Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.2.1
3.2.1 De strafbaarstelling van ‘zwarte’ slavenhandel in de 19e eeuw (gericht op arbeidsuitbuiting)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS387421:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Emmer 2003, p. 39-45.
Van der Leun & Vervoorn 2004, p. 1.
Zie ook Emmer 2003, p. 185-190.
Emmer 2003, p. 202-205.
Zo wordt in artikel 275 en 276 Sr de schipper respectievelijk de schepeling die dienst doet op een slavenschip strafbaar gesteld en in artikel 277 Sr degene die medewerkt aan het verhuren, vervrachten of verzekeren van een slavenschip.
Smidt 1891, p. 427-429 en Simons 1941, p. 38.
League of Nations, Treaty Series, vol. 60, p. 254.
United Nations, Treaty Series, vol. 266, p. 3.
Lestrade & Rijken 2014, p. 666.
Beschikking van Raad van Justitie te Soerabaia op 3 oktober 1894 bekrachtigd bij arrest van het Hoog Gerechtshof van Nederlands-Indië op 24 oktober 1894; W. 1895, 6648.
Simons 1941, p. 38.
Aldus ook Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 274 Sr, aant. 1, zie ook Cleiren & De Doelder 1993, p. 17-18.
Zo ook Van der Meij in T&C Sr, art. 274 Sr, aant. 1: ‘Niet uitgesloten is echter, dat ook andere vormen van exploitatie en onderdrukking van medemensen als “slavernij” kunnen worden aangemerkt.’
BNRM is slechts één geval bekend waarin slavenhandel als alternatief voor mensenhandel ten laste is gelegd; zie BNRM 2004, p. 26.
In Nederland komt de slavenhandel in opmars vanaf het midden van de 17e eeuw.1 Vanaf die tijd tot het midden van de 19e eeuw zijn naar schatting meer dan 500.000 slaven vervoerd van Afrika naar Amerika. De Afrikaanse burgers, de ‘zwarte’ slaven, moesten veelal werken op de suiker- en tabaksplantages van Nederlandse eigenaren in Suriname.2 Pas in de negentiende eeuw zijn tegen deze mensonterende praktijken wetten tot stand gekomen. In 1814 heeft koning Willem I onder grote druk van het Verenigd Koninkrijk bij Koninklijk Besluit de slavenhandel aan zijn onderdanen verboden. Van een discussie in het Nederlandse parlement was geen sprake, want de maatregel betrof een onderdeel van de buitenlandse politiek en tot de grondwetswijziging van 1848 onderhandelde de koning met vreemde naties zonder de inmenging van de volksvertegenwoordiging. Op 4 mei 1818 is vervolgens een verdrag met het Verenigd Koninkrijk gesloten ter wering van de slavenhandel (Stb. 1848, 79). Dit verdrag ging gepaard met een nationale strafwet waarin het opsporen en berechten van slavenhandelaren werd geregeld (Wet van 20 november 1818, Stb. 1818, 39). In 1824 is deze strafwet aangescherpt door verhoging van de strafmaat bij overtreding van het slavenhandelverbod (Wet van 23 december 1824, Stb. 1824, 75).3 Met voornoemde maatregelen waren de reeds verhandelde slaven echter nog niet vrij. In Nederland duurde het nog enige tijd voordat ook de slavernij zelf werd opgeheven. Pas na 1859 aanvaardde het parlement in Den Haag een wetsontwerp tot opheffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën (Stb. 1859, 33 Wet tot regeling van de afschaffing der slavernij in Nederlands Oost-Indië en Stb. 1862, 164 Wet houdende opheffing der slavernij in de kolonie Suriname en Stb. 1862, 165 Wet houdende opheffing der slavernij op de eilanden Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Eustatius, Saba en St. Martin). Daarvoor waren talloze wetsontwerpen verworpen, omdat in het ene voorstel de compensatie voor de slaveneigenaren te laag was vastgesteld en in het andere geen voorziening was getroffen voor het aantrekken van contractarbeiders, in het geval de vrijgemaakte slaven onverhoopt mochten besluiten de plantages in Suriname massaal de rug toe te keren. De Surinaamse planters wisten uiteindelijk een overgangstijd van tien jaar in te voeren. Gedurende de periode van 1863 tot 1873 mochten de ex-slaven die op het veld hadden gewerkt de plantagebouw niet verlaten, hoewel ze wel van werkgever konden wisselen en in het vervolg geld voor hun arbeid zouden ontvangen in plaats van loon in natura. Vanaf 1 juli 1863 waren de slaven vrij, maar toch niet helemaal.4 Aan de opheffing van de slavernij was geen strafrechtelijk verbod gekoppeld. De wetten regelden enkel de vergoedingen die de plantagehouders zouden ontvangen voor het verlies van hun slaven.
Sinds de invoering van het huidige Wetboek van Strafrecht in 1886 is in artikel 274 Sr het drijven van slavenhandel strafbaar gesteld. Voorts zijn in de artikelen 275, 276 en 277 Sr deelnemingshandelingen op slavenschepen gecriminaliseerd.5 Laatstgenoemde artikelen zijn te verklaren doordat de Afrikaanse slaven destijds per schip naar de Verenigde Staten werden gehaald om te werken op Nederlandse plantages. De strafbepalingen in de artikelen 274 tot en met 277 Sr zijn in hoofdzaak ontleend aan de wetten inzake slavenhandel van 20 november 1818 en 23 december 1824.6 Het is opvallend dat in de wetsgeschiedenis niet wordt verwezen naar de opheffing van de slavernij in 1863. Een specifieke strafbaarstelling van slavernij is in het Wetboek van Strafrecht niet opgenomen. Noch de ratificatie van het Slavernijverdrag uit 1926 door Nederland op 7 januari 19287, noch het door Nederland op 3 december 1957 geratificeerde aanvullend protocol hierop uit 19568, was aanleiding voor een specifieke strafbaarstelling. Dit is des te opmerkelijker nu deze verdragen oproepen tot het uitbannen van slavenhandel en het verbieden van slavernij.9
De vraag is of slavernij desalniettemin onder artikel 274 Sr is te scharen. De Raad van Justitie te Soerabaia oordeelde in 1894 dat slavenhandel betreft:
‘Het drijven van handel in menschen, alzoo het verhandelen van menschen, waaronder begrepen kan worden het zich aanschaffen door roof, koop als anderszins, het in bewaring nemen en houden, alsmede ook het vervoer van menschen, mist met bestemming die lieden te verhandelen.’10
Onder de slavenhandel viel volgens de Raad niet:
‘De daad van hem, die zich een slaaf aanschaft tot eigen gebruik en dien slaaf vervoert of doet vervoeren naar de plaats waar hij zijne diensten wil aanwenden.’
In zijn leerboek van het Nederlandsche Strafrecht leidt Simons uit deze uitspraak af dat het kopen van een slaaf voor eigen gebruik niet onder de slavenhandel valt en ook niet aan het deelnemen daaraan.11 Tegelijkertijd zij opgemerkt dat de beschikking van de Raad van Soerabaia zag op de situatie in Nederlands-Indië. Het was niet gebaseerd op de Nederlandse wettekst. In het Nederlandse artikel is het middellijk en onmiddellijk deelnemen aan slavenhandel strafbaar gesteld. Het verbod op slavenhandel is daarmee uitgebreid. Het houden van een slaaf voor eigen gebruik valt wellicht niet onder het handel drijven, maar zou kunnen worden geclassificeerd als het middellijk of onmiddellijk deelnemen daaraan.12 Immers, door het houden van slaven, duurt de handel hierin voort. Wellicht kan slavernij zelfs direct onder de handel worden gebracht, zonder gebruik te maken van een deelnemingsvorm. Slavernij omhelst de toestand van het slaaf zijn. Op het moment dat een persoon iemand in een dergelijke toestand brengt voor eigen gewin, wordt de slaaf tot voorwerp van handel gemaakt en kan dit worden aangemerkt als ‘handel in slaven’.13 Een wetssystematische manier van interpreteren wijst echter op het tegendeel aangezien de wetgever in 1818 en 1863 niet voor niets een onderscheid heeft gemaakt tussen het verbod van slavenhandel en de ophef van slavernij. Daar kan echter tegenin worden gebracht dat door het vrijmaken van alle slaven in 1863, mensen vanaf die tijd alleen opnieuw tot slaaf konden worden gemaakt dóór handel. Immers het werven van een slaaf, of het brengen in een toestand van slaaf zijn, kan worden getypeerd als handel. Een wervingshandeling dan wel overbrengingshandeling zal – gelet op de vrijstelling van slaven rond 1863 – altijd nodig zijn om in het bezit te komen van een slaaf. Zonder handel bestaat aldus geen slavernij. Een apart strafrechtelijk verbod was daarom niet meer noodzakelijk. Maar ook al biedt de wetsbepaling volgens een meer teleologisch ingestoken interpretatie de mogelijkheid om vormen van (moderne) slavernij op te nemen, het artikel wordt tegenwoordig zelden of nooit toegepast.14 Vermoedelijk wordt de strafbepaling nog immer geassocieerd met de Trans-Atlantische slavenhandel, en niet toegespitst op hedendaagse slavernij-achtige praktijken.