Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.4.3
6.4.3 Commerciële activiteiten: art. 11 EVRM, of art. 1 EP?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363623:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 12 december 2002, JOR 2003/224 m.nt. Vossestein (Cesnieks).
EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008/269 (Pye/UK), r.o. 71 en 75 en de aldaar genoemde vindplaatsen. Vgl. EHRM 8 oktober 2009, appl.nr. 37083/03 (Tebieti Mühafize Cemiyyeti And Israfilov) r.o. 72. Zie ook par. 5.4.2.1 en 5.4.3.1.
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 april 1999, appl.nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95 (Chassagnou), EHRM 17 februari 2004, appl.nr. 44158/98 (Gorzelik) r.o. 88 e.v., EHRM 11 januari 2006, appl.nrs. 52562/99 52620/99 (Sorensen en Rasmussen), r.o. 54.
Vgl. EHRM 13 augustus 1981, appl.nrs. 7601/76 en 7806/77 (Young c.s.) met EHRM 20 april 1993, appl.nr. 14327/88 (Sibson). Zie dienaangaande ook par. 6.5.4.
Een vergelijkbaar oordeel werd gegeven in EHRM 11 januari 2006, appl.nrs. 52562/99 52620/99 (Sorensen en Rasmussen).
Vgl. Schild 2014: “Vooral omdat het Hof zich in het verleden niet erg ‘aandeelhoudervriendelijk’ heeft getoond. Aandeelhouders lijden in Straatsburg onder wat ik maar wil noemen een lage ‘aaibaarheidsfactor’. Blijkens zijn jurisprudentie lijkt het Hof vooral erop uit om mensen die zich in moeilijke maatschappelijke positie bevinden, zoals asielzoekers, een helpende hand te reiken. En ondanks de financiële crisis lijkt het Hof minder compassie te hebben met aandeelhouders.”
Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat de margin of appreciation ten aanzien van het necessary-in-a-democratic-society-vereiste afhankelijk is van welke belangen worden geraakt door een inmenging in de vrijheid van vereniging.
Ten eerste kan worden gewezen op het hiervoor reeds ter sprake gekomen Cesnieks-arrest.1 Daarin oordeelde het EHRM dat een vereniging in de zin van art. 11 EVRM eerder ziet op een verband van personen (“rassemblement de personnes”) dan van goederen (“rassemblement de biens”). Een verband van goederen wordt door art. 1 EP beschermd. Dat heeft gevolgen voor de margin of appreciation. Art. 1 EP biedt ruime(re) margin of appreciation, die zijn rechtvaardiging vindt in het feit dat het gaat om sociaal-economische vraagstukken.2 De rechtspraak ten aanzien van art. 11 EVRM laat zien dat de margin of appreciation beperkt(er) is, hetgeen veelal wordt gemotiveerd met de noodzaak om de pluriforme, democratische en tolerante samenleving te waarborgen.3
Een tweede voorbeeld betreft een tweetal uitspraken4 over de vrijheid om niet gedwongen te worden om lid te worden van een vakbond. Het ging in beide zaken om een equivalent van een cao, waarin onder meer was opgenomen dat alle werknemers verplicht waren om lid te zijn van een bepaalde vakbond (een zogeheten closed-shop bepaling). Het toepasselijke nationale recht stak zo in elkaar dat een werkgever die aan een dergelijke cao was gebonden zijn werknemers kon ontslaan, indien zij weigerden om lid te worden van deze vakbond. De weigerachtige werknemers hadden in dat geval geen recht op schadevergoeding. Daarover werd in twee zaken geklaagd bij het EHRM door weigerachtige en daarom ontslagen werknemers. Het EHRM achtte één en ander een inmenging in de vrijheid van vereniging. Het interessante is dat de klagers in de twee desbetreffende uitspraken verschillende motieven hadden waarom zij geen lid wilden worden van de desbetreffende vakbond. In de zaak Young c.s. hadden de klagers principiële bezwaren tegen de betreffende vakbond. Eén en ander speelde zich af in het Engeland van de jaren ’70 toen vakbonden militant waren en zich sterk profileerden aan de linkerzijde van het politieke spectrum. De desbetreffende klagers wilden daarmee niets te maken hebben. Het Engelse recht stelde hen dus voor de keuze om zich aan te sluiten bij een politieke groepering die standpunten innam waarmee zij het niet eens waren, of het verlies van hun baan. De gewetensvrijheid van klagers stond dus op het spel. Mede om die reden werd hun klacht gegrond bevonden.5 In de zaak Sibson daarentegen had de klager geen principiële bezwaren tegen vakbonden. Hij was lid van een andere vakbond dan de vakbond waarvan hij lid moest zijn. Sterker nog, de klager was in het verleden lid geweest van de vakbond waarvan hij lid moest worden, maar was daar met ruzie weggegaan, nadat hij van malversaties beschuldigd was. Daarom wilde hij niets meer te maken hebben met deze vakbond. Zijn klacht werd ongegrond bevonden.
Ook op andere punten geeft de rechtspraak van het EHRM er blijk van dat de vrijheid van vereniging vooral bescherming biedt als de voorwaarden van een pluriforme, democratische en tolerante samenleving in het geding zijn.6 Zo zal in par. 6.5.2.1 ter sprake komen dat het EHRM heeft geoordeeld dat art. 11 EVRM in beginsel niet in de weg staat aan het klassieke rechtspersonenrecht en regels ten aanzien van corporate governance.