Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.3
8.3 Co-assurantie
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950501:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/85. Art. 7:414 BW definieert lastgeving als de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten.
Alinea 3.5 Conclusie procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden T. Hartlief d.d. 1 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1153. De voetnoten behorend bij deze alinea heb ik bij het citeren weggelaten.
Idem Roos 2023, p. 898: “Er is aldus sprake van spreiding van een en hetzelfde risico over meerdere verzekeraars. Hierbij sluit de verzekeringnemer, door tussenkomst van een beursmakelaar, met ieder van deze verzekeraars een afzonderlijke verzekeringsovereenkomst.”
Van Tiggele-van der Velde 2017, p. 97-99; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/126 en 144; Roos 2022, p. 244-247 en Roos 2023, p. 910-911.
Boshuizen 2001, p. 264-265.
Dahmen, de Beursbengel oktober 2007, p. 22-23.
Boshuizen en Jager 2010, p. 255-256 leidt deze opvatting als volgt in: “Een vraag is of de regeling voor portefeuilleoverdracht ook van toepassing is op overeenkomsten die in co-assurantie zijn gesloten of zijn overgegaan in co-assurantie. Hier zijn twee redeneringen denkbaar. De eerste is dat, aangezien de wettelijke regeling inzake portefeuilleoverdracht de co-assurantie niet apart behandelt, zij onverkort van toepassing is mede op co-assurantie. De tweede is dat, aangezien de wettelijke regeling inzake portefeuilleoverdracht de co-assurantie niet apart behandelt, zij mede gelet op het bijzondere karakter van co-assurantie daarop niet van toepassing is.” Idem in Boshuizen, Jager en Van Asch, in: Toezicht financiële markten, art. 3:112 Wft, aant. 14 en art. 3:114 Wft, aant. 11.
Co-assurantie is een vorm van verzekeren waarbij meerdere verzekeraars ieder een deel van het risico dekken. Co-assurantie wordt met name gebruikt voor grote en/of bijzondere risico’s.1 Bij het sluiten van verzekeringen in co-assurantie zijn dus meerdere verzekeraars betrokken, naast eventuele gevolmachtigd agenten aan wie de verzekeraars werkzaamheden hebben uitbesteed en een makelaar die de lasthebber2 is van de verzekeringnemer. De verzekeraars verzekeren dan met elkaar 100% van het risico.
Procureur-generaal van de Hoge Raad Hartlief gaf in 2019 in een conclusie voor een arrest van de Hoge Raad de volgende samenvatting van de juridische situatie bij co-assurantie:
“In casu gaat het om zo’n ter beurze tot stand gekomen verzekering. Deze worden doorgaans, en zo ook hier, gesloten op basis van co-assurantie. Daarbij dekt meer dan één verzekeraar op dezelfde polis het te verzekeren risico voor een bepaald gedeelte. Het kenmerkende van co-assurantie is dan ook dat de aansprakelijkheid van ieder van de participerende verzekeraars niet verder gaat dan het aandeel waarvoor zij elk hebben getekend. Bij co-assurantie, zo wordt aangenomen, sluit de verzekeringnemer met ieder van de deelnemende verzekeraars een zelfstandige overeenkomst af, steeds voor het percentage waarvoor de betreffende verzekeraar het risico heeft aanvaard. Van hoofdelijkheid tussen de deelnemende verzekeraars is geen sprake. Dit wordt niet anders wanneer gebruik is gemaakt van een enkel document dat door alle betrokken verzekeraars is ondertekend.”3
Bij co-assurantie sluit de makelaar dus op naam van de verzekeringnemer voor één risico meerdere verzekeringsovereenkomsten die samen het risico voor 100% dekken.4 In juridische literatuur is de heersende opvatting dat wanneer op een polis met co-assurantie tussentijds een verzekeraar toetreedt voor een (vervangend) aandeel er ten aanzien van hem sprake is van het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst.5 Er is juridisch in die opvatting dus géén sprake van het overdragen van rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst door een verzekeraar aan een andere verzekeraar. Dat er in de praktijk wordt gesproken over “oversluiting” of “overnemen van een aandeel” doet daar niet aan af.
Art. 3:114 Wft geeft een schadeverzekeraar de keuze om voor een portefeuilleoverdracht te kiezen tussen de toezichtrechtelijke route (waarbij de instemming van DNB in de plaats komt van de medewerking of instemming van de polishouder) en de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW waarbij voor de overdracht van de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst de medewerking van de polishouders vereist is. Aangenomen wordt dat de regeling voor portefeuilleoverdracht niet van toepassing is op overeenkomsten die in co-assurantie zijn gesloten. Boshuizen6 zei hierover in 2001 in zijn proefschrift onder meer:
“De aard van de overeenkomst van co-assurantie brengt mijns inziens met zich mee dat oversluiting zonder toestemming van de polishouder zonder meer mogelijk is. Deze laatste geeft immers de verzekeringsmakelaar opdracht om een bepaald risico te doen verzekeren, waarbij het hem onverschillig is wie precies de risicodragers zijn.”
De makelaar gebruikt dus de last die hij van de verzekeringnemer heeft gekregen om een nieuwe verzekeringsovereenkomst te sluiten voor het aandeel van de verzekeraar die niet meer wil deelnemen. Hij laat in dat geval niet de verzekeringsovereenkomst van de “oude” verzekeraar overdragen aan de nieuwe verzekeraar. Het is dus ook niet mogelijk om in plaats van de civielrechtelijke route te kiezen voor de toezichtrechtelijke route van art. 3:114 Wft, of zoals Boshuizen het zegt:
“Het zou vreemd zijn indien hier wel de ‘vervangende’ toestemming van de Verzekeringskamer vereist zou zijn.”
In 2007 merkt ook Dahmen in de Beursbengel op dat de regeling voor portefeuilleoverdracht niet geschreven lijkt te zijn voor co-assurantie.7 Boshuizen herhaalt deze opvatting in zijn latere publicaties.8
Deze opvattingen (dus: de opvatting dat er in geval van co-assurantie bij toetreding van een verzekeraar sprake is van een nieuwe verzekeringsovereenkomst respectievelijk de opvatting dat de aard van de overeenkomst van co-assurantie meebrengt dat er geen sprake is van het overdragen van rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst waarvoor toestemming van de polishouder vereist is) impliceren dat als voor alle verzekeraars die een bepaald risico hebben verzekerd één of meer andere verzekeraars in de plaats treden de wettelijke regeling over het overdragen van rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten (afdeling 3.5.1A Wft) niet van toepassing is.
In het verlengde hiervan impliceren deze opvattingen ook dat de Wft-regeling van de portefeuilleoverdracht niet van toepassing is als één verzekeraar al zijn in co-assurantie gesloten verzekeringen aan een andere verzekeraar wil “overdragen”. De nieuwe verzekeraar sluit dan immers voor elk aandeel dat de oude verzekeraar had ter dekking van risico’s een nieuwe verzekeringsovereenkomst. Ervan uitgaande dat er in geval van co-assurantie bij toetreding van een verzekeraar sprake is van een nieuwe verzekeringsovereenkomst, kan de conclusie alleen zijn dat de Wft-regeling van de portefeuilleoverdracht niet van toepassing is indien een verzekeraar zijn aandeel in in co-assurantie gesloten verzekeringsovereenkomsten overdraagt aan een andere verzekeraar. Als de Wft-regeling in feite een contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW is, waarbij de medewerking van de polishouder wordt vervangen door de instemming van DNB, dan is de regeling logischerwijze niet van toepassing als er tussen de overdragende en de verkrijgende verzekeraar geen sprake is van contractsoverneming. Overigens laat dat onverlet dat het in dergelijke situaties wel voor de hand zal liggen dat de twee verzekeraars de afspraken die zij in dit kader maken vastleggen in een schriftelijke overeenkomst.