De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten
Einde inhoudsopgave
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.3.1:5.3.1 Opschorting
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.3.1
5.3.1 Opschorting
Documentgegevens:
mr. L.A.R. Siemerink, datum 13-03-2007
- Datum
13-03-2007
- Auteur
mr. L.A.R. Siemerink
- JCDI
JCDI:ADS385617:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 19 februari 1988, NJ 1989, 343 m.nt. CJHB (Droog/Bekaert).
Brunner & de Jong 2004, p. 112.
Uit de informatieplichten die in hoofdstuk 3 zijn besproken, zou kunnen worden opgemaakt dat de ISP deze gegevens bekend maakt. Zie hoofdstuk 3 paragraaf 3.4.2 'Informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opschorting is het middel voor een schuldeiser om zijn eigen verplichting uit te stellen totdat de wederpartij aan zijn verplichting voldoet.1 Degene die zich op een opschortingsbevoegdheid beroept, beoogt primair nakoming van de wederzijdse verplichtingen, maar wacht af totdat de wederpartij heeft gepresteerd. Het zal bij ISP-overeenkomsten voornamelijk om opschorting door de ISP gaan. De opschorting tast noch de overeenkomst aan, noch de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Er kan een tijdsbepaling worden overeengekomen die de opeisbaarheid en/of aflosbaarheid van de verbintenis opschort of hiervoor een fatale termijn stelt. De werking van een verbintenis wordt dan opgeschort tot op het vooraf bepaalde tijdstip. Voor de klant zal het feit, dat hij het hem verschuldigde niet ontvangt, een sterke prikkel zijn om te betalen. Wanneer de ISP geen enkel vertrouwen meer in zijn klant heeft, zal hij direct willen ontbinden. Ook dan kan van een opschortingsbevoegdheid worden gebruik gemaakt. Zolang de ontbinding nog geen feit is, mag de eigen prestatie worden opgeschort. Het opschortingsrecht werkt dus primair als pressiemiddel en secundair als zekerheid.2
In het BW zijn enkele bepalingen opgenomen die betrekking hebben op opschorting. Afwijking is mogelijk, opschorting kan worden beperkt of verruimd. Vaak zal dit gebeuren bij algemene voorwaarden. Hoofdregel is dat nakoming van een verbintenis terstond na haar ontstaan kan worden gevorderd, tenzij er een tijdstip voor de nakoming is bepaald (art. 6:38 BW). Een vordering is dan opeisbaar. Zonder tijdsbepaling kan ieder van beide partijen zijn nakoming opschorten. Vaak zal uit de wet, de overeenkomst of het gebruik voortvloeien, dat één der partijen het eerst moet presteren. Zo is bij ISP-overeenkomsten meestal sprake van vooruitbetaling door de klant, en moet de klant dus het eerst presteren. De klant mist dan de mogelijkheid om zijn prestatie op te schorten, tenzij de klant zich kan beroepen op de onzekerheidsexceptie van art. 6:263 BW als er een goede grond is voor de verwachting dat de ISP zijn verplichtingen niet zal nakomen. De klant is tevens bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten op grond van art. 6:37 BW, indien hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden.3
In art. 6:52 BW is de opschortingsbevoegdheid neergelegd:
'Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.'
Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de reden voor en daarmee de mogelijkheid tot opschorting in een concreet geval ligt in de samenhang van de wederzijdse prestaties. Bij een 5P-overeenkomst is voldoende samenhang aanwezig tussen de prijs die de klant moet betalen en de functies die de ISP verricht. Het ligt voor de hand opschorting toe te laten voorzover de tekortkoming van de klant haar rechtvaardigt. Zo zal niet steeds een volledige opschorting van de eigen prestatie gerechtvaardigd zijn, maar is meestal slechts een gedeeltelijke opschorting - de ene dienst wel en de andere niet - toegestaan. Vereist is niet, dat daarbij sprake is van toerekenbaarheid of verzuim van de klant. Een schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artt. 6:82 en 83 BW is voldaan, behalve voorzover hem de vertraging niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
Het leerstuk van de exceptio non adimpleti contractus is een uitwerking van art. 6:52 BW en is een verweermiddel dat tegen een vordering tot nakoming wordt opgeworpen. De ISP die zelf zijn verplichting, hoewel deze opeisbaar is, niet nakomt, kan geen aanspraak maken op nakoming door zijn klant. Indien hij zijn klant niettemin op nakoming aanspreekt, kan deze de vordering afweren op grond van art. 6:262 BW. Wie ten onrechte nakoming van zijn verbintenis opschort, begaat daarmee een tekortkoming.