Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.4.1
5.4.1 Inleiding
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973590:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hijma 2016*, p. 168.
Van Boom 2011, p. 810-814.
Bollen & Hartlief 2009/2192, sub 3.
Zie bijvoorbeeld HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank), r.o. 4.2.6: ‘(…) het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van (…) verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming’.
Zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/435; zie ook reeds W.M. Kleijn, annotatie onder HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4608, NJ 1984/250 (Peters/Peters), die betoogt dat in het BW voor een relatief werkende derogering is gekozen die niet verder strekt dan door de redelijkheid en billijkheid gevorderd wordt; zie in die zin reeds onder het oude recht G.J. Scholten, annotatie onder HR 5 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6996, NJ 1968/251 (Pekingeenden) en Houwing 1968, p. 39-46.
Zie HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7295, NJ 1998/86 (Voogt/mr. Kester q.q.), waarin is geoordeeld dat alleen sprake was van rechtsverwerking over een bepaalde periode; zie voorts over de proportionele werking van de redelijkheid en billijkheid zelf HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717, NJ 2006/378 (Royal c.s./Polygram), waarin een beroep op een vervalbeding door een verzekeraar voor 90% onaanvaardbaar werd geacht; zie voor verdere rechtspraakverwijzingen Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/26.
De rechtspraak van de Hoge Raad over de toepassingsvoorwaarden van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW is ingegeven door de gedachte dat hij de strenge sanctie op schending van deze klachtplichten, rechtsverval, te ver vindt gaan. Het is ook vooral de sanctie die in de literatuur weinig positieve omschrijvingen als ‘valbijlnatuur’1, ‘guillotineregime’2 en ‘botte bijlkarakter’3 heeft opgeleverd. Tot op heden heeft de Hoge Raad de sanctie op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW niettemin ongemoeid gelaten. Hij spreekt in zijn arresten zelfs expliciet van rechtsverval.4 Daarmee verschillen de klachtplichten van rechtsverwerking. Rechtsverwerking heeft, als toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, in beginsel tot gevolg dat de schuldeiser zijn recht ‘niet meer geldend kan maken’ en dat recht dus niet tenietgaat. Ook wordt proportionele werking mogelijk geacht.5 Die gedachte heeft navolging gekregen in de rechtspraak van de Hoge Raad.6
In hoofdstuk 2, meer in het bijzonder in par. 2.4.4 en 2.6.1, stelde ik de vraag of rechtsverval als sanctie past bij het proportionele karakter van Obliegenheiten. Een Obliegenheit beoogt het specifieke nadeel van de schuldenaar als gevolg van inconsistent schuldeisersgedrag weg te nemen. Daar past niet goed bij dat de sanctie van de klachtplicht altijd rechtsverval zou zijn.
In deze paragraaf onderzoek ik of we om rechtsverval als sanctie op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW heen zouden kunnen en naar een meer proportioneel sanctiearsenaal toe kunnen werken. In par. 5.4.2 onderzoek ik in hoeverre art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW hiertoe ruimte bieden.