Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/10.1:10.1 Een plicht tot ambtshalve ingrijpen
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/10.1
10.1 Een plicht tot ambtshalve ingrijpen
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS301019:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
318.
De Nederlandse rechter past op het door partijen aangedragen feitencomplex rechtsgronden toe. Hierop kan door partijen een beroep worden gedaan, maar ook als zij dit niet doen, brengt artikel 25 Rv met zich dat de rechter hiertoe ambtshalve moet overgaan. Wat precies het gewicht van de rechtsgrond in kwestie is, doet hiervoor niet ter zake, zij het dat op sommige rechtsgronden een beroep moet worden gedaan. De mogelijkheden zijn echter niet onbeperkt, want partijen bakenen met de door hen aan hun vordering of verweer ten grondslag gelegde stellingen de rechtsstrijd af. Het is deze rechtsstrijd die de rechter beperkt in zijn mogelijkheden om rechtsgronden aan te vullen. Immers, voor een dergelijke aanvulling heeft hij feiten nodig. Als hij voor de vaststelling van die feiten buiten het door partijen afgebakende kader moet treden, kan hij niet overgaan tot het aanvullen van die rechtsgrond, tenzij het uitblijven daarvan zou leiden tot rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan. In dat laatste geval mag de rechter acht slaan op alle gegevens die zich in het dossier bevinden, maar mag hij niet buiten het dossier zoeken naar de noodzakelijke gegevens. Nu speelt al een aantal jaren de vraag in hoeverre dit stramien ook opgaat wanneer de rechter rechtsgronden van EU-recht dient aan te vullen.
319.
Het HvJ EU heeft sinds het Van Schijndel-arrest regelmatig moeten oordelen in zaken die (al dan niet indirect) betrekking hadden op de ambtshalve toepassing van het EU-recht. Deze jurisprudentie heeft vrijwel telkens betrekking gehad op het kartelverbod van artikel 101 VWEU en op het EU-rechtelijke consumentenrecht. Het antwoord op de vraag of er op de rechter een plicht rust tot ambtshalve ingrijpen om de toepassing van het EU-recht te verzekeren, verschilt naar gelang hij zich geconfronteerd ziet met een mededingingsrechtelijke zaak dan wel een consumentenzaak. De gemene deler van al deze arresten is zonder meer dat de rechter rechtsgronden van EU-recht dient toe te passen wanneer hij vergelijkbare rechtsgronden van nationaal recht ook ambtshalve moet toepassen. Voor de Nederlandse rechter betekent dat in ieder geval dat hij rechtsgronden van EU-recht ambtshalve moet aanvullen binnen de rechtsstrijd van partijen. Immers, artikel 25 Rv beperkt die plicht niet tot bepaalde rechtsgronden van een specifiek gewicht, maar strekt zich uit tot alle rechtsgronden. Het maakt daarbij niet uit om welke rechtsgrond van EU-recht het gaat. Een beperking tot het EU-mededingingsrecht of EU-rechtelijke consumentenrecht is er niet.