Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/4.9
4.9 Het ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep en de voorlopige voorziening
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie PG Awb I, p. 306.
1-112 29 april 1994, AB 1994/530 en ABRvS 3 juli 2002, AB 2003/306.
ABRvS 11 september 2002, AB 2003/106.
Simons, 'De voorlopige voorziening in het Nederlandse bestuursrecht', in: De voorlopige voorziening in het bestuursrecht (2006), p. 51-55.
Bijvoorbeeld Vzr CBb 31 oktober 2003, LJN A08357 en 9 april 2004, LJN A08357. Zie ook in Europees verband Vz GvEA 15 mei 2003, AB 2003/261.
Bijvoorbeeld Vzr CRvB 22 februari 2005, JWWB 2005/194 en 8 augustus 2005, RSV 2005/268. Waar het gaat om bijstand ten behoeve van bedrijfskapitaal voor het opzetten van een zaak ligt dit in het algemeen anders (Pres. CRvB 27 februari 1996, RSV 1996/154).
Vz ABRvS 23 maart 2000, JB 2000/120. Indien de dwangsommen reeds zijn verbeurd ontbreekt dit belang (Vz ABRvS 8 april 2005, LJN AT3734).
Vzr Rb Rotterdam 28 januari 2005, JOR 2005/68 en 5 april 2005, JOR 2005/126. Onder de Wet op het financieel toezicht is dit gewijzigd. Niet alleen staat art. 1:75 lid 3 Wft in de weg aan het geven van een aanwijzing die ertoe strekt dat een overeenkomst wordt doorkruist, maar tevens is het niet opvolgen van de aanwijzing niet langer een zelfstandig economisch delict.
Ondermeer Albers en Schlo5ssels, 'De bestuurlijke boete: een koekoeksei in het bestuursprocesrecht?', /V773 200217, p. 189-190.
Zie ook HR 11 juli 2008, ./13 2008/229: `Waarde verschuldigdheid van de wettelijke rente ingevolge art. 67 [Mededingingswet] is verbonden aan de inwerkingtreding van de beschikking ā en daarmee, naar hiervoor werd overwogen, aan het verschuldigd worden van de boete ā brengt het wettelijk stelsel mee dat over een op de voet van art. 62 lid 1 Mw opgelegde boete, zoals die uiteindelijk in (hoger) beroep wordt vastgesteld, wettelijke rente verschuldigd is, te rekenen vanaf dertien weken na de bekendmaking van de beschikking waarbij die boete is opgelegd.' Uit deze uitspraak volgt voorts dat de matiging van de boete door de bestuursrechter niet maakt dat de rente (gerelateerd aan de door de rechter vastgestelde boete) op een later tijdstip ingaat. Gelet op de doorlooptijden van procedures kan de verschuldigde rente nog een flinke kostenpost worden, aldus HeukelomVerhage en Scheltema, 'Aanpassingswetgeving bij de vierde tranche; eenheidstreven bereikt?', NJB 2008/1322, p. 1641.
Zie art. 11 WAHV. Ook hier geldt dat die zekerheidsstelling gelet op de draagkracht van de betrokkene niet de facto de weg naar de bestuursrechter mag afsnijden (HR 31 januari 1995, NJ 1995/598. Een verplichting tot zekerheidstelling van totaal f 800 was in strijd met art. 6 lid 1 EVRM).
Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 134-135.
Vz ABRvS 17 mei 2006, LTN AX4378. In gelijke zin Vz ABRvS 17 mei 2006, LJN AX4377; Vzr Rb Rotterdam 19 december 2005, LTNAV3490 en 15 juni 2006, L1NAX8962. De hier aan de orde zijnde opgelegde Wav-boetes varieerden van C8.000 tot totaal C36.500. Niettemin werd nadien wel spoedeisend belang aangenomen in Vzr Rb Den Bosch 21 december 2006, JV 2007/68 en 8 januari 2007, LJN AZ7210. De voorzieningenrechter te Den Bosch kende meer waarde toe aan de gestelde slechte financiƫle situatie van de werkgever.
EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002/88 (Janosevic): 1C]onsidering that the early enforcement of tax surcharges may have serious implications for the person concemed and may adversely affect his or her defence in the subsequent court proceedings, as with the positron with the use of presumptions in criminal law, the States are required to confine such enforcement within reasonable limits that strike a fair balance between the interests involved.'
Vzr Rb Den Bosch 17 oktober 2007, JV 2008/66.
Zie in dit verband ook de overwegingen ter zake van een full jurisdiction in Vzr Rb Rotterdam 3 september 2008, RF 2008/274 (Numico) en Rb Rotterdam 8 april 2010, JOR 2010/158.
ABRvS 11 maart 2009, JB 2009/111.
CRvB 23 oktober 2003, RSV 2003/305; 18 mei 2004, USZ 2004/250; 26 mei 2005, LJN AT6782 en 7 juli 2005, LJN AT9339.
Zie daarover Rogier, 'De Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht in werking. Twee magische lijnen verschoven', NJB 2009/1198, p. 1561-1562.
In Rb Rotterdam 8 april 2010, JOR 2010/158 werd uitdrukkelijk in het midden gelaten of de vroegtijdige publicatie van een boete uit hoofde van de Wft zelf een punitieve sanctie behelsde. Geoordeeld werd dat de voorzieningenprocedure die de belanghebbende had kunnen doorlopen voldeed aan art. 6 lid 1 EVRM. Zie ook de subsidiaire toetsing op dit punt in Vrz Rb Rotterdam 3 september 2008, RF 2008/94 (Numico).
Hoofdregel in het bestuursrecht is dat geen schorsende werking uitgaat van bezwaar en beroep (art. 6:16 Awb). Ingevolge art. 6:24 Awb geldt dit evenzeer voor het hoger beroep en eventueel cassatieberoep. In bijzondere wet- en regelgeving kan daarvan worden afgeweken. Voor een aantal socialezekerheidswetten geldt dat het hoger beroep wel schorsende werking heeft (art. 19 Beroepswet in verbinding met de bij de Beroepswet behorende Bijlage C). Door die schorsende werking wordt voorkomen dat het bestuur gehouden is op grond van een eventueel onjuiste uitspraak van de rechtbank uitkering te verstrekken. Met betrekking tot bijstand ā de laatste strohalm inzake de middelen van bestaan ā geldt die schorsende werking niet. Het ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep behoort tot ƩƩn van de essentialia van ons bestuursprocesrecht. De (materiĆ«le) rechtskracht van een besluit brengt met zich dat het besluit ā behoudens uitzonderingen1 ā werking heeft zodra het is bekendgemaakt en niet pas zodra het onherroepelijk is.
Dit heeft een aantal gevolgen. Zo hoeft de bezitter van een bouwvergunning niet te wachten met de bouw van zijn serre, maar kan hij direct na de vergunningverlening aan de slag. Hij loopt dan wel het risico dat indien zijn buurman met succes die vergunning aanvecht, met terugwerkende kracht sprake is van een illegale uitbouw. Die zal dan in beginsel moeten worden afgebroken. Behoudens door het vergunningsverlenende bestuursorgaan ā het college van burgemeester en wethouders ā opgewekt vertrouwen, dat niet enkel kan bestaan in de vergunningverlening zelf, komt de afbraak van de inmiddels gerealiseerde serre dan voor rekening van de eigenaar.2 Indien hij niet zelf tot afbraak overgaat kan het voornoemde college overgaan tot (oplegging van een last onder) bestuursdwang met kostenverhaal3 of tot oplegging van een last onder dwangsom. Ook van dat besluit gaat geen schorsende werking uit. Wel zal de dwangsom gewoonlijk niet worden ingevorderd hangende bezwaar, maar dit laat de verbeurte ervan onverlet. In de uitkeringssfeer heeft het uitblijven van schorsende werking van bezwaar het gevolg dat de uitkering niet (meer) tot uitbetaling komt. In deze gevallen kan door een belanghebbende een voorlopige voorziening worden verzocht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Dit kan zowel in bezwaar als hangende het beroep in de hoofdzaak (art. 8:81 lid 1 Awb). In appel of indien sprake is van rechtspraak in eerste en enige aanleg bij de Afdeling, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt een gelijke mogelijkheid. Een voorziening kan dan worden verzocht bij de voorzitter van de Afdeling of de voorzieningenrechter van de CRvB of het CBb.4 De voorzieningenrechter zal zich ingevolge art. 8:81 lid 1 Awb dienen te buigen over de spoedeisendheid van het verzoek. De vraag is dan of kan worden volstaan met een zuivere belangenafweging of dat het hier juist om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel dient te gaan. Met Simons5 ben ik van oordeel dat ā behoudens het evident ontbreken van spoedeisend belang ā telkens aan beide elementen moet worden getoetst. Indien sprake is van een zekere mate van spoedeisendheid, terwijl onduidelijk is of het bestreden besluit stand zal kunnen houden, komt een nadere belangenafweging door de voorzieningenrechter in zicht. Daarbij speelt de mate van spoedeisendheid, de mate van twijfel over de rechtmatigheid van het besluit en de ingrijpendheid (waaronder onomkeerbaarheid) van de te treffen voorziening een rol. Het gaat hier om communicerende vaten. Naarmate het spoedeisende belang van de verzoeker groter is zal het gewraakte besluit indringender op rechtmatigheid moeten worden beoordeeld en zal in het verlengde daarvan een nadere belangenafweging (meer) in zicht komen. Naarmate het spoedeisende belang geringer is zal de rechtmatigheidstoets terughoudender kunnen zijn.
Waar in de voorzieningensfeer een financieel belang van een onderneming als niet of nauwelijks spoedeisend wordt beschouwd, ligt dit uiteraard anders indien een financiĆ«le noodsituatie ontstaat.6 In de sociale zekerheid ā wordt het spoedeisend belang bij (behoud van) een uitkering (vooral algemene bijstand) dan ook verondersteld en wordt overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling.7 Met betrekking tot herstelsancties en andere maatregelen zal veelal eerder sprake zijn van een voldoende spoedeisend belang dan ingeval van een bestraffende sanctie. Juist in het herstelkarakter van een sanctie of maatregel ligt namelijk het spoedeisende belang. Zo zal degene die wordt getroffen door een al dan niet tijdelijke intrekking van een horecavergunning en/of de sluiting van zijn horecagelegenheid een spoedeisend belang hebben bij schorsing van die beslissingen teneinde zijn zaak op te kunnen houden. Zo zal degene die wordt geconfronteerd met een last onder bestuursdwang ter zake van een illegale schuur een spoedeisend belang hebben bij het voorkomen van de afbraak indien hij meent dat het bouwwerk gelegaliseerd of gedoogd kan worden. En zo zal degene die met een last onder bestuursdwang wordt geconfronteerd een spoedeisend belang hebben om zijn activiteiten voort te kunnen zetten, zonder het risico te lopen dat bij een ongegrond bezwaar of beroep dwangsommen worden verbeurd.8 Een bijzondere categorie vormde de aanwijzing in het kader van art. 28 Wet toezicht effectenverkeer 1995. Het niet tijdig opvolgen daarvan vormde namelijk op zichzelf ā dus los van de gedragingen die aanleiding gaven tot de aanwijzing en die zelf ook een economisch delict vormden ā een economisch delict.
De Rotterdamse voorzieningenrechter overwoog: 'Daar komt bij dat het niet tijdig opvolgen van de aanwijzing een zelfstandig economisch delict oplevert. De oplegging van de verplichting aan verzoeksters tot het doen van een kennisgeving aan individuele beleggers, opdat die zich kunnen herbezinnen op hun overeenkomsten met verzoeksters, wordt aldus strafrechtelijk gesanctioneerd. De vraag doet zich aldus voor of de scheidslijn tussen het publieke en private belang hiermee niet teveel uit het oog wordt verloren en daarmee de verhouding tussen de publiekrechtelijke en civielrechtelijke handhavingsmogelijkheden met betrekking tot de Wte 1995.'9
In de literatuur is wel kritiek geuit op het onthouden van schorsende werking aan het bezwaar ingeval van bestraffende sancties.10 In de Wet op het financieel toezicht, de Mededingingswet en enige andere wetten is overigens wel voorzien in schorsende werking van rechtsmiddelen; een boete wordt pas invorderbaar nadat die onherroepelijk is geworden. Ter voorkoming van enkel procederen om uitstel te bewerkstelligen is wel wettelijke rente verschuldigd.11 Een alternatief vormt de in de Wet Mulder opgenomen ontvankelijkheidseis zekerheidsstelling te bieden.12 Het gaat hier wel om uitzonderingen. De Vierde tranche Awb voorziet namelijk niet in enige schorsende werking van het bezwaar en beroep tegen boetebesluiten. De verschuldigdheid van een bestuurlijke boete wordt beschouwd als een zuiver financieel belang. Er zal derhalve niet snel spoedeisendheid worden aangenomen. Toch gaat de Vierde tranche-wetgever ervan uit dat onder omstandigheden een voorziening kan zijn geboden. Daarbij is gedacht aan de situatie dat er in primo geen hoorplicht geldt, maar pas in bezwaar, en aan zeer hoge boetes waarbij directe invordering voor de 'overtreder' tot onevenredige financiƫle lasten zou leiden.13 Er is nog niet veel jurisprudentie met betrekking tot voorzieningen ter zake van de bestuurlijke boete. Een uitzondering vormt de boete in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen.
De voorzitter van de Afdeling overwoog inzake het verzoek van een werkgever tot schorsing van een besluit tot oplegging een boete wegens kortgezegd het tewerkstellen van illegalen het volgende: 'Van de zijde van verzoekster is ter toelichting van haar verzoek ter zitting verklaard dat, indien de haar opgelegde boete hangende het hoger beroep wordt geïnd, dit bij haar tot grote financiële problemen leidt. Aan het verzoek is aldus louter een financieel belang ten grondslag gelegd. Verzoekster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. De door haar overgelegde verklaring van een accountant leidt niet tot een ander oordeel.'14
Het is de vraag hoe één en ander zich verhoudt tot de jurisprudentie van het EHRM inzake art. 6 lid 2 EVRM.15 Wellicht zal de invordering van een zeer hoge boete (van een kleine onderneming) hangende bezwaar niet door de beugel kunnen. Zo heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Bosch een Wav-boete van totaal ⬠136.000 geschorst omdat het invorderen van een dergelijk hoog bedrag zonder rechterlijke tussenkomst strijdig werd gevonden met art. 6 lid 2 EVRM.16 De voorzieningenrechter liet daarbij uitdrukkelijk een voorlopig oordeel over de schuldvraag achterwege omdat dit niet af zou kunnen doen aan de onschuldpresumptie. Met dit laatste wordt miskend dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ook vol kan zijn, terwijl de meeste bodemzaken voorts enkelvoudig worden afgedaan.17 De Afdeling houdt in die zin dan ook terecht vast aan het standpunt van de wetgever dat de invordering van de boete tijdens de procedure geen strijd oplevert met de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie, aangezien op de voet van titel 8.3 Awb aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening kan worden verzocht.18
Een alternatief kan zijn het verzoeken om uitstel van betaling van de boete hangende bezwaar, zoals in de sociale zekerheid wel gebruikelijk was met betrekking tot terugvordering en premienota' s. Het bestuur nam dan een afzonderlijke beslissing om hangende bezwaar al dan niet uitstel van betaling te verlenen. Tegen dat besluit stond dan weer bezwaar en beroep open. In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep werden die besluiten blijkbaar niet als besluiten tot wijziging (art. 6:18 Awb) van het besluit dat de plicht tot betaling van een geldsom in het leven roept aangemerkt.19 Beide procedures liepen derhalve naast elkaar. Met de Vierde tranche is dit deels gewijzigd. In Titel 4.4. die handelt over bestuursrechtelijke geldschulden, waaronder ook de bestuurlijke boete valt, wordt thans in de Awb voorzien in de wijze waarop de verplichting tot betaling van een geldsom wordt vastgesteld: bij beschikking. Die beschikking bevat niet alleen de te betalen geldsom, maar ook de termijn(en) waarbinnen betaling moet plaatsvinden (art. 4:86). Het algemene uitgangspunt is betaling binnen zes weken (art. 4:87). Uitstel van betaling is bij wet voorzien als een discretionaire bevoegdheid (art. 4:94). Bij verzuim wordt het bedrag vermeerderd met wettelijke rente (art. 4:98). Invordering kan geschieden bij dwangbevel (art. 5:10 lid 2 Awb). Wettelijke rente en kosten van het dwangbevel kunnen daarbij tevens worden begrepen (art. 4:119 lid 1 Awb). Voorzien is in een concentratie van bezwaren en beroepen, in die zin dat een rechtsmiddel tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld tevens ziet op een bijkomende beschikking inzake wettelijke rente, verrekening, uitstel van betaling en kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist (art. 4:125). Tegen de aanmaning en het dwangbevel kan ook onder Vierde tranche niet worden opgekomen bij de bestuursrechter (art. 8:4, onderdeel m, Awb). Tegen het dwangbevel blijft verzet openstaan bij de burgerlijke rechter (art. 4:123 Awb).20 De mogelijkheid tot invordering bij dwangbevel laat overigens onverlet dat het bestuur blijft beschikken over de mogelijkheid zich privaatrechtelijk als schuldeiser op te stellen (art. 4:124).
Mocht de publicatie van een nog niet onherroepelijke boete als bedoeld in bijvoorbeeld art. 1:97 Wet op financieel toezicht een bestraffende sanctie opleveren, dan doet zich de vraag voor of de gang naar de voorzieningenrechter om vroegtijdige publicatie te voorkomen een voldoende waarborg biedt om handen en voeten te geven aan de onschuldpresumptie. Ik meen van wel.21