De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.3:3.7.3 Professionele standaard in het middelbaar beroepsonderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.3
3.7.3 Professionele standaard in het middelbaar beroepsonderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949303:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Professioneel statuut mbo (2009), raadpleegbaar via: https://www.mboraad.nl/publicaties/professioneel-statuut-2009 [geraadpleegd op 28 december 2023].
Stb. 2010, 8 en artikel 4.1.3 van de Web.
R. Schoonhoven, ‘Sturen op teams in het mbo: via statuut, wet of professionals?’, NTOR 2016, 4, p. 244.
Kamerstukken II 2015/16, 34 458, nr. 6, p. 26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de totstandkoming van de bepalingen in de onderwijssectorwetten over het professioneel statuut en de professionele standaard met de Wet beroep leraar, is er in het mbo in 2009 al een professioneel statuut tot stand gekomen.1 Dit statuut is afgesloten door de MBO-raad en verschillende werknemersvakbonden die zijn gericht op het onderwijs. De aanleiding hiervoor werd gevormd door de Wet medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs. Hierin werd bepaald dat de bevoegde gezagen, in overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, een professioneel statuut dienen vast te stellen met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel.2 In het professioneel statuut komen twee belangen samen. Namelijk het belang van het personeel bij meer zeggenschap en het belang van de mbo-instelling bij het werken van leraren in teams.3 Dit statuut maakt onderdeel uit van de cao. Daarmee zijn de instellingsbesturen en vakorganisaties gehouden aan de in het statuut gemaakte afspraken.
Het MBO-statuut bevat tien punten en geeft kort weer hoe de professionele ruimte en zeggenschap van het personeel, waaronder de leraar, worden geborgd. De leraar wordt gezien als een professional die zijn beroep bewust, verantwoord en met de benodigde vakbekwaamheid verricht. De leraar dient in teamverband de kwaliteit van de beroepsuitoefening te borgen ten behoeve van het onderwijs. In het team dient de leraar zich collegiaal op te stellen. De organisatie waarin de leraar werkzaam is, dient ruimte te scheppen voor de leraar om zijn professioneel handelen te optimaliseren en dient de leraar actief te betrekken bij de totstandkoming van beleid dat raakt aan zijn beroepsuitoefening. In een regeling voor het werkoverleg worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de leraar wordt betrokken bij de totstandkoming van dit beleid. Bij een geschil waarin organisatiebelang en professionele inbreng botsen dienen de organisatie en de leraar een uiterste inspanning te leveren om tot afstemming te komen.
Aangezien in de Web reeds was bepaald dat een landelijk professioneel statuut opgesteld moest worden, kon deze term niet meer worden gebruikt voor de afspraken die leraren en het bevoegd gezag gezamenlijk maken op instellingsniveau. Artikel 4.1.a.1, vierde lid, van de Web over het beroep van leraar in de Web wijkt dan ook af van de daarop lijkende bepalingen in de Wpo, Wvo 2020 en Wec. In artikel 4.1.a.1 van de Web is in plaats van het professioneel statuut bepaald dat het bevoegd gezag met docenten afspraken maakt over de wijze waarop hun zeggenschap wordt georganiseerd. Daarbij moest tot 1 augustus 2022 de professionele standaard in acht genomen worden. Door te spreken over ‘afspraken’ in plaats van ‘professioneel statuut’ wordt vermoedelijk beoogd te voorkomen dat verwarring ontstaat met het reeds tot stand gekomen landelijke professioneel statuut, op grond van artikel 4.1.3. van de Web. Uit de toelichting blijkt daarnaast dat op instellingsniveau besloten kan worden dat de op grond van het landelijk professioneel statuut gemaakte regeling voor het werkoverleg, de afspraken over zeggenschap kunnen zijn, die worden genoemd in artikel 4.1.a.1, vierde lid, van de Web, indien de uitwerking voldoet aan artikel 4.1.a.1, eerste en tweede lid, van de Web.4