De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.2.2:10.2.2 De wagerman-I-beschikking
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.2.2
10.2.2 De wagerman-I-beschikking
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364845:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Zwagerman-I-beschikking1 oordeelde de Hoge Raad eveneens over eindvoorzieningen die de ondernemingskamer had getroffen. Zij had een tijdelijke commissaris aangesteld en bepaald dat aan deze commissaris de bevoegdheden toekomen als bedoeld in afdeling 6, titel 5 van boek 2 BW (de structuurregeling), alsmede de bevoegdheid tot benoeming van de externe accountant van de vennootschap en de bevoegdheid tot het inschakelen van externe deskundigen. De desbetreffende vennootschap was niet verplicht om het structuurregime toe te passen en had dat regime ook niet vrijwillig aanvaard. De Hoge Raad casseerde het treffen van dergelijke eindvoorzieningen.
In zijn overwegingen onderkende de Hoge Raad dat de ondernemingskamer bij wijze van eindvoorziening kan bepalen dat tijdelijk wordt afgeweken van de statuten. Dat houdt ook in, aldus de Hoge Raad, dat de ondernemingskamer statutaire bepalingen kan toevoegen, zoals statutaire bepalingen die bevoegdheden aan een commissaris toekennen. Daarbij dient de ondernemingskamer, zo vervolgde de Hoge Raad, de grenzen van de wet te respecteren. Tevens overwoog de Hoge Raad dat de ondernemingskamer niet kon volstaan met een verwijzing naar afdeling 6, titel 5 van boek 2 BW. De Hoge Raad wees voorts op het limitatieve karakter van de opsomming van art. 2:356 BW.
In de Versatel-II-beschikking2 verduidelijkte de Hoge Raad dat bovengenoemd oordeel zijn basis heeft in art. 2:356 sub d BW. Ik leid daaruit af dat de Hoge Raad meent dat, nu art. 2:356 sub d BW slechts rept over het afwijken van de statuten, de limitatieve opsomming van art. 2:356 BW geen ruimte biedt voor het afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen.
Het in de Hoffman Bedrijfsrecherche-beschikking gegeven oordeel dat de ondernemingskamer bij het ontslag van bestuurders niet is gebonden aan de terzake geldende wettelijke bepalingen, is dus niet van toepassing als het gaat om het toekennen van bevoegdheden aan commissarissen.