Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/6.2.1
6.2.1 LIFE+ programma
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS442461:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
LIFE+ is een samenvoeging en een voortzetting van eerdere subsidieprogramma’s zoals LIFE-Milieu, LIFE-Natuur, Forest Focus en URBAN.
De wettelijke basis voor LIFE+ is gelegd in Voorschrift (EC) no. 614/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 23 mei 2007, Pb EU, L 149 (9 juni 2007).
Zie de website www.ec.europa.eu/environment/life. Hier is uitgebreide informatie over LIFE+ te vinden.
European Commissie 2010, p. 3.
Zie www.ec.europa.eu/environment/life onder het kopje doelstellingen. Uitgebreide informatie met betrekking tot de doelstelling en de inhoud van het beleidsterrein ‘Natuur en biodiversiteit’ is te vinden in European Commission 2010a, p. 19-45.
European Commission 2010a, p. 3.
European Commission 2010a, p. 7.
European Commission 2010a, p. 7-8.
Zie www.ec.europa.eu/environment/life onder de kopjes ‘LIFE search’ en ‘Project database’.
LIFE+ is opgezet door de Europese Commissie.1 De algemene doelstelling van dit programma is de cofinanciering van de ontwikkeling, monitoring, evaluatie en communicatie van het Europese milieu- en natuurbeleid (inclusief wetgeving op dit gebied).2 In de periode 2007-2013 is in totaal € 2,1 miljard voor dit doel gereserveerd. Nationale, regionale en lokale overheden, internationale en private organisaties (waaronder non-gouvermentele organisaties) kunnen alleen, of gezamenlijk projectvoorstellen op de beleidsterreinen ‘Natuur en biodiversiteit’, ‘Milieubeleid en bestuur’ en ‘Informatie en communicatie’ indienen.3 Het indienen van een transnationale subsidieaanvraag behoort ook tot de mogelijkheden. Alleen projecten die binnen het territorium van de EU worden uitgevoerd, komen in aanmerking voor cofinanciering op basis van LIFE+.4 Jaarlijks vindt een subsidieronde plaats.
Voor dit hoofdstuk is met name het eerste beleidsterrein ‘Natuur en biodiversiteit’ van belang. De doelstelling van dit beleidsterrein is ‘to protect, conserve, restore, monitor and facilitate the functioning of natural habitats, wild flora and fauna with the aim of halting of the loss of biodiversity, including diversity of genetic resources, within the EU’. Dit kan worden verwezenlijkt door het ‘bijdragen’ aan en het ‘implementeren’ van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de Vrl en de Hrl, en door het promoten en integreren van deze richtlijnen op andere beleidsterreinen. Dit is ook mogelijk door het ondersteunen van de verdere ontwikkeling en de implementatie van het Natura 2000-netwerk.5 De beleidsterreinen ‘Milieubeleid en bestuur’ en ‘Informatie en communicatie’ zijn, gezien de daaraan gekoppelde doelstellingen, niet van (direct) belang voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en blijven daarom verder onbesproken.
Een aanvraag voor cofinanciering op basis van LIFE+ moet een aantal afzonderlijke stappen doorlopen. De aanvraag moet in eerste instantie worden ingediend bij de daartoe aangewezen nationale autoriteit. In Nederland is dat het Ministerie van EZ (was: Ministerie van LNV en EL&I). Dit departement zorgt voor een (tijdige) doorzending van de subsidieaanvraag aan de EC. Na ontvangst controleert de Commissie of de aanvraag aan alle formele vereisten voldoet.6 De inhoudelijke beoordeling van de projectaanvraag vindt plaats aan de hand van de volgende criteria:
Technische coherentie en kwaliteit;
Financiële coherentie en kwaliteit;
Bijdrage aan de algemene doelstellingen van LIFE+;
Europese toegevoegde waarde en wederkerigheid en optimaal gebruik van de EC financiering;
Transnationaal karakter;
In lijn zijn met nationale jaarlijkse prioriteiten en nationaal toegevoegde waarde volgens de LIFE+ nationale autoriteit
Per criterium wordt een maximum aantal punten toegekend. Bij de eerste vier beoordelingscriteria moet ten minste een zogenaamde ‘pass score’ worden behaald. Indien het projectvoorstel hier niet aan voldoet kan er geen sprake zijn van cofinanciering op basis van LIFE+. Voor de beoordeling van aanvragen zijn vooral voorwaarde 3 en 4 van belang. Hier zijn 55 van de in totaal 100 punten te verdienen. Het project moet goed passen in de doelstellingen van LIFE+. Daarnaast is er veel aandacht voor het ‘nut en de noodzaak’ van Europese cofinanciering.7
Op basis van de inhoudelijke beoordeling van de ingediende voorstellen stelt de EC een ‘long-list’ op voor de zogenaamde revisieprocedure. In deze stap van de procedure wordt bekeken of een project eventueel voor cofinanciering in aanmerking komt. Na de revisie worden door de EC een ‘short-list’ en een reservelijst opgesteld van projecten die mogelijkerwijs voor financiering in aanmerking komen. De uiteindelijke beslissing voor het financieren van een project ligt bij het LIFE+ Committee. Het Committee bestaat uit vertegenwoordigers van alle 27 lidstaten van de EU en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EC. De bekendmaking van de uitslag vindt plaats door toezending hiervan aan het Europese Parlement, en de aanvragers van de subsidie.8 Op de website van LIFE+ is een compleet overzicht te vinden van alle ‘toegekende’ projecten.9