Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.3.4
5.3.4 Verschillen tussen de raad van commissarissen en de raad van toezicht in verband met toezicht op vermogensbeheer
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387361:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is opgemerkt dat de rechter een redelijk belang aanwezig zal achten als sprake is van betrokkenheid bij de stichting, bijvoorbeeld als uitkeringsgerechtigde. Asser/ Rensen 2-III* 2012/351.
Dit artikel werd in Boek 2 BW opgenomen middels de Invoeringswet Boek 2 BW op basis van de Eerste Europese Richtlijn (Kamerstukken II 1973-1974,11005, nr. 10 (Herdruk), p. 6, 9 en 12).
Ten aanzien van semipublieke instellingen die beschikken over overheidsmiddelen, schrijft de Minister van Financiën dat sprake moet zijn van “sober en ordentelijk financieel beheer”.Kamerstukken II 2013-14, 33 822, nr. 1, p. 1.
Zowel voor bestuurders van de stichting-rechtspersoon als voor trustees geldt dat zij tot taak hebben het zorg dragen voor de verwezenlijking van het doel van de stichting c.q. de trust. Bestuurders hebben echter hun taak te vervullen tegenover de rechtspersoon terwijl een trust geen rechtspersoonlijkheid heeft. De trustee heeft de fiduciary rights en fiduciary duties ten aanzien van de trust res (de goederen die onder de trust vallen). De taak van de trustees is omschreven in het trust instrument. Zoals gezegd zijn er bij charitable trusts geen beneficiaries die door middel van beneficiary rights de vervulling van de fiduciary duties kunnen afdwingen. De fiduciary duties die de trustee op grond van de law of trust heeft, zijn gekoppeld aan de trust res, die als zijn eigen vermogen worden behandeld. Men zou kunnen zeggen dat de trustee die fiduciaire plichten heeft tegenover de maatschappij en tegenover degenen die in het bijzonder bij de verwezenlijking van het doel belang hebben, aldus Van der Ploeg.
Volgens Van der Ploeg (Van der Ploeg 1986, p. 137) werd de prudent man-rule in de zaak Harvard College vs. Amory in 1830 als volgt geformuleerd; “A trustee must observe how men of prudence, discretion and intelligence manage their own affairs, not in regard to speculation, but in regard to the permanent disposition of their funds, considering the probable income as well as the probable safety of the capital to be invested.”
Vermogensvorming
Rechtspersonen kunnen op verschillende manieren vermogen vormen, met eigen vermogen of met vreemd vermogen (leningen). Waar het vermogen van een NV of BV wordt gevormd door aandeelhouders die stortingen op aandelen doen, wordt het vermogen van een stichting gevormd door bijdragen van de oprichter en/of van derden die geld verstrekken (donateurs, subsidieverleners, financiers).
Sommige stichtingen hebben in het geheel geen vermogen. Het is niet noodzakelijk dat een stichting vermogen heeft, zolang maar duidelijk is hoe de stichting aan haar middelen kan komen ter bereiking van haar doel. Wel bestaat er een mogelijkheid voor een belanghebbende om de rechter te verzoeken de stichting te ontbinden, indien het stichtingsvermogen onvoldoende is voor de verwezenlijking van het stichtingsdoel, terwijl de mogelijkheid dat voldoende vermogen in afzienbare tijd zal worden verkregen in hoge mate onwaarschijnlijk is (artikel 2:301 lid 1 sub a BW).
Ontslagmogelijkheden voor geldverstrekkers
Bestuurders van NV’s en BV’s zijn mede gericht op het behalen van rendement voor aandeelhouders. Als gezegd kunnen aandeelhouders bestuurders die naar hun mening niet voldoende functioneren – ook in de zin dat zij voor onvoldoende rendement zorgen – ontslaan. Derden die een bijdrage leveren aan het stichtingsvermogen, zoals donateurs, subsidieverstrekkers en andere financiers, doen dat met het oog op het doel van de stichting. Zij zijn niet gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel (rendement) voor zichzelf. Dat laat overigens onverlet dat zij als begunstigde op grond van het doel van de stichting enig voordeel van de stichting kunnen genieten. Degenen die bijdragen aan het stichtingsvermogen zijn bovendien, anders dan aandeelhouders, niet noodzakelijkerwijs institutioneel betrokken bij de stichting. Indien zij menen dat stichtingsbestuurders zich onvoldoende inzetten om het stichtingsdoel zo goed mogelijk te bereiken, kunnen zij slechts via de rechter (artikel 2:298 BW) op een aantal wettelijk genoemde gronden ontslag vorderen. Teneinde een verzoek in te kunnen dienen, moeten zij bovendien kwalificeren als belanghebbende. Zoals opgemerkt in paragraaf 2.2, moeten zij aannemelijk kunnen maken dat zij een redelijk belang hebben.1
Beschikken over het stichtingsvermogen
Indien en zodra de stichting vermogen heeft, is dit vermogen gebonden aan het stichtingsdoel.
De wet geeft het bestuur van een stichting niet de volledige vrijheid in het aangaan van alle rechtshandelingen waarmee het stichtingsvermogen wordt “belast”. Het aangaan van bepaalde rechtshandelingen die mogelijk risicovol zijn voor de stichting in de zin dat zij het vermogen van de stichting kunnen aantasten, moet expliciet door de statuten worden toegestaan. Het gaat om de in artikel 2:291 lid 2 BW omschreven rechtshandelingen: verkrijging en bezwaring van registergoederen en zekerheidsstelling voor schulden van anderen. Het bestuur is slechts bevoegd te besluiten tot deze rechtshandelingen indien dit uit de statuten voortvloeit. De achtergrond van deze bepalingen is, blijkens de wetsgeschiedenis uit 1973, dat dergelijke rechtshandelingen gewoonlijk niet op de weg van een stichting liggen.2 Al voordat dit wettelijk werd geregeld was het gebruikelijk deze rechtshandelingen in de statuten uit te sluiten of aan beperkingen te onderwerpen.
De statuten moeten bestuursbevoegdheden in verband met de hiervoor genoemde “bezwarende rechtshandelingen” dus, anders dan bij NV’s en BV’s, uitdrukkelijk toekennen. Aan de bestuursbevoegdheid kunnen bovendien beperkingen of voorwaarden worden verbonden, zoals voorafgaande goedkeuring of instemming van de raad van toezicht. Bijzonder daarbij is dat de beperking of voorwaarde mede geldt voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de stichting terzake van deze handelingen, tenzij de statuten anders bepalen (artikel 2:291 lid 2 BW).
Zorgvuldig vermogensbeheer; fiduciair vermogensbeheer en risicobeheersing
Vanwege het feit dat het stichtingsvermogen doelgebonden is en afkomstig is van derden vormt zorgvuldig vermogensbeheer, dat wil zeggen: beheer dat in overeenstemming is met het doel van de stichting, een belangrijk onderdeel van de taak van bestuurders en – in het verlengde daarvan – van leden van de raad van toezicht.
Gezegd kan worden dat het bestuur het stichtingsvermogen terughoudend, als een goed rentmeester, dient te beheren in overeenstemming met het doel.3 Voor alle stichtingen, niet alleen stichtingen die gelden van het publiek (overheidsgeld) beheren maar ook stichtingen die een private doelstelling hebben en hun vermogen van de oprichter hebben verkregen (zoals familiestichtingen), geldt dat het vermogen als het ware toevertrouwd is aan het bestuur van de stichting opdat dit behoorlijk wordt beheerd en wordt aangewend conform het vastgestelde statutaire doel. Het stichtingsvermogen dient als het ware “fiduciair” beheerd te worden. Dit geldt mijns inziens ook als er geen directe fiduciaire relatie tussen de stichting en begunstigden is. Wat dat betreft bestaat er gelijkenis met de Anglo-Amerikaanse trust, waarbij de trustee in feite fiduciary duties heeft ten opzichte van de goederen die onder de trust vallen, de trust res, ook indien er geen beneficiaries zijn.4 Met betrekking tot het beheer van deze vermogensbestanddelen door de trustee geldt als uitgangspunt de prudent person-regel.5 Bij bepaalde soorten stichtingen die aanzienlijke vermogens van derden beheren, zoals pensioenfondsen, zijn in sectorregels ook specifieke prudent person-regels voor bestuurders opgesteld.
Algemeen kan worden gezegd dat de raad van toezicht van een stichting er op toe dient te zien dat het bestuur het vermogen dat is toevertrouwd zorgvuldig beheert en aanwendt conform het stichtingsdoel. De raad van toezicht dient naar mijn mening ook te controleren of het soort vermogensbeheer en de risicobeheersingssystemen (zie paragraaf 6.4) vallen binnen en passen bij het stichtingsdoel. Vermogen van een goed doelstichting, dat wordt gevormd door bijdragen en giften van derden, zal behoudender (minder risicovol) beheerd en belegd dienen te worden dan vermogen van een vennootschap met aandeelhouders, die met name rendement op hun aandelen willen zien.