De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.1:26.6.1 Stuiting door onderhandelingen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.1
26.6.1 Stuiting door onderhandelingen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369026:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader over deze stuitingswijzen hoofdstuk 23.
NJ 1990, 660, r.o. 12.
R.o. 3.3.
De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 74.
Zie nader over de stuitende werking van onderhandelingen § 17.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De WAM-vordering van de benadeelde op de verzekeraar wordt gestuit door een stuitingshandeling als bedoeld in het BW.
Het betreft: (i) art. 3:316 BW; het instellen van een eis, (ii) art. 3:317 BW; een schriftelijke aanmaning of een ondubbelzinnige mededeling en (iii) art. 3:318 BW; de erkenning.1
Naast de stuitingshandelingen uit het BW voorziet de WAM in een voor de praktijk uitermate belangrijke bijzondere wijze van stuiten: art. 10 lid 5 van de WAM bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. De term onderhandeling wordt in ruime zin opgevat: volgens de toelichting bij de WAM vormt elke briefwisseling en elke mondelinge bespreking over de rechten van de benadeelde een onderhandeling. Dat criterium is door het BenGR nader gepreciseerd met de overweging dat correspondentie tussen de benadeelde en de verzekeraar slechts dan op grond van de mededelingen van deze laatste niet kan worden aangemerkt als "onderhandeling" in de zin van art. 10 lid 5 WAM, indien de benadeelde op grond van die mededelingen moet begrijpen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit.
Wat onder het begrip "onderhandeling" moet worden verstaan, is uiteraard van groot belang bij de toepassing van art. 10 lid 5 WAM.
In de Gemeenschappelijke Toelichting staat dat de term in ruime zin moet worden opgevat en dat zij omvat "elke briefwisseling en elke mondelinge bespreking over de rechten van de benadeelde".
Aan die intentie de term ruim te interpreteren heeft het BenGR in zijn herhaalde uitspraken over deze kwestie recht gedaan. In BenGR 5 juli 19852 had de verzekeraar een bericht van ontvangst van de aansprakelijkstelling gestuurd met de mededeling dat hij de zaak in behandeling nam. Die correspondentie werd door het BenGR voldoende geacht om van onderhandelingen te kunnen spreken daar er niet sprake was van "een ondubbelzinnige en volstrekt afwijzende reactie van de verzekeraar". De benadeelde hoefde "niet aan te nemen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit, al heeft de verzekeraar geen blijk gegeven van enige bereidheid de aanspraak geheel of gedeeltelijk te honoreren".
Op die voet voortgaand overwoog het BenGR in zijn standaardarrest van 20 oktober 1989:3 "dat correspondentie tussen de benadeelde (daaronder ook begrepen de in diens rechten gesubrogeerde schadeverzekeraar) en de (...) verzekeraar slechts dan op grond van de mededelingen van deze laatste niet kan worden aangemerkt als "onderhandeling" in de zin van artikel [10 lid 5], indien de benadeelde op grond van die mededelingen moet begrijpen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit." Deze regel ziet men rechters, terecht, steevast toepassen bij beoordeling van de vraag of sprake is van onderhandelingen.
Betwisting van de stelling dat sprake is van onderhandelingen, is dus niet eenvoudig. Zo mislukte dat in Rechtbank Amsterdam 7 april 19974, waar de verzekeraar had bericht: "Indien uw verzekerde veel te dicht achter zijn voorganger heeft gereden en vervolgens niet meer in staat zou zijn geweest adequaat te reageren kunt u dit niet onze verzekerde aanrekenen. Wij hebben het proces-verbaal via de officier van justitie aangevraagd. Na ontvangst hiervan komen wij op de zaak terug". Zie ook Rechtbank Alkmaar 24 januari 2002:5 "De brief van Alpina van 21 mei 1997 gericht aan de vader van Sasker houdt geen ondubbelzinnige en volstrekt afwijzende reactie in waaruit (de vader van) Sasker redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat Alpina in geen enkel opzicht niet [het woord "niet" lijkt een vergissing — JLS] meer tot nadere bespreking van een regeling bereid was en voor Sasker reden had moeten zijn om, bij handhaving van zijn standpunt, een rechtsvordering in te stellen. In dit oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat de brief van 21 mei 1997 van Alpina een (slechts) eerste reactie betrof op de eerste brief van (de vader van) Sasker aan Alpina." Conclusie: er was wel een onderhandeling.
Wanneer is dan geen sprake van onderhandelingen? Het BenGH bepaalde in zijn arrest van 9 juli 1981:6 "Een of meer tot de verzekeraar gerichte, doch onbeantwoord gelaten aanvragen om vergoeding van de benadeelde vormen geen onderhandeling." Een voorbeeld van toepassing van die regel biedt Hof Amsterdam 27 oktober 1994:7 "Vaststaat dat de Zwolsche op deze brieven niet heeft gereageerd. In deze omstandigheden is van "onderhandelen" in de zin van voormelde bepaling geen sprake." Als partijen dus niet over en weer met elkaar in contact staan, is er geen sprake van onderhandelingen.
In dat verband is interessant HR 4 juni 1993.8 De benadeelde stelde zich in cassatie op het standpunt dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van onderhandelingen beslissend is, "of de verzekeraar zich zodanig heeft gedragen ten opzichte van de benadeelde dat deze niet behoeft aan te nemen dat de verzekeraar een regeling van de schade zonder meer uitsluit, waarbij een (formele) aansprakelijkstelling niet steeds (zonder meer) vereist is". De benadeelde had zelf geen contact gezocht met de verzekeraar, maar de verzekeraar had wel aan een bekende van de benadeelde verzocht om informatie en bewijsstukken betreffende de schade.
De Hoge Raad oordeelt: "Het hof [het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba — JLS] heeft het vereiste van "uitwisseling van standpunten" aldus gepreciseerd dat van zulk een uitwisseling, naar zijn oordeel, eerst kan worden gesproken indien de benadeelde zijnerzijds aan de verzekeraar bericht of doet berichten dat en op grond van welk ongeluk hij van hem schadevergoeding verlangt. Dit oordeel is juist." Dat was in deze zaak niet gebeurd, dus was er geen sprake van onderhandelingen.
Deze uitspraak is alleszins begrijpelijk. Dat geldt niet voor HR 3 mei 1985,9 waar ook de stelling dat sprake was van onderhandelingen door de Hoge Raad werd afgewezen. In die zaak overwoog de Hoge Raad in het kader van zijn beoordeling van het hofarrest:10 "Door uitgaande van zijn oordeel dat de verzekeraar in de correspondentie de vordering van het A.B.P. steeds zonder voorbehoud heeft afgewezen, te beslissen dat van onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 3 [thans: lid 5 — JLS] WAM geen sprake is geweest, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting van die bepaling." Op die overweging op zichzelf is niets af te dingen, maar zij verhoudt zich moeizaam tot de feiten. Het hof had het rechtbankvonnis vernietigd. De rechtbank had overwogen: "De antwoordbrief van de [verzekeraar] d.d. 30 september 1968 vermeldt in de eerste alinea dat van aansprakelijkheid van haar verzekerde na diepgaand onderzoek niet is gebleken, maar in de tweede alinea schrijft zij dat "in dit stadium" de gerechtigdheid tot verhaal niet wordt erkend en dat men "in ieder geval" de afloop van een procedure in een soortgelijke zaak wil afwachten. Volgens de Rechtbank is hier sprake van een briefwisseling van dien aard, dat de indruk bij eiser of diens gemachtigde kon worden gewekt, dat gedaagdes rechtsvoorgangster een regeling, zij het in een later stadium, niet bij voorbaat uitsloot. Deze briefwisseling kan aldus worden aangemerkt als een onderhandeling in de zin van artikel 10, lid 3 WAM." Tegen deze beslissing, waarvan de vernietiging door het hof dus door de Hoge Raad werd goedgekeurd, is, zou men denken, weinig in te brengen. Zo meende ook de A-G: "Deze argumentatie lijkt mij sterk. Niet is in te zien hoe het willen afwachten van de afloop van een soortgelijke procedure kan worden aangemerkt als een "zonder voorbehoud" afwijzen van de vordering."
HR 3 mei 1985 is dus reeds bij geïsoleerde lezing moeilijk te begrijpen. De twijfel over het arrest neemt nog toe als wij in de analyse betrekken het later gewezen (en hiervoor besproken) standaardarrest BenGR 20 oktober 1989, waarin werd overwogen dat "correspondentie (...) slechts dan niet als onderhandeling wordt aangemerkt indien de benadeelde op grond van die mededelingen moet begrijpen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit." Daarvan is geen sprake als de verzekeraar bericht dat hij in ieder geval de afloop van een procedure in een soortgelijke zaak wil afwachten. De stelling dat de Hoge Raad thans tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen, lijkt daarom niet te gewaagd.
Over de stuiting door onderhandelingen als bedoeld in lid 5 ten slotte nog de volgende opmerking. De Bosch Kemper en Gruben schrijven: "Deze duurstuiting uit de WAM is onder de vaandels van de redelijkheid en billijkheid het terrein van het burgerlijk recht binnengedrongen (HR 1-2-2002), hoewel in het gewone burgerlijk recht de aard en omvang van de onderhandelingen wel veel meer om het lijf moeten hebben dan voor de WAM (...) voldoende is."11 Die opmerking is enigszins verwarrend, omdat de Hoge Raad in dat arrest nu juist uitmaakte dat onderhandelingen in beginsel geen stuitende werking hebben: "De opvatting (...) dat (...) onderhandelingen op zichzelf de verjaring kunnen stuiten, kan derhalve niet als juist worden aanvaard"12