Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.8
6.6.8 Aanvaarding van de verwijzing; art. 15 lid 5 Vo-BIlbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437967:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 207(b): `Before determining whether it is an inconvenient forum, a court of this State shall consider whether it is appropriate for a court of another State to exercise jurisdiction.'
Art. 15 lid 1 van het voorstel Vo-BIlbis (COM(2002) 222 def.) hanteerde nog een termijn van 'een maand'. Art. 8 lid 4 HKbV 1996 noemt geen termijn, doch volgens het Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 56, geldt een 'redelijke termijn'.
Vgl. voor het HKbV 1996, Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 60.
Considerans, overweging 13, Vo-BlIbis.
Hof van Beroep te Gent 5 september 2005, RW 2005, p. 432-434 (Baby Donna).
Vgl. art. 9 lid 3 HKbV 1996.
Maar ook van de forum non conveniens-regelingen in art. 8 en 9 HKbV 1996 en art. 8 HMbV 2000.
Vgl. Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 207(d): `A court of this State may decline to exercise its jurisdiction under this [Act] if a child-custody determination is incidental to an action for divorce or another proceeding while still retaining jurisdiction over the divorce or other proceeding.'
Voor de totstandkoming van een verwijzing van de zaak op basis van forum non conveniens-overwegingen is vereist dat het ontvangende gerecht instemt met de overdracht van de bevoegdheid. Een éénzijdige forum non conveniens-verklaring door het verwijzende gerecht, zonder instemming van het ontvangende gerecht, is dus niet mogelijk.1 Indien de zaak volgens een van de twee hiervoor beschreven wegen aanhangig is gemaakt bij het ontvangende gerecht in het buitenland, kan dit gerecht, wanneer dit gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak in het belang van het kind is, de verwijzing van de zaak en daarmee bevoegdheid aanvaarden. Het ontvangende gerecht toetst zelf of het belang van het kind bij een verwijzing is gediend. In tegenstelling tot de periode waarbinnen de zaak door de partijen in het buitenland aanhangig moet zijn gemaakt (art. 15 lid 4), bepaalt de verordening nu uitdrukkelijk dat het ontvangende gerecht binnen zes weken nadat de zaak bij hem aanhangig is gemaakt op het verwijzingsaanzoek moet reageren (art. 15 lid 5).2 De aanvaarding zal uitdrukkelijk moeten geschieden; van een stilzwijgende aanvaarding kan geen sprake zijn.3 De forum conveniens rechter kan de zaak op zijn beurt niet terugverwijzen of verderverwijzen naar het gerecht van een andere lidstaat.4Art. 15 Vo-BI:Ibis mag geen aanleiding geven tot 'een juridisch carrousel waarbij twee rechtbanken de zaak voortdurend heen en weer kaatsen.' 5 Het beginsel van rechtszekerheid en nog veel belangrijker het belang van het kind verzetten zich hiertegen.
Bij aanvaarding van de bevoegdheid door het buitenlandse gerecht ziet het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht af van uitoefening van zijn rechtsmacht (art. 15 lid 5, r zin). De Nederlandse tekst van art. 15 lid 5 Vo-BI:Ibis spreekt van afzien van 'het uitoefenen van zijn bevoegdheid', waarmee de suggestie wordt gewekt dat de rechtsmacht van de verwijzende rechter niet komt te vervallen. Bestudering van het artikel in de overige taalversies leert echter dat de bevoegdheid van de verwijzende rechter komt te vervallen (`decline jurisdiction'; 'erklkt (...) fdr unzustdig' ; `clécline sa compétence' ).6 Hij dient zich dus onbevoegd te verklaren. De verwijzende rechter verklaart zich pas forum non conveniens nadat het ontvangende gerecht heeft ingestemd met de overdracht van de zaak. Er bestaat derhalve geen risico dat het kind in een situatie belandt waarin geen enkel gerecht rechtsmacht uitoefent ('negatief rechtsmachtconflict'). Dat is het grote voordeel van de forum non conveniens-regeling in art. 15 Vo-BIIbis.7 Onder de Nederlandse forum non conveniens-regeling van art. 4 lid 3 sub b Rv verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd, zonder dat vereist is dat de bevoegdheid door een buitenlands gerecht is 'overgenomen'. Pas als door (een van de) partijen aannemelijk wordt gemaakt dat een gerechtelijke procedure in het buitenland om welke reden dan ook niet mogelijk is, kan de Nederlandse rechter toch ervoor kiezen om rechtsmacht uit te oefenen.
Indien het buitenlandse gerecht de overdracht van bevoegdheid aanvaardt, ziet het verwijzende gerecht af van de uitoefening van zijn rechtsmacht ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Het ontvangende gerecht in het buitenland zal de behandeling van de zaak inhoudelijk voortzetten. Hierbij kan hij eventueel gebruik maken van het door de verwijzende rechter gevormde dossier. Rijst de kwestie van de ouderlijke verantwoordelijkheid in het kader van een echtscheidingsprocedure, dan blijft de echtscheidingsbevoegdheid van de verwijzende rechter onaangetast.8