Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.3.a
6.3.3.a Wordingsgeschiedenis
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465262:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Potu 1914, p. 138 e.v.
Actes BC 1908, p. 42 (voorstel Duitsland en Bureau). Vgl. Bureau de l'Union, DdA 1909 (La Convention de Berne revisée), p. 113 e.v. en p. 125 e.v.; Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 7. Tot die tijd zweeg de Berner Conventie over werken van toegepaste kunst (zie ook Potu 1914, p. 142; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 456).
Actes BC 1908, p. 233 (Rapport de la Commission); Potu 1914, p. 158.
Actes BC 1948, p. 141 (voorstel België en Bureau): 'Ce principe s'écarte du système généralement adopté par la Convention qui impose aux Pays contractants les mêmes devoirs, dès l'instant ou elle énonce une règle de droit matériel.' Vgl. ook Hoffmann 1935, p. 63.
Vgl. Actes BC 1908, p. 233 (Rapport de la Commission); Wauwermans 1910, p. 42-45; Decreet van 2 september 1910 in: DdA 1910, p. 130. Door dit voorbehoud ex art. 27 lid 2 van de Berlijnse versie van de conventie bleef Frankrijk, voor wat betreft werken van toegepaste kunst, gebonden aan de eerdere conventies; vgl. Vaunois 1910, p. 17 e.v.; Potu 1914, p. 163; Hoffmann 1935, p. 66. Aldus verschafte Frankrijk zich de ruimte om — via de bedenkelijke 'derde lex originis-uitzondering' — de lex originis te betrekken bij de beantwoording van de vraag of een vreemd werk van toegepaste kunst als werk van kunst moest worden aangemerkt (zie par. 3.1). Enkele landen volgden het Franse voorbeeld, bijvoorbeeld Tunesië, zie DdA 1911 (Législation intérieure, Tunesie), p. 2 en p. 29; Hoffmann 1935, p. 66.
Over de verwikkelingen tijdens de Romeinse conferentie van 1928, zie uitgebreid Ricketson & Ginsburg 2006, p. 457-462.
856. Voor Berlijnse conferentie 1908. De tweede materiële-reciprociteitsuitzondering op het Berner non-discriminatiebeginsel betreft werken van toegepaste kunst; in dit verband gaat het kort gezegd om vormgeving, om het uiterlijk van een op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp.1 Deze uitzondering op het non-discriminatiebeginsel is terug te leiden tot een oude controverse: kan een werk van toegepaste kunst ook in aanmerking komen voor bescherming als 'werk van letterkunde of kunst'? In het begin van de twintigste eeuw varieerde het spectrum van antwoorden grofweg van de Franse opvatting, die werken van toegepaste kunst inderdaad als werken van kunst kwalificeerde (de `unité de l'art'-theorie), tot de Britse opvatting, die werken van toegepaste kunst vrijwel geheel uitsloot van auteursrechtelijke bescherming.2 In die laatste opvatting was het werk aangewezen op eventuele — doorgaans inferieure — bescherming als tekening of model (hierna kortweg aangeduid als: modelbescherming).
857. Berlijnse conferentie 1908. De Berner Conventie kreeg pas met deze controverse te maken toen tijdens de Berlijnse conferentie van 1908 werd voorgesteld om werken van toegepaste kunst op te nemen in de lijst van iure conventionis beschermde werken.3 Consensus bleef echter uit, en de Berlijnse conferentie kwam niet verder dan te bepalen dat werken van toegepaste kunst worden beschermd voor zover de nationale wet het toestaat (het toenmalige artikel 2 lid 4). Daarmee werd de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst volledig overgelaten aan de nationale wetgever. Aan deze was geheel voorbehouden te bepalen of, en hoe, deze werken auteursrechtelijk worden beschermd. Waar de nationale wet een werk van toegepaste kunst in aanmerking liet komen voor bescherming als werk van kunst, gold alleen het beginsel van nationale behandeling (traitement national)4, en niet het ius conventionis (traitement unioniste).5 Dit leverde uiteraard een onevenwichtige situatie op, die weinig bevredigend was voor de landen die het werk van toegepaste kunst auteursrechtelijk in bescherming namen. Koploper Frankrijk maakte, om aan nationale behandeling te ontkomen, op dit punt prompt een voorbehoud.6
858. Na Berlijnse conferentie 1908. Pas tijdens de Brusselse conferentie van 1948 lukte het om de controverse — met inzet van een materiële-reciprociteitsuitzondering — te overbruggen.7 Deze Brusselse oplossing is, met enkele aanpassingen, overgenomen in de huidige conventie.