Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.4
IX.3.5.4 Vorderingen uit obligatoire rechtshandeling en de verbindende kracht van de overeenkomst
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356435:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Verhagen & Rongen 2000, p. 51 e.v. en Dirix 1991, p. 42-43 en zie reeds de conclusie van P-G Tak voor het loonbeslag-arrest (NJ 1932, p. 303), alsmede Houwing 1940, p. 82. Zie over de beginselen die aan de verbindende kracht van een overeenkomst ten grondslag liggen: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 41 e.v.
Zie in gelijke zin: Rb. Amsterdam 10 december 1997, NJ 1998, 487. Vgl. ook: Olthof 1988, p. 123 en Houwing 1940, p. 82. Hetzelfde geldt voor vorderingen uit eenzijdige obligatoire rechtshandelingen, zoals een 403-verklaring. Zie in verband met de laatste: HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447, m.nt. Ma (Akzo Nobel/ING).
Zie reeds in soortgelijke zin: Houwing 1940, p. 76-77, p. 78-79, p. 80 en p. 82.
Juist omdat de schuldenaar zich ten tijde van de contractsluiting reeds heeft verbonden te presteren, indien de voorwaarde wordt vervuld, is de door sommigen (zie noot 210) verdedigde opvatting dat de verbintenis (en vordering) eerst ontstaat indien de voorwaarde is vervuld, naar mijn mening onjuist.
Wel geldt dat de voorwaarde niet in strijd mag zijn met het wezen van een verbintenis dat de schuldenaar zich tot een prestatie verplicht. Er mag geen sprake zijn van een nietige ‘potestatieve’ voorwaarde. Zie hiervoor: nr. 888.
Volgens deze bepaling is een overeenkomst wederkerig “indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt” [curs. MHER]. Zie ook de omschrijving van het begrip ‘overeenkomst’ in titel 6.5 BW (‘Overeenkomsten in het algemeen’) in art. 6:213 lid 1 BW: “Een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan” [curs. MHER].
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 348, alsmede HR 7 april 2000, NJ 2000, 602, m.nt. HJS (WUH/Staat), r.o. 3.4.
Zie over het begrip ‘duurverbintenis’: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 43.
Vgl. ook: Van Creveld 1953, p. 72. Blijkens het arrest De Boer/Haskerveenpolder was dit met betrekking tot huurvorderingen aanvankelijk ook de benadering van de Hoge Raad. Zie HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848, m.nt. EMM, p. 1259-1260.
In de literatuur is wel gesteld dat mede het feit dat onzeker is hoe lang de duurovereenkomst zal voortduren, met zich brengt dat er nog geen sprake is van bestaande vorderingen. Zie o.a.: Broekveldt 2003, p. 160 en p. 166. Vgl. Parser 1932, p. 29.
Vgl. art. 6:271 BW. De tegengestelde opvatting zou strikt genomen impliceren dat elke vordering uit een wederkerige overeenkomst een toekomstige vordering is, zolang niet vaststaat dat de wederpartij zonder tekortkoming aan zijn verplichting heeft voldaan (ontbindingsrisico). Het is duidelijk dat deze opvatting niet het geldende recht weergeeft. Het feit dat het gaat om een duurovereenkomst die verplicht tot periodieke of doorlopende prestaties, leidt niet tot een andere conclusie. Vgl. J.J. van Hees 1997, p. 129. Zie voorts: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 176, waar wordt opgemerkt, onder verwijzing naar HR 28 mei 1952, NJ 1953, 394, m.nt. PhANH, dat de bevoegdheid van de schuldenaar om naar eigen willekeur de verbintenis teniet te doen, niet met zich brengt dat er geen bestaande verbintenis is. Er is sprake van een bestaande verbintenis die vervalt zodra de schuldenaar van zijn bevoegdheid gebruik maakt.
Dit is gelet op het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653) naar geldend recht wellicht anders, indien de wijziging van de verbintenis een “ingrijpende wijziging” van de rechtsverhouding tussen partijen met zich brengt als bedoeld in het arrest (zie r.o. 3.5, alsmede hiervoor: nrs. 865 en 866).
Indien echter de wijziging van de verbintenis inhoudt dat de schuldeiser een geheel andere prestatie kan vorderen van de schuldenaar, zal de oorspronkelijke verbintenis worden vervangen door een nieuwe verbintenis. Wijziging van het voorwerp van de verbintenis (objectieve novatie) impliceert noodzakelijkerwijs het ontstaan van een nieuwe verbintenis en dus een nieuwe vordering die voor de wijziging als een toekomstige heeft te gelden.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
In gelijke zin: Köster 1964, p. 114. Anders: MvA, Invoeringswet boeken 3-6 eerste gedeelte, EK 1984-1985, 16 593, nr. 141a, p. 27-28, waar de vordering als toekomstig wordt aangemerkt voor zover zij ziet op de periode na een nog niet zekere verlenging.
Vgl. Broekveldt 2003, p. 170; Van Mierlo 1988, p. 92; Mijnssen 1983, p. 59 en De Waal-Van Wessem 1983a, p. 179 en De Waal-Van Wessem 1983b, p. 1203.
Zie HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m.nt. HJS.
Vgl. HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848, m.nt. EMM (De Boer/Haskerveenpolder).
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 29 juli 1992, NJ 1993, 310 en Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 1990, NJ 1991, 101, waarin het ontstaan van vorderingen uit verzekering werd beoordeeld aan de hand van de inhoud van de polisvoorwaarden.
Een voorbeeld daarvan is de bepaling die men bij schadeverzekeringen aantreft en die inhoudt dat er geen recht op schadevergoeding bestaat, indien de premie over het betreffende tijdvak niet is betaald. Of het verrichten van de tegenprestatie (de betaling van premie) krachtens partijbedoeling een ontstaansvereiste voor de vordering is, is een kwestie van uitleg. Na uitleg kan evenzeer blijken dat het (niet) betalen van de premie een opschortende (of ontbindende) voorwaarde is.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
De bewoordingen van de wettelijke regeling hoeven niet beslissend te zijn. De wetgever zal immers in de meeste gevallen niet hebben stil gestaan bij de vraag op welk moment de vordering ontstaat.
Zoals ik hiervoor in nr. 871 heb betoogd, zou het beginsel van de verbindende kracht van de overeenkomst ook voor huur met zich kunnen brengen dat er sprake is van een bestaande vordering tot periodieke betalingen. Anders dan de Hoge Raad kennelijk meende, volgde uit de oude wettelijke regeling van de huurovereenkomst (zie art. 1584 e.v. BW (oud)) niet dwingend dat huurvorderingen eerst ontstaan nadat het huurgenot is verschaft. Hetzelfde geldt voor de huidige wettelijke regeling van titel 7.4 BW. Zie nr. 868. Mochten er rechtspolitieke argumenten zijn om de opbrengsten van na het faillissement van de verhuurder vervallende huurtermijnen in de failliete boedel te laten vloeien, dan verdient het de voorkeur dit in de Faillissementswet te bepalen. Zie nrs. 873 en 916.
Zie HR 3 december 2010, NJ 2010, 653, waarover: nrs. 865 en 866.
Zie over ongedaanmakingsverbintenissen die uit dewet voortvloeien, hierna: nr. 903.
Zie reeds: HR 13 februari 1924, NJ 1924, 711.
Zie TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 949, VV II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 953 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 957 voor de motieven voor de regel dat de begunstigde pas een vorderingsrecht verkrijgt na aanvaarding. Vgl. verder nog: HR 10 maart 1922, NJ 1922, p. 439 e.v. en HR 22 januari 1904, W 8024.
Zie ook: Blom 1989, p. 23 en Blom 1988, p. 23 en p. 39. Ontkennend: Tekstra 1990, p. 742-743.
Vgl. MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1253, waar de minister eveneens aanneemt dat de vordering in een dergelijk geval een toekomstige is, maar wel vooropstelt dat de vraag of een vordering als toekomstig heeft te gelden, Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.is overgelaten aan het oordeel van de rechter.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
Zie nr. 869.
Zie nr. 872.
890. De verbindende kracht van de overeenkomst. Het uitgangspunt dat het bestaan van een vordering kan worden aangenomen, indien de essentialia van een verbintenis aanwezig zijn, wordt in geval van verbintenissen uit obligatoire overeenkomst ondersteund door de regel van de “verbindende kracht van de overeenkomst”.1 Een verbintenisscheppende overeenkomst is naar zijn aard gericht op het doen ontstaan van verbintenissen. Door het sluiten van een obligatoire overeenkomst verbindt de schuldenaar zich tot een bepaalde prestatie. De verbindende kracht van de overeenkomst brengt met zich dat de schuldenaar niet meer de vrijheid heeft om zich eenzijdig aan zijn verplichting te onttrekken. Dit rechtvaardigt om deze verplichting als een bestaande verbintenis te beschouwen vanaf het moment van totstandkoming van de overeenkomst. Dit geldt zowel voor de tegenover elkaar staande verbintenissen, als de overige verbintenissen die uit de overeenkomst voortvloeien. Verbintenissen uit een obligatoire overeenkomst dienen in beginsel dus te worden aangemerkt als bestaande verbintenissen waarmee bestaande vorderingen corresponderen.2
Dit geldt ook indien de verbintenis of de overeenkomst afhankelijk is gesteld van een tijdsbepaling of van het plaatsvinden van een of meer toekomstige onzekere gebeurtenissen (voorwaarden). Vaststaat immers dat als de tijdsbepaling is verstreken of de voorwaarden zijn vervuld, de schuldenaar gehouden is te presteren.3 De schuldenaar kan zich niet eenzijdig aan zijn prestatieplicht onttrekken. Het ligt dan ook in de rede om reeds voor het verstrijken van de tijdsbepaling of het in vervulling gaan van de voorwaarde het bestaan van een verbintenis aan te nemen.4 De mate van onzekerheid van het in vervulling gaan van de voorwaarde doet aan de verbindende kracht van de overeenkomst niet af. Hetzelfde geldt indien de voorwaarde is gelegen in het verrichten van de voor de vordering bedongen tegenprestatie of een ander ‘intern’ element afkomstig van de schuldenaar of de schuldeiser.5
Dat de verbindende kracht van een verbintenisscheppende overeenkomst met zich brengt dat de daaruit voortvloeiende (hoofd)verbintenissen van meet af aan bestaan, is ook het uitgangspunt van de wetgever geweest. Dit blijkt onder andere uit de omschrijving van de wederkerige overeenkomst in art. 6:261 lid 1 BW6 en uit de regeling van de opschortingsrechten van de art. 6:262 en 263 BW.
Ook als de overeenkomst zelf is aangegaan onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling, brengt de verbindende kracht van de overeenkomst met zich dat er van meet af aan verbintenissen ontstaan. Een rechtshandeling kan onder een voorwaarde of een tijdsbepaling worden verricht, tenzij de wet of de aard van de rechtshandeling zich daartegen verzet (art. 3:38 lid 1 BW). De rechtsgevolgen van de rechtshandeling zijn dan afhankelijk gesteld van de voorwaarde of tijdsbepaling. In geval van een obligatoire overeenkomst betekent dit dat daaruit van meet af aan bestaande verbintenissen voortvloeien die echter zijn onderworpen aan de bedongen voorwaarde of tijdsbepaling.7
891. Duurovereenkomsten en de verbindende kracht van de overeenkomst. De regel van de verbindende kracht van de overeenkomst geldt in gelijke mate voor een duurovereenkomst. Ook hier is het uitgangspunt dat bij de totstandkoming van de overeenkomst er voor beide partijen duurverbintenissen ontstaan, die over en weer verplichten tot het periodiek of voortdurend verrichten van bepaalde prestaties.8 Met deze duurverbintenissen corresponderen dan bestaande vorderingen tot periodieke of voortdurende betaling.9 De duurverbintenis vervalt, indien de overeenkomst tot een einde komt. Zoals hiervoor is betoogd (§ 3.3.), zouden het feit dat de vordering de tegenprestatie betreft voor een nog door de schuldeiser te verrichten prestatie, alsmede het feit dat de opeisbaarheid en de afdwingbaarheid van de vordering wellicht afhankelijk is gesteld van het verrichten van die prestatie, er niet toe moeten doen. De bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verplichting achterwege te laten, indien de schuldeiser nalaat de door hem verschuldigde prestatie te verrichten, is niet het gevolg van het feit dat zijn schuld nog niet is ontstaan, maar van een aan de schuldenaar toekomend opschortingsrecht, een opschortende voorwaarde of een recht van (gedeeltelijke) ontbinding (artt. 6:262, 263, 265 BW). Voor de bescherming van de schuldenaar is het dus niet nodig om de vordering als een toekomstige aan te merken.
Het gegeven dat een duurovereenkomst voortijdig kan eindigen door opzegging of ontbinding, brengt naar mijn mening niet met zich dat het voortduren van de overeenkomst als een toekomstge onzekere omstandigheid moet worden gezien waarvan het ontstaan van de vordering afhankelijk is.10 De opzegging of de ontbinding heeft immers betrekking op de duurovereenkomst als zodanig en niet op de verbintenissen die daaruit voortvloeien. Het verval van de verbintenissen is slechts het gevolg van het tenietgaan van de overeenkomst.11
De mogelijkheid dat de verbintenis in de toekomst wellicht inhoudelijk wijzigt (denk aan een prijs/huurverhoging), is evenmin een toekomstige onzekere omstandigheid waarvan het ontstaan van de inhoudelijk gewijzigde vordering afhankelijk is.12 Het lijdt geen twijfel dat ook een bestaande verbintenis na zijn ontstaan nog inhoudelijk kan wijzigen.13
Indien de omvang van de periodieke betalingsverplichting van de schuldenaar afhankelijk is van de mate waarin hij in de betreffende periode gebruik maakt van de diensten van de schuldeiser (denk bijvoorbeeld aan telecomdiensten), hoeft dat niet in de weg te staan aan het aannemen van een duurverbintenis die reeds op het moment van de totstandkoming van de overeenkomst ontstaat. Van meet af aan behoort tot de inhoud van de verbintenis dat de hoogte van de periodiek te betalen vergoeding af zal hangen van de hoeveelheid van de in de toekomst in de betreffende periodes te genieten diensten. Ook indien men op grond van het arrest WUH/Emmerig q.q.14 zou aannemen dat de vordering pas ontstaat als de tegenprestatie is verricht, geldt naar mijn mening dat het totaal aan vorderingen in omvang toeneemt naar mate de diensten (in eenheden) worden genoten. Facturering is voor het ontstaan van de vordering niet vereist. Tenzij van een andere partijbedoeling blijkt, is de factuur slechts van belang voor de vaststelling van de datum van opeisbaarheid van de vordering.
Tot slot zij opgemerkt dat ook een mogelijke verlenging of verkorting van de duur van de overeenkomst niet van invloed is op het bestaan van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Het gevolg is slechts dat ook de duur van de reeds bestaande verbintenissen wordt verlengd of verkort. Het gaat dus om bestaande vorderingen, ook voor zover zij betrekking hebben op de ‘verlengde periode’ van de overeenkomst.15
892. Mogelijke bezwaren. Als mogelijk bezwaar tegen de opvatting dat ook vorderingen uit duurovereenkomsten in beginsel bestaande vorderingen zijn, zou men kunnen aanvoeren dat een cessie of een verpanding tot in lengte van dagen stand kan houden, ook indien de cedent/pandgever failliet wordt verklaard of indien de overeenkomst als gevolg van bijvoorbeeld contractsoverneming of (af)splitsing is overgegaan op een rechtsopvolger van de oorspronkelijke schuldeiser.16 De rechtsopvolger zou gebonden zijn aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zonder aanspraak te kunnen maken op de tegenprestatie. Voor wat betreft huurvorderingen geldt dit bezwaar echter ook reeds onder het huidige recht. Blijkens het arrest Van Berkel/Tribosa17 kan een beslag op huurvorderingen de verkrijger van het verhuurde object immers worden tegengeworpen, mits het beslag is gelegd voor de overdracht van het verhuurde object. Vermoedelijk geldt hetzelfde voor een cessie of verpanding van de huurvorderingen.18
Het bezwaar geldt bovendien in gelijke mate voor andere overeenkomsten dan duurovereenkomsten. Denk bijvoorbeeld aan een koopovereenkomst waarvan de vordering tot betaling van de koopprijs is gecedeerd, verpand of beslagen waarna er een contractsoverneming plaatsvindt. Ook hier kan de contractsovernemer voor verrassingen komen te staan. Hetzelfde geldt voor het geval van een meervoudige cessie of verpanding. In geval van cessie van een vordering kan later blijken dat de vordering reeds eerder stil was gecedeerd of verpand. Het genoemde bezwaar is mijns inziens geen argument voor de stelling dat vorderingen uit duurovereenkomsten toekomstige vorderingen zijn. Het betreft veeleer een kwestie van derdenbescherming.19 Behoudens de regeling van art. 3:36 BW, is er naar huidig recht echter geen regel van derdenbescherming waarop de contractsovernemer (of de cessionaris) met succes een beroep zou kunnen doen. Een rechtsopvolger van de cedent dient voor zijn eigen belangen te waken door middel van een ‘due diligence’ en door contractuele regelingen waarmee het risico van een eerdere cessie of verpanding wordt afgedekt.
893. Belangrijke uitzonderingen: partijbedoeling, aard van de overeenkomst en wet. Op het uitgangspunt dat vorderingen uit obligatoire rechtshandeling moeten worden aangemerkt als bestaande vorderingen bestaan uitzonderingen.
De regel geldt niet indien een bepaalde toekomstige (on)zekere omstandigheid krachtens de partijbedoeling een ontstaansvereiste voor de vordering is. De partijautonomie brengt met zich dat het partijen vrijstaat overeen te komen dat de verbintenis eerst zal ontstaan, indien een bepaalde toekomstige gebeurtenis heeft plaatsgevonden.20 Het is immers aan partijen zelf om te bepalen of, wanneer en onder welke voorwaarden zij zich wensen te verbinden. Zo kan de partijafspraak inhouden dat de schuldeiser pas een vordering op de schuldenaar verkrijgt nadat hij zijnerzijds aan zijn verplichtingen jegens de schuldenaar heeft voldaan.21
Hoewel dit op gespannen voet staat met de verbindende kracht van de overeenkomst, kan – zoals voor huur blijkt uit het arrest WUH/ Emmerig q.q.22 – ook uit de aard van de overeenkomst volgen dat het verrichten van de tegenprestatie een ontstaansvereiste voor de vordering is. In geval van een benoemde overeenkomst zal de aard van de overeenkomst mede worden bepaald door de (strekking van de) toepasselijke wettelijke regeling.23 Of een bepaalde toekomstige onzekere omstandigheid een ontstaansvereiste voor de vordering is of slechts een voorwaarde voor haar opeisbaarheid, is uiteindelijk een kwestie van uitleg van de (aard van de) overeenkomst. Het beginsel van de verbindende kracht van de overeenkomst brengt mijns inziens echter met zich dat niet te snel mag worden aanvaard dat een vordering vooralsnog, vanwege de aard van de overeenkomst, als een toekomstige heeft te gelden. Daarvoor dienen duidelijke aanwijzingen te bestaan.24
Ook anderszins kan de aard van de tussen schuldenaar en schuldeiser bestaande rechtsverhouding met zich brengen, dat bepaalde toekomstige onzekere omstandigheden ontstaansvereisten voor de vordering zijn. In dit verband kan worden gewezen op het arrest ING Bank/Nederend q.q. waaruit volgt dat een vordering die betrekking heeft op de afwikkeling of uitvoering van de rechtsverhouding nadat deze als gevolg van opzegging of ontbinding “ingrijpend” is gewijzigd, eerst door de opzegging of ontbinding ontstaat.25 Overigens meen ik – anders dan de Hoge Raad – dat ook in dit geval de verbindende kracht van de overeenkomst, voor zover het een contractueel bedongen (restitutie)verbintenis betreft, voldoende rechtvaardiging biedt voor de opvatting dat het om een bestaande voorwaardelijke vordering gaat.26
Tot slot kan ook rechtstreeks uit de wet volgen dat de vordering niet reeds ten tijde van de totstandkoming van de rechtshandeling ontstaat, maar pas op een later moment. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vordering uit een derdenbeding. Uit art. 6:253 lid 1 BW blijkt bijvoorbeeld dat de begunstigde van een derdenbeding pas een vordering op de promissor verkrijgt nadat hij het beding heeft aanvaard.27 Voor de aanvaarding heeft hij slechts een wilsrecht. Deze keuze van de wetgever heeft overigens geen theoretisch-dogmatische achtergrond, maar een rechtspolitieke: de wetgever vond het ongepast dat men een derde door middel van een (niet door die derde aanvaard) beding een voordeel zou kunnen opdringen.28
894. Hoe ver reikt de partijautonomie: vordering bestaand op grond van de partijbedoeling? De vraag rijst hoe ver de autonomie van partijen reikt. Ligt het in de macht van partijen om vast te stellen dat een uit de overeenkomst voortvloeiende vordering moet worden aangemerkt als een bestaande vordering, terwijl zonder die partijafspraak de vordering, bijvoorbeeld vanwege de aard van de overeenkomst (zoals bij huur), als een toekomstige zou moeten worden beschouwd? Naar mijn mening kan deze vraag in beginsel bevestigend worden beantwoord, mits voldaan is aan de hiervoor genoemde wezenskenmerken van een verbintenis.29 De vraag of de vordering bestaat, is een kwestie van verbintenissenrecht. De aard van een overeenkomst wordt primair bepaald door hetgeen partijen overeenkomen. Daarbij komt dat in geval van een benoemde overeenkomst de wettelijke regeling meestal van regelend recht is, zodat het partijen vrij staat om af te wijken van dat deel van de regeling waaruit volgt dat de verbintenis eerst ontstaat, indien zich een bepaalde toekomstige omstandigheid heeft voorgedaan. Wel dient de partijbedoeling te worden geobjectiveerd. Indien bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen dat de huurpenningen bij aanvang van de huur in hun geheel moeten worden vooruitbetaald, maar er bovendien een afbetalingsregeling is getroffen die inhoudt dat de huurder de onmiddellijk opeisbare huurschuld in termijnen over de gehele looptijd van de huurovereenkomst mag voldoen, kan niet worden aangenomen dat de huurvordering een bestaande vordering is. Het is in dit geval niet werkelijk de bedoeling van partijen dat de huursom volledig opeisbaar is.30
In § 3.3 heb ik vermeld dat de Hoge Raad in het arrest WUH/Emmerig q.q.31 ervan uit lijkt te gaan dat uit de aard van een huurovereenkomst zonder meer volgt dat een huurvordering een toekomstige vordering is die pas ontstaat, indien de vordering bij het aanbreken van een nieuwe huurtermijn opeisbaar wordt.32 Naar geldend recht moet voor huurovereenkomsten waarschijnlijk dan ook worden aangenomen dat het verhuurder en huurder niet vrij staat om overeen te komen dat de huurvorderingen bestaande vorderingen zijn. De reden daarvoor zou gelegen kunnen zijn in het feit dat het arrest hoofdzakelijk een rechtspolitieke achtergrond heeft (zie § 3.3.3). Zoals vermeld,33 zou voor andere duurovereenkomsten hetzelfde kunnen gelden.