bij de vaststelling of het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse fiscale boetezaken voldoende tot gelding komt, moet worden meegewogen dat het EVRM-zwijgrecht in de opvatting van de belastingkamer van de HR, buiten het bestek van art. 5:10a Awb respectievelijk zuivere boetevragen, dus voor gemengde vragen, geen weigeringsgrond voor medewerking is, maar een bewijsuitsluitingsregel voor verklaringen en wilsafhankelijke documenten. Zie daarover § 17.4 e.v. hierna.