Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.7:4.7.7 Vruchttrekking (art. 5:1 lid 3 BW) als wettelijke grondslag: de hoofdregel
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.7
4.7.7 Vruchttrekking (art. 5:1 lid 3 BW) als wettelijke grondslag: de hoofdregel
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644855:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT, art. 5.2.15, Parl. Gesch. Boek 5, p. 115.
MvT, art. 5.1.1, Parl. Gesch. Boek 5, p. 29.
TM, art. 5.1.1, Parl. Gesch. Boek 5, p. 21.
Zie Hoofdstuk 2, §2.3.1.
De “overbodigheid” van lid 3 is in de MvA II (Parl. Gesch. Boek 5, p. 29) met klem tegengesproken, om de hierboven al genoemde reden. Lid 3 completeert art. 5:17 BW. Dat artikel bepaalt niet op grond van welke genotsrechten iemand de eigendom verkrijgt van de afgescheiden vruchten. Blijkens lid 3 valt het eigendomsrecht onder het genotsrecht zoals bedoeld in art. 5:17 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een artikel dat over een specifiek geval van afscheiding gaat, zou uitkomst kunnen bieden. Het derde lid van art. 5:1 BW gaat over de afscheiding van vruchten:
“De eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de afgescheiden vruchten.”
Het artikel is nauw verbonden met art. 5:17 BW.1 In dat artikel is bepaald dat iemand die een genotsrecht op een zaak heeft, de eigendom van de vruchten verkrijgt door afscheiding. Daarbij is niet van belang wie de vruchten heeft afgescheiden.2 Het derde lid van art. 5:1 BW completeert art. 5:17 BW, door te bepalen dat het eigendomsrecht zo’n genotsrecht is als bedoeld in het laatstgenoemde artikel.3 Hoewel art. 5:1 lid 3 BW alleen van toepassing is op afscheiding van vruchten en geen algemene regel geeft voor afscheiding, verwoordt het wel de hoofdregel die in de literatuur wordt aangehangen, namelijk dat de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar wordt van de afgescheiden bestanddelen. Het is bovendien eenvoudig voor te stellen om dit artikel als hoofdregel toe te passen op alle gevallen van afscheiding. Deze natuurlijke vruchten, want daarop heeft het artikel betrekking, zijn vóór de afscheiding bestanddelen en worden daarna zelfstandige zaken.
“In het derde lid wordt volledigheidshalve bepaald dat, behoudens rechten van andere (…), bij afscheiding van de vruchten de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar wordt van de vruchten, zodra deze door afscheiding zelfstandige zaken worden.”4
Meijers verwijst in zijn toelichting onder andere naar §953 BGB. Zoals hierboven ter sprake is gekomen,5 is dat artikel niet alleen van toepassing op afscheiding van vruchten, maar op alle (wezenlijke) bestanddelen. Art. 5:1 lid 3 BW biedt derhalve een wettelijke grondslag voor de eigendomsverkrijging van afscheiding. Deze eigendom wordt van rechtswege verkregen.
In de parlementaire geschiedenis ontbreekt een expliciete verklaring voor waarom de eigenaar de afgescheiden vruchten verkrijgt. Een impliciete verklaring is te halen uit het VV (Voorlopig Verslag), waarin staat:
“Tegen een opnemen van het derde lid wil de commissie zich niet verzetten, al meent zij, dat deze bepaling betrekkelijk overbodig is.”6
Het derde lid werd als overbodig gezien, omdat het volstrekt logisch is dat de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar is/wordt van de afgescheiden delen. Het artikel is er toch gekomen.7 Helaas vertelt art. 5:1 lid 3 niets over de “staat van het eigendomsrecht”. Althans, niet expliciet. Duidelijk is wel dat de eigenaar van de hoofdzaak de eigendom verkrijgt van de afgescheiden vruchten, omdat hij eigenaar is van de hoofdzaak. Het eigendomsrecht op de vrucht is niet los te zien van het eigendomsrecht op de hoofdzaak. Deze nauwe verwantschap houdt in dat het eigendomsrecht op de vrucht dezelfde eigenschappen heeft als het eigendomsrecht op de plant of de boom. Voor afgescheiden bestanddelen anders dan vruchten geldt hetzelfde. En de artikelen over natrekking dan? Wat de zakenrechtelijke gevolgen betreft verschillen ze niet van art. 5:1 lid 3 BW, omdat de artikelen in overeenstemming zijn met elkaar. Een nagetrokken zaak valt onder het eigendomsrecht van de hoofdzaak en neemt daardoor alle eigenschappen van die hoofdzaak over. Omgekeerd komt op de afgescheiden zaak een eigendomsrecht te rusten met dezelfde eigenschappen als het eigendomsrecht van de hoofdzaak, waarmee zij verwantschap vertoont. De eigenaar van de hoofdzaak verkrijgt ook op basis van art. 5:14 lid 1 BW (het spiegelbeeld van afscheiding) de eigendom, omdat hij eigenaar van de hoofdzaak is.