De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.4:26.6.4 Stuiting tegen de verzekerde stuit ook tegen de verzekeraar
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.4
26.6.4 Stuiting tegen de verzekerde stuit ook tegen de verzekeraar
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371351:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 10 lid 4 WAM eerste deel bepaalt dat handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen een verzekerde stuiten tevens de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar stuiten.
Een voorbeeld van toepassing van deze bepaling biedt HR 12 februari 1982.1 De gesubrogeerde ziektekostenverzekeraar van het slachtoffer dagvaardde de veroorzakende automobilist tot schadevergoeding, binnen drie jaar na het ongeval. Daardoor was jegens de laedens de verjaring gestuit. Het Waarborgfonds stelde zich in zijn cassatiemiddel op het standpunt dat met die stuiting de verjaring jegens hem nog niet was gestuit. De Hoge Raad overwoog: "De in dit verband van belang zijnde eerste zin van artikel 10 lid 2 luidt [dat is de voorloper van het huidige lid 4 — JLS]: "Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen een verzekerde stuiten, stuiten tevens de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar". Deze bepaling kan niet anders worden begrepen dan als mee te brengen dat in geval van een rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de stuiting van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerde — op het bestaan van welke rechtsvordering het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar mede is gebaseerd — ook tegen de verzekeraar kan worden ingeroepen." Aldus volgde verwerping van het beroep.
De Hoge Raad gaat met deze enkele verwijzing naar de tekst van de wet voorbij aan de centrale pijler in de motivering van het middel, zijnde dat het bepaalde in (het huidige) art. 10 lid 4 WAM slechts van toepassing is op vorderingen welke voortvloeien uit de WAM en niet op die welke voortvloeien uit art. 31 WVW. Volgens het middel had het dus helemaal niet tot toepassing van art. 10 lid 4 WAM moeten komen, zodat stuiting jegens de verzekerde niet tevens stuiting jegens de verzekeraar tot gevolg had. Die betwisting van toepasselijkheid van art. 10 lid 4 WAM doet ook wel erg geforceerd aan. Volgens art. 6 lid 1 jo. art. 3 lid 1 WAM heeft de benadeelde jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding wegens de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de automobilist. Die burgerrechtelijke aansprakelijkheid is hier gegeven, dus is er een vordering van de benadeelde op de verzekeraar uit hoofde van de WAM en dus is art. 10 lid 4 van toepassing. Of die vordering van de benadeelde nu berust op het BW of de WVW doet, anders dan het middel lijkt te suggereren, niet terzake. Art. 3 lid 1 WAM maakt geen onderscheid naar type "burgerrechtelijke aansprakelijkheid". Zie in die zin ook het hierna te bespreken BenGR 20 oktober 1989.2
Overigens was in het hier besproken HR 12 februari 1982 de primair aansprakelijke persoon, de automobilist, niet verzekerd. Daar art. 10 lid 4 WAM steeds spreekt van de "verzekerde", zou die omstandigheid twijfel over werking van die bepaling kunnen doen rijzen; strik beschouwd was er helemaal geen "verzekerde". Deze twijfel wordt echter weggenomen doordat art. 26 lid 8 WAM expliciet art. 10 WAM van overeenkomstige toepassing verklaart op de rechtsvordering van de benadeelde tegen het Waarborgfonds.