Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.2.4
2.2.4 Ad 3) Inbreng
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391762:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
HR (Civiele kamer) 24 januari 1947, ECLI:NL:HR:1947:BG9451, NJ 1947/71 (Rouma/Levelt).
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 7.
HR (Derde kamer) 8 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0445, r.o. 4.1, NJ 1986/358, m.nt. J.M.M. Maeijer (Samenwonersmaatschap?).
HR 29 december 1893, W. 6450 (Liquidatie Rhijnspoorweg).
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.13.2, JOR 2011/361, m.nt. Chr. M. Stokkermans; NJ 2012/75, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van den Eijnde/Fuchs).
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 5 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14929, RO 2015/19 (Handsome Poets). Overigens oordeelde de rechtbank in deze zaak dat de VOF pas op een later moment was ontbonden dan het moment waarop de samenwerking was geëindigd. In deze zaak had de Kamer van Koophandel toen de samenwerking al was geëindigd het besluit genomen om een eerdere uitschrijving van de VOF ongedaan te maken, welk besluit formele rechtskracht had gekregen. De rechtbank was gebonden aan dat besluit, maar wijst op grond van de redelijkheid en billijkheid als moment waarop de winstdeling eindigt het moment aan waarop de samenwerking feitelijk is geëindigd.
HR 7 december 1955, NJ 1956/163.
Iedere vennoot is verplicht om geld en/of (genot van) goederen en/of arbeid in te brengen als middel om het beoogde voordeel te behalen. Het voordeel is het oogmerk van de inbreng of, met andere woorden, tussen inbreng en voordeel moet een causaal verband bestaan. De Hoge Raad verwoordde dit in Rouma/Levelt als volgt:
‘dat derhalve voor het begrip inbrengen (van geld of andere goederen of nijverheid) in een maatschap (iets in gemeenschap brengen), in den zin der wet, kenmerkend is het doel van den inbrenger middelen te verschaffen ten dienste van het gemeenschappelijk winstdoel’.1
De inbreng van geliefden in een samenwonersgemeenschap heeft (veelal) niet tot doel vermogensrechtelijk voordeel te behalen en daarom kwalificeert een samenlevingsovereenkomst niet als personenvennootschap.2 Dat de koop van de woning (in tegenstelling tot de huur ervan) wordt gezien als ‘een investering’ doet hieraan niet af en het vermogensrechtelijk voordeel dat behaald wordt doordat de woonlasten nu worden gedeeld, is veelal niet meer dan een gunstige bijkomstigheid. Bovendien blijven de gemeenschappelijke goederen in de huiselijke sfeer en wordt er niet mee deelgenomen aan het economische verkeer.3
Niet de daadwerkelijke (bijv. goederenrechtelijke) inbreng, maar het op zich nemen van de verplichting tot inbreng is vereist.4 Niet ieders inbreng hoeft even groot te zijn; de waarde van wat een vennoot daadwerkelijk heeft ingebracht is, behoudens een andersluidende afspraak, wél relevant voor de verdeling van winst en verlies.5 Van belang in het kader van de inbreng is verder nog een arrest uit 2011, waarin de Hoge Raad niet onbegrijpelijk of onjuist achtte het oordeel van het Hof dat iemand die jarenlang zijn arbeid en goodwill had ingebracht niet langer als vennoot kwalificeerde toen hij niets meer (in de vorm van arbeid of goodwill) bijdroeg aan het samenwerkingsverband.6 Gedurende het bestaan van de VOF moet steeds voldaan worden aan het vereiste van samenwerking. Als een van de vennoten vanaf een bepaald moment niets meer bijdraagt aan het samenwerkingsverband en daardoor een eind is gekomen aan de essentiële eigenschap van de VOF van samenwerking, dan wordt de VOF (ten aanzien van hem) ontbonden.7
Tot slot zij opgemerkt dat het bestaan van gemeenschappelijk vermogen volgens de Hoge Raad niet wezenlijk is voor het bestaan van een vennootschap.8