Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.3.1
3.3.1 Girale betaling en zaaksvervanging
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947990:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.2.1 hiervóór.
Zie T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 82-83. Vgl. Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212-213. Ook Spath acht zaaksvervanging bij girale betalingen mogelijk, en wijst daarbij eveneens op het ‘deelbare’ karakter van de bankrekening-courant. Zie voorts R.E. Brinkman & J.H. Lieber, ‘Het fideicommis en de (vaststelling van de) omvang van het vermogen’, FTV 2019/41, p. 23; R.E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherpst van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466 (maar dan met een beroep op artikel 1:95 lid 1 BW). Zie voorts de punten 3.37-3.47, alsmede de punten 3.56 en 3.57 van de conclusie van A-G Lückers vóór HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:96, NJ 2023/146.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 82-83, mede onder verwijzing naar Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212-213.
Zie daarover paragraaf 3.4 hierna.
Zie reeds eerder T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 82-83 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 19-20. Vgl. (niet allemaal met een (expliciet) beroep op zaaksvervanging) B. Breederveld, ‘Vergoedingsrecht en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38-39; C.M. Mellema & E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 44-42 en R.E. Brinkman, ‘Uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466. Zie voorts de punten 3.37-3.47, alsmede de punten 3.56 en 3.57 van de conclusie van A-G Lückers vóór HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:96, NJ 2023/146, alsmede punt 9 van de noot van Verstappen onder deze uitspraak in NJ 2023/146.
Zie paragraaf 4.4 van hoofdstuk 7.
Zie paragraaf 3.3 van hoofdstuk 7.
Zie paragraaf 2.2 en 3.2 van hoofdstuk 7.
In dat geval zal er dan wel een vergoedingsrecht van eerstgenoemde echtgenoot op de huwelijksgemeenschap ontstaan. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 3.4 nog over opgemerkt zal worden.
Zie paragraaf 2.4.1 hiervóór.
Zie HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1454, NJ 1996/461 (Kas Associatie/Drying).
Zie Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/209.
Zie Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/125-128. Vgl. P.C van Es, Vruchtgebruik (Mon. BW nr. B10) 2020/46. Zie anders, maar dan in het kader van zaaksvervanging bij vruchtgebruik, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/298a.
Zie Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/213. Vgl. Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/298a; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/30; Wolfert, De kwaliteitsrekening (R&P nr. 157) 2007/135 en A. Steneker, ‘Girale substitutie’, NTBR 2004, p. 346-355.
Vgl. Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/214.
Zie paragraaf 2.4.3 en paragraaf 3.2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 3.2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 4.
623. In de vorige paragraaf is uiteengezet dat wanneer een bankrekening die op naam van één of beide echtgenoten staat wordt gecrediteerd, iedere keer beoordeeld zal moeten worden of de vordering die door die creditering ontstaat wel of niet tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Daarbij is het uitgangspunt dat dit het geval zal zijn, óók als de creditering is geschied in verband met de betaling van een vordering die door een echtgenoot krachtens erfrechtelijke titel of gift is verkregen en die buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. Dat komt doordat de vordering die door creditering ontstaat als een nieuwe vordering moet worden beschouwd, die uit de rechtsverhouding tussen de bank en de rekeninghouder(s) ontstaat.1 Daarmee kan een dergelijke vordering nimmer krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen. Dat betekent dat een dergelijke vordering in beginsel onder de reikwijdte van boedelmenging valt, en dus tot de huwelijksgemeenschap zal gaan behoren. Gaat het echter om een creditering van een bankrekening in verband met de voldoening van een privévordering, dan zal de vordering die door deze girale betaling op de bank ontstaat op grond van zaaksvervanging alsnog van de werking van boedelmenging uitgesloten zijn.2 In paragraaf 2.2.1 is immers al uiteengezet dat de girale betaling van een vordering ertoe leidt dat die vordering tenietgaat, en wordt vervangen door een vordering van de schuldeiser op zijn bank. Aldus is sprake van een situatie waarin een goed verloren gaat, in direct verband waarmee een ander goed wordt verkregen. De privévordering behoorde in enig eigendom toe aan de echtgenoot wiens privévordering het betrof. De vervangende vordering op de bank dreigt door de werking van boedelmenging gemeenschappelijk aan de echtgenoten te gaan toebehoren. Daardoor wordt de enig eigendomspositie van de betreffende echtgenoot bedreigd zonder dat hij daar directe invloed op heeft. Dit is reden om op grond van zaaksvervanging de enig eigendomspositie van de betreffende echtgenoot te beschermen.3 In dit geval is de grond daarvoor gelegen in artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW. De vordering die door creditering van de bankrekening op de bank ontstaat, kwalificeert immers als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in deze artikelen. Aldus blijft deze vordering op grond van artikel 1:94 lid 4 BW/artikel 1:94 lid 6 oud BW buiten huwelijksgemeenschap waarin de betreffende echtgenoot is gehuwd.4 Gaat deze vordering vervolgens niet direct door verrekening teniet,5 dan is het resultaat daarvan dat op dat moment een deel van het saldo van de bankrekening in de huwelijksgemeenschap valt, en een deel van dat saldo op grond van zaaksvervanging daarbuiten valt.6 Dit alles geldt óók als het een vordering tot inning van een koopsom betreft die voortvloeit uit de verkoop van een privégoed van een van de echtgenoten. De vordering tot betaling van de koopsom die in dat geval in de plaats treedt van het privégoed dat is verkocht, zal op grond van analoge toepassing van artikel 1:94 lid 6/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap vallen, ook al kwalificeert deze vordering strikt genomen niet als een ‘vordering tot vergoeding’ in de zin van deze artikelen. Verwezen wordt naar hetgeen daar in hoofdstuk 7 reeds over is opgemerkt.7 Vervolgens zal hetgeen op die vordering (giraal) wordt geïnd op grond van diezelfde artikelen (dus) ook weer buiten de huwelijksgemeenschap vallen.
624. De vraag is vervolgens wel of aan de hiervoor geschetste werking van zaaksvervanging bij girale betalingen nog grenzen moeten worden gesteld. Volgens mij is dat geval. Die grenzen vloeien voort uit (i) het ‘beperkte’ karakter van de regeling van zaaksvervanging als uitzondering op de werking van boedelmenging, (ii) de nadere rechtvaardiging die zaaksvervanging altijd behoeft, alsmede (iii) het uitgangspunt van de Hoge Raad dat het saldo van een bankrekening in beginsel niet tot het vermogen kan behoren van een ander dan degene(n) op wiens (wier) naam die rekening is gesteld (waarover paragraaf 2.3 hiervóór). Over het ‘beperkte’ karakter van de regeling van zaaksvervanging (i) is in hoofdstuk 7 reeds uiteengezet dat zaaksvervanging uitsluitend als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. Daarmee kan zaaksvervanging er nooit voor zorgen dat een goed dat door de ene echtgenoot wordt verkregen, tot het privévermogen van de ander gaat behoren.8 Vertaalt men dit uitgangspunt naar het girale betalingsverkeer, dan zal een vordering die de ene echtgenoot op zijn bank verkrijgt omdat de andere echtgenoot een vordering tot betaling van een geldsom op de rekening van zijn echtgenoot heeft laten bijschrijven, er nooit toe kunnen leiden dat dat deel van het saldo tot het privévermogen van die andere echtgenoot gaat behoren. Over de nadere rechtvaardiging die zaaksvervanging altijd behoeft (ii) is in hoofdstuk 7 al uiteen gezet dat géén bescherming aan zaaksvervanging kan worden ontleend wanneer de goederenrechtelijke rechtsbetrekking die zaaksvervanging beoogt te beschermen door (rechtstreeks) toedoen van het betreffende rechtssubject zélf is aangetast.9 Heeft een echtgenoot een privévordering geïnd middels girale betaling ten gunste van een bankrekening die uitsluitend op naam van de andere echtgenoot staat, dan is de enig eigendomspositie van de echtgenoot wiens privévordering het betrof reeds door toedoen van die betreffende echtgenoot zelf aangetast, en wel vóór de werking van boedelmenging dat kan doen. Die echtgenoot heeft er immers zélf voor gezorgd dat de vervangende vordering op de bank niet door hem, maar door zijn echtgenoot is verkregen. Aldus is voor ingrijpen middels zaaksvervanging geen rechtvaardiging meer. Zou zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen er wél toe kunnen leiden dat goederen die door de ene echtgenoot zijn verkregen alsnog tot het privévermogen van de andere echtgenoot gaan behoren, dan zou er dus (ook) op deze tweede grond geen reden meer zijn om de op de bank verkregen vordering krachtens zaaksvervanging tot het privévermogen te laten behoren van de echtgenoot wiens privévordering het betrof. De hiervoor onder (i) en (ii) genoemde grenzen leiden dus beide tot dezelfde uitkomst: laat een echtgenoot een privévordering tot betaling van een geldsom uitbetalen op een bankrekening die uitsluitend op naam van de andere echtgenoot staat, dan kan de vordering die door creditering van de bankrekening op de bank ontstaat nimmer tot het privévermogen van eerstgenoemde echtgenoot gaan behoren. Het gevolg daarvan is dat dit deel van het saldo altijd krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap zal vallen.10
625. Tot diezelfde conclusie moet men óók komen als men het uitgangspunt van de Hoge Raad in ogenschouw neemt dat het saldo van een bankrekening in beginsel toebehoort aan degene op wiens naam die rekening staat (iii). Als (een deel van) het saldo van een bankrekening die enkel op naam van de ene echtgenoot staat krachtens zaaksvervanging tot het privévermogen van de andere echtgenoot zou kunnen gaan toebehoren, zou aan dat uitgangspunt geweld worden aangedaan. In dat geval is immers sprake van een situatie waarin dat deel van het saldo aan een geheel ander rechtssubject toebehoort dan aan degene op wiens naam de bankrekening is gesteld. Nu baseert de Hoge Raad het uitgangspunt dat het saldo van een bankrekening in beginsel toebehoort aan degene op wiens naam die rekening staat op het bepaalde in artikel 3:276 BW.11 Naar mijn mening vormt die enkele regel evenwel nog geen belemmering voor de werking van zaaksvervanging. Zaaksvervanging heeft immers óók een wettelijke grondslag, en zou om die reden een uitzondering op artikel 3:276 BW kunnen rechtvaardigen. En ook de uitspraak van de Hoge Raad in zijn Kas Associatie/Drying-arrest12 hoeft aan een dergelijke werking van zaaksvervanging niet in de weg te staan. Zoals in paragraaf 2.4.1 reeds beschreven, heeft de Hoge Raad in die uitspraak geoordeeld dat de directe verkrijgingsleer van artikel 3:110 jo. 3:90 BW niet op vorderingen op naam kan worden toegepast. Spath wijst er terecht op dat dit nog niet wil zeggen dat een vordering op naam niet aan de werking van zaaksvervanging onderworpen zou kunnen zijn.13 Zaaksvervanging is immers niet gebaseerd op artikel 3:110 BW.14 Dit zou dus ook aan zaaksvervanging bij de creditering van een bankrekening niet in de weg hoeven staan. Doorslaggevend voor die (on)mogelijkheid zijn volgens mij dan ook het maatschappelijk belang dat is gelegen in een ongestoord verloop van het girale betalingsverkeer en de rechtszekerheid die daarmee is gediend. Deze zouden op onaanvaardbare wijze in het gedrang komen wanneer zou worden toegestaan dat gelden op een bankrekening toebehoren aan een rechtssubject op wiens naam die rekening niet is geregistreerd en dat rechtssubject en zijn schuldeisers ook niet over die gelden kunnen beschikken, terwijl dat deel van het saldo óók niet aan degene toebehoort op wiens naam de rekening is gesteld. Dit is ontleend aan Spath, die over het geval dat een vruchtgebruiker geld int op zijn eigen rekening schrijft:15
“De ontstane vordering [de vordering op de bank die door creditering van de bankrekening ontstaat, TS] kan in beginsel worden geacht door middel van zaaksvervanging op naam van de hoofdgerechtigde te komen staan. Dit leidt echter tot een gecompliceerde en voor de bank en derde niet kenbare situatie. Daarbij geldt dat de betreffende vordering deel wordt van een rechtsverhouding die uit diverse verplichtingen bestaat, een kenmerk dat de overige, […] vorderingen op naam veelal ontberen. Gezien het maatschappelijk belang dat is gediend met een ongestoord verloop van het girale betalingsverkeer en het feit dat de bank niet kan worden tegengeworpen wat uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en schuldeiser van de giraal voldane vordering voortvloeit, moet mijns inziens worden aangenomen dat de tenaamstelling van de rekening voorgaat op het beginsel van zaaksvervanging dat deze tenaamstelling aanpast aan de omstandigheden, zoals beschreven in paragraaf 6.4.”
Hetgeen Spath hier schrijft over girale betaling en zaaksvervanging bij vruchtgebruik, geldt ook voor girale betaling en zaaksvervanging bij de huwelijksgemeenschap; bij de huwelijksgemeenschap brengt dit met zich mee dat géén zaaksvervanging in het privévermogen van een echtgenoot kan optreden wanneer die echtgenoot zijn privévordering laat uitbetalen op een bankrekening die enkel op naam van de andere echtgenoot staat geadministreerd. Zou in een dergelijk geval wél zaaksvervanging kunnen optreden, dan zou immers een situatie ontstaan waarin een deel van het saldo dat op naam van de ene echtgenoot staat, niet (mede) aan die echtgenoot toebehoort (want volledig tot het privévermogen van de andere echtgenoot), terwijl de andere echtgenoot ook niet over dat deel van het saldo kan beschikken, omdat de bankrekening niet (mede) op zijn naam staat en dat deel van het saldo ook niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Ook hier moet de tenaamstelling van de bankrekening, en daarmee het belang van derden, dus vóórgaan op de bescherming die zaaksvervanging aan de echtgenoten beoogt te geven.
626. Betreft het een en/of-rekening op naam van beide echtgenoten, dan vormen de hiervoor onder randnummer 624 en 625 genoemde grenzen evenwel géén probleem.16 Hiervóór is immers al verschillende malen aan de orde gekomen dat de en/of-tenaamstelling van een bankrekening nog niets zegt over de (mate van) gerechtigdheid tot saldo.17 Dat geldt óók als het een en/of-rekening op naam van twee echtgenoten betreft die met elkaar in de wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Vorderingen die ontstaan omdat de bank de en/of-rekening crediteert komen toe aan de echtgenoot ten gunste van wie de betaling heeft plaatsgevonden. Diegene heeft door creditering een vordering op de bank verkregen, en aan diegene behoort die vordering en dat deel van het saldo toe.18 Als een en/of-bankrekening van de echtgenoten wordt gecrediteerd in verband met de girale betaling van een privévordering van een van de echtgenoten wordt de vordering die aldus op de bank ontstaat in eerste instantie dus alléén verkregen door degene wiens privévordering het betrof. Omdat boedelmenging als een afgeleide vorm van verkrijging kwalificeert,19 zal pas daarna beoordeeld moeten worden of die vordering krachtens boedelmenging gemeenschappelijk aan de echtgenoten gaat toebehoren. Bij die beoordeling heeft zaaksvervanging dan volop ruimte, juist omdát de vervangende vordering in eerste instantie uitsluitend is verkregen door de echtgenoot wiens privévordering het betrof. Aldus is er géén sprake van een situatie waarin de enig eigendomspositie van de te beschermen echtgenoot reeds door eigen toedoen is aangetast, en ook niet van een situatie waarin een goed dat door de ene echtgenoot is verkregen tot het privévermogen van de andere echtgenoot moet gaan behoren (hetgeen zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht vanwege haar ‘beperkte’ karakter überhaupt nooit kan bewerkstelligen). Vanwege de en/of-tenaamstelling heeft bovendien te gelden dat beide echtgenoten – direct dan wel indirect (via artikel 6:16 BW, zie paragraaf 2.4.3 hiervóór) – bevoegd zijn om ten aanzien van het volledige saldo betalingsopdrachten en contante opnamen te verrichten, dus óók ten aanzien van dat deel van het saldo dat tot het privévermogen van een van de echtgenoten is gaan behoren. Aldus kan door de en/of tenaamstelling het resultaat van zaaksvervanging nooit zijn dat het saldo van de bankrekening geheel of gedeeltelijk tot het vermogen gaat behoren van een echtgenoot op wiens naam de bankrekening niet is geadministreerd, hij daar ook niet over kan ‘beschikken’, terwijl dat deel van het saldo ook niet aan de echtgenoot toebehoort op wiens naam de bankrekening wél geregistreerd is. Bij de en/of-rekening komt het belang van derden door de werking van zaaksvervanging dus niet op onaanvaardbare wijze in het gedrang, waardoor er – anders dan bij een bankrekening op naam van slechts één van de echtgenoten – ook om die reden géén belemmering voor de werking van zaaksvervanging bestaat.