Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.3:3.3.3 Verdere nuancering; het arrest Vogelaar/Ski!
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.3
3.3.3 Verdere nuancering; het arrest Vogelaar/Ski!
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299442:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
1-1R 31 mei 1991, NJ 1991, 647 (Vogelaar/Skil).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verdere nuancering van de door de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg in algemene zin geformuleerde regel volgt in het arrest Vogelaar/Skil.1 In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest tussen Johannes Vogelaar ("Vogelaar") en Skil Nederland B.V. ("Skil") was Vogelaar in 1985 door Skil betrokken bij het opzetten van een door Skil te sponsoren wielerploeg, waarvan Vogelaar — volgens Skil— eventueel ploegleider/teammanager zou worden. Vogelaar verrichtte in verband met het desbetreffende project diverse activiteiten voor Skil op basis van een onkostenvergoeding. Vogelaar contracteerde onder meer wielrenners voor de wielerploeg die Skil voornemens was op te zetten en probeerde ook andere bedrijven voor een cosponsorschap te interesseren. Daarbij is Vogelaar ook op kosten van Skil naar de Tour de France geweest om renners te contracteren. Uiteindelijk bleek het niet mogelijk om een co-sponsor te vinden en evenmin bleek het, aldus Skil, mogelijk om een goede kopman voor de wielerploeg te vinden. Aldus zag Skil af van haar voornemen tot het opzetten van een door haar mede te sponsoren wielerploeg.
Vogelaar vorderde van Skil vergoeding van de schade die hij stelde te hebben geleden als gevolg van de handelwijze van Skil. Primair baseerde Vogelaar deze vordering op een toerekenbare tekortkoming van Skil, stellende dat tussen Vogelaar en Skil was overeengekomen dat Vogelaar de functie van ploegleider/teammanager zou krijgen in de op te richten wielerploeg. Subsidiair stelde Vogelaar dat Skil jegens hem een onrechtmatige daad had gepleegd door hem in de waan te brengen, althans hem in het vooruitzicht te stellen, dat Skil met hem een overeenkomst als hiervoor bedoeld zou sluiten, maar die overeenkomst niet is aangegaan.
De rechtbank oordeelde dat Skil in zijn precontractuele relatie tot Vogelaar jegens hem niet overeenkomstig de goede trouw had gehandeld en derhalve gehouden was tot vergoeding van de daardoor aan de zijde van Vogelaar geleden schade. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van Vogelaar alsnog af.
In cassatie was in deze zaak vooral van belang de rechtsoverweging van het hof waarin het hof de tweede grondslag van de vordering van Vogelaar (gebaseerd op onrechtmatige daad) had onderzocht. Het hof overwoog dat Vogelaar niet heeft gesteld dat partijen over en weer erop mochten vertrouwen dat uit hun onderhandelingen in ieder geval enigerlei contract zou resulteren. Aldus kon er volgens het hof geen sprake van zijn dat Vogelaar vergoeding van zijn positief contractsbelang kon vorderen.
De klacht die zich tegen deze overweging van het hof richtte, gaf de Hoge Raad aanleiding tot twee belangrijke overwegingen. In de eerste plaats overwoog de Hoge Raad dat bij de beoordeling van de onderliggende rechtsvraag in het midden kon blijven of sprake was van eigenlijke contractsonderhandelingen. Dit omdat als partijen anders dan door onderhandelingen betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, in het algemeen dezelfde maatstaf voor toepassing in aanmerking dient te komen als ingeval van afgebroken contractonderhandelingen moet worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of het afbreken tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is.
In de tweede plaats overwoog de Hoge Raad, in zoverre met het cassatiemiddel meegaand en in navolging van het arrest VSH/Shell (waarin de Hoge Raad m.i. al van dit standpunt is uitgegaan, zij het wellicht niet heel expliciet), dat het in de gegeven omstandigheden vooral aankwam op het al dan niet gerechtvaardigde vertrouwen van Vogelaar in het tot stand komen van de (aanstellings)overeenkomst en niet, waar het hof vanuit ging, op het gerechtvaardigd vertrouwen van beide partijen. De Hoge Raad overwoog voorts dat het bij de beoordeling van de vraag of, wanneer één van partijen de op het tot stand brengen van een overeenkomst gerichte onderhandelingen afbreekt of de voorbereidingen voor het sluiten van de overeenkomst staakt, dit tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is, in het algemeen niet van belang is of beide partijen mochten vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen maar slechts of daarop mocht worden vertrouwd door de wederpartij van degene die het tot stand komen van de overeenkomst verhindert.
Met andere woorden: het stadium waarin het een onderhandelende partij niet meer vrij staat om eenzijdig de onderhandelingen af te breken, treedt in op het moment dat bij de wederpartij van degene die de onderhandelingen afbreekt, het rechtens relevante vertrouwen heeft postgevat dat bij voortzetting van de onderhandelingen aannemelijk is dat een overeenkomst van de soort waarover partijen onderhandelden tot stand zou komen. Daarin is zowel een subjectief als een objectief element verweven. Het is weliswaar de perceptie van de onderhandelingspartner waarin gerechtvaardigd wordt vertrouwd, maar die perceptie is niet alleen doorslaggevend. Zij dient ook, rekening houdend met alle omstandigheden van het betreffende geval, geobjectiveerd te kunnen worden. Anders gezegd: het vertrouwen dient niet alleen subjectief aanwezig te zijn, maar ook objectiveerbaar om daarmee (eerst) rechtens relevant te zijn. Dit zal in de navolgende paragraaf nader worden uitgewerkt.