Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.5.2.1
3.5.2.1 De CV als overeenkomst
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589256:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volledige vermelding van de woorden ‘commanditaire vennootschap’ als onderdeel van de naam komt ook voor. Als na overlijden van de vennoot van een VOF een erfgenaam opvolgt, maar als commanditaire vennoot, pleegt de vennootschap haar naam te wijzigigen, om het element ‘CV’ daarin op te nemen.
Aldus ook: ‘t Hart 1996, p. 309.
Zie 3.2.6.2.
Huizink 2016a, p. 132.
Het Ontwerp-Maeijer, art. 836 jo. art. 801. Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 4 lid 3 en concept-MvT, p. 102. Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2016, p. 2.
Ontkennend: Asser/Maeijer 5-V 1995/360 en 361; Assink | Slagter 2013, § 99.1, p. 1897. Ontkennend t.a.v. de commanditaire vennoten, maar bevestigend ten aanzien van beherend vennoten onder elkaar (dus als er twee of meer beherend vennoten zijn): Tervoort 2015d, p. 59. Bevestigend: Blanco Fernández in T&C Ondernemingsrecht, art. 19 WvK, aant. 2 (bijgewerkt tot 1 juli 2014); en A-G Keus, conclusie sub 2.59 voor HR 4 november 2016,JOR 2016/326, NJ 2017/61(Distriport Noord-Holland).
Zie 2.3.3 (maatschap) en 3.3.2 (VOF).
Zie 3.5.3.2.
Asser/Maeijer 5-V 1995/374. Zie ook Stengel in Beck’sches Handbuch 2014, § 3, Rdnr. 115: het preventief vetorecht berust op gelijkgerechtigdheid van beheersbevoegde vennoten. Anders: Tervoort 2015d, nr. 5.2.2.1, die centraal stelt dat uitoefening van een preventief vetorecht op zichzelf geen daad van beheer is.
De Rouma/Levelt-regel (waarover 2.5.2.2) geldt bijvoorbeeld ook bij de CV: de commanditaire vennoot heeft na beëindiging van de CV of na zijn uittreden aanspraak op terugbetaling van zijn inbreng, in voorkomend geval verminderd met zijn aandeel in het verlies van de vennootschap. Zie HR 8 mei 1998, JOR 1998/110, NJ 1998/888(MeesPierson/Boterenbrood).
Art. 16 jo. art. 1 en 15 WvK jo. Art. 7A:1683 BW.
Zie 3.3.3.1.
Net als bij maatschap en VOF, gaat het bij de CV om een rechtsverhouding tussen vennoten. De wet geeft geen omschrijving van deze rechtsverhouding, maar stelt dat zij wordt aangegaan tussen een persoon, of meerdere hoofdelijk verbonden vennoten, en een of meer andere personen als geldschieters (art. 19 lid 1 WvK). Die ‘geldschieters’ worden doorgaans aangeduid als commanditaire vennoten, eerstbedoelde personen als beherend vennoten of gewone vennoten. De term ‘gewoon vennoot’ heeft een ruimere betekenis dan ‘beherend vennoot’. Waar de gewone vennoot belast is met de beheerstaak, is de term ‘beherend vennoot’ gepast. Dit is in de praktijk doorgaans het geval. Het is mogelijk om de beheerstaak aan een derde op te dragen, of om bij meerdere gewone vennoten de beheerstaak slechts aan één van hen op te dragen. De volledig aansprakelijke vennoot die niet met de beheerstaak is belast, is wel gewoon vennoot, niet beherend vennoot.
Net als de VOF, is de CV een maatschap tot de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam (art. 16 WvK). Hoewel de wet daartoe niet met zoveel woorden verplicht, begint of eindigt de naam van een CV steevast met de aanduiding ‘CV’.1 De vraag rijst of de voor de VOF geldende beperking, dat sprake moet zijn van een ‘bedrijf onder een gemeenschappelijke naam’, in dezelfde mate geldt voor de CV. Het gebrek aan een afwijkende bepaling in het Wetboek van Koophandel doet vermoeden dat dit het geval is, maar de praktijk kent beleggingsfondsen met passieve beleggers in de vorm van een CV.2 Dit is opmerkelijk, want feitelijk is beleggen niet steeds een bedrijfsmatige activiteit. In de praktijk komen ook openbare beleggingsmaatschappen voor en wordt vrijelijk gekozen tussen openbare maatschap en CV. Deze soepele benadering in de Nederlandse praktijk is vergelijkbaar met die in Engeland, waar het vereiste van ‘carrying on business in common with a view of profit’ voor de limited partnership ruimer wordt opgevat dan bij de partnership.3
Het Ontwerp-Maeijer liet beroepsuitoefening in CV-verband toe. De werkgroep- Van Olffen wijst deze verruiming af, zonder aan te geven waarom. Huizink kan voor die afwijzing geen goede reden verzinnen;4 ik ook niet. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht bepleit om een CV-equivalent voor de maatschap te introduceren (een aparte beroeps-CV dus). De werkgroep-Van Olffen vindt dat te ingewikkeld.5 Ik bepleit voor het komende recht om het toepassingsgebied van de CV op dezelfde wijze uit te breiden als bij de VOF. Alle activiteiten die in maatschapsverband kunnen plaatsvinden, kunnen dan ook in CV-verband worden uitgeoefend.
De vraag of het aktevereiste van artikel 22 WvK mede op de CV van toepassing is, wordt verschillend beoordeeld.6 Met het oog op rechtszekerheid en eenvoud komt het mij aantrekkelijk voor om uit te gaan van toepasselijkheid van dit vereiste. Deze benadering past in de beperkte rol die ik weg leg voor de materiële kenmerken,7 en helpt de beoordeling van bewijs in voorkomende gevallen te vereenvoudigen. Rechtszekerheid op dit punt is mede van belang, als men aanneemt dat handelen in naam van de CV mede als handelen in naam van elke commanditaire vennoot moet worden opgevat.8 Als men ervan uitgaat dat de CV een gekwalificeerde VOF is, volgt toepasselijkheid van het aktevereiste uit de wet.
Het belangrijkste verschil tussen VOF en CV, qua interne verhoudingen, betreft de beheers- en vertegenwoordigingsbevoegdheid. Bij de CV is in beginsel iedere gewone vennoot bevoegd om daden van beheer te verrichten en om de CV te vertegenwoordigen. Aan commanditaire vennoten komen deze bevoegdheden niet toe (art. 20 lid 2 WvK). Dit beheersverbod wordt verderop besproken. Aangezien het preventief vetorecht van artikel 7A:1676 sub 1 slot BW voortvloeit uit beheersbevoegdheid, komt het niet aan commanditaire vennoten toe.9
De verdere verschillen tussen VOF en CV op het vlak van de interne verhoudingen zijn beperkt. De figuur van de CV op aandelen is verboden (art. 19 lid 3 WvK). De interne bijdrageplicht van een commanditaire vennoot is beperkt tot zijn overeengekomen inbrengplicht (art. 20 lid 3 WvK). En de commanditaire vennoten hebben in beginsel geen stemrecht over het eventueel benoemen van een ander dan de beherend vennoot tot vereffenaar van het vermogen van de CV na ontbinding (art. 32 lid 1 WvK).
Voor het overige zijn er qua interne verhoudingen tussen VOF en CV geen wezenlijke verschillen.10 Net als bij de VOF, ontbreekt bij de CV een wettelijk voortzettingsbeding.11 Bij wijze van regelend recht leidt het uittreden van een vennoot daardoor tot algehele ontbinding van de vennootschap. Mijn pleidooi om in titel 7.13 BW voor de VOF een wettelijk voortzettingsbeding op te nemen,12 geldt ook voor de CV.