Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/0.2:0.2 Opzet en onderzoeksvraag
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/0.2
0.2 Opzet en onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS585035:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek heeft betrekking op genoemde norm van redelijkheid en billijkheid. Deze "controversiële"1 norm in al haar facetten te beschrijven of te onderzoeken — voor zover zulks binnen het kader van een promotieonderzoek al doenlijk zou zijn — is echter niet de opzet van dit boek. In plaats van een uitputtende beschrijving van de betekenis en werking van deze centrale norm in het vermogensrecht te willen geven, heb ik ervoor gekozen een viertal (in hoofdzaak) contractenrechtelijke leerstukken2 te onderzoeken, waarin de redelijkheid en billijkheid prominent naar voren treden, te weten: de problematiek van contractuele gebondenheid (hoofdstuk 2), de uitleg van (commerciële) contracten (hoofdstuk 3), de problematiek van imprévision (hoofdstuk 4) en tot slot de ambtshalve toepassing van de redelijkheid en billijkheid (hoofdstuk 5).
Alvorens tot de behandeling van bedoelde vier leerstukken over te gaan lijkt het, in het licht van de hierboven kort geschetste controverse over aard en betekenis van de rechtsnorm van redelijkheid en billijkheid, evenzeer logisch als onvermijdelijk dit onderzoek te laten aanvangen met een (beknopte) studie ten aanzien van de (voor)vraag hoe de norm van redelijkheid en billijkheid primair dient te worden verstaan — als een vage of open rechterlijke beslissingsnorm dan wel als een partijen bindende gedragsnorm, die wortelt in het objectieve recht. De behandeling en beantwoording van deze vraag dient vooraf te gaan aan de behandeling van bedoelde leerstukken, nu (i) het antwoord op deze vraag niet op voorhand duidelijk lijkt, maar (ii) wel van belang is, nu genoemde leerstukken zonder uitzondering in hoge mate met het leerstuk van redelijkheid en billijkheid van doen hebben of daarvan een uitingsvorm zijn en (iii) de te kiezen visie op de norm van redelijkheid en billijkheid daarmee direct van invloed is op de vraag hoe de bedoelde leerstukken moeten worden begrepen. Eerst indien het antwoord op genoemde vraag gevonden is, kan derhalve de bestudering en bespreking van de genoemde leerstukken zinvol worden aangevat.
Aan de hand van de in hoofdstuk 1 te verwerven visie op redelijkheid en billijkheid zal vervolgens worden bezien of een beter begrip verkregen kan worden van de werking van redelijkheid en billijkheid in het overeenkomstenrecht en in het burgerlijk proces. Leitmotiv bij de bestudering van de vier gekozen leerstukken zal zijn de vraag in hoeverre de in hoofdstuk 1 gemaakte keuze noopt tot het bijstellen van gangbare dogmatische inzichten en tot bijstelling van gangbare inzichten omtrent de rol die de rechter respectievelijk partijen in de betreffende leerstukken toekomt.
Op grond van het voorgaande kom ik tot de volgende onderzoeksvraag:
Hoe dient de norm van redelijkheid en billijkheid primair te worden verstaan — als een vage of open rechterlijke beslissingsnorm dan wel als een partijen bindende gedragsnorm?
In hoeverre noopt het antwoord op de voorgaande vraag tot het bijstellen van gangbare dogmatische inzichten en tot bijstelling van gangbare inzichten omtrent de rol die de rechter respectievelijk partijen in de betreffende leerstukken toekomt?